Over Skeveling nae Lààie

Katwijk aan Zee is een gesloten gemeenschap maar het dialect erodeert. Katwijkers schaamden zich voor het Kattuks tot historisch taalkundige en ex-Katwijker Leendert de Vink hun taal onderzocht.

DE BLATENDE a in straet en laeter, een klank tussen aa en e in, is typisch Katwijks. Evenzo de bilabiale w, met beide lippen uitgesproken en ingezet als een oe. Ook aan skipper en skool herkent men de echte `Kattukker', en met woorden als onterjuin (brutaal) of ruifele (opschieten) is het niet anders. Katwijk aan Zee – niet te verwarren met Katwijk Binnen – heeft nog een kleurrijk dialect.

Maar dat dialect is wel aan het verdwijnen, constateert historisch taalkundige en ex-Katwijker Leendert de Vink. In april promoveerde hij aan de Universiteit Leiden op het proefschrift Dialect en dialectverandering in Katwijk aan Zee. Daarnaast schreef De Vink op basis van een hoofdstuk uit zijn proefschrift een Kleine Grammatica van het Katwijks, in het voormalige vissersdorp (en daarbuiten) een doorslaand succes.

``Door alle publiciteit rond mijn onderzoek in De Katwijksche Post schamen Katwijkers zich niet langer voor hun dialect'', zegt De Vink (42) in de Leidse Universiteitsbibliotheek, zijn huidige werkgever. ``Toen ik in 1994 me in het kader van een afstudeerscriptie met dit onderwerp ging bezighouden, was dat anders. Katwijks zou plat zijn, niet netjes. Zo'n reactie is tekenend voor het westen, waar de standaardtaal altijd heel dichtbij is. In Twente zul je dat niemand horen zeggen, daar is het: wij spreken Twents en daarginds spreken ze Nederlands. Ik heb steeds benadrukt dat het Katwijks een dialect is dat alle kenmerken heeft van een volwaardige taal, inclusief volwaardige grammatica. Dat helpt, zelfs in de gemeenteraad is er over gediscussieerd. Als iemand van de universiteit zich met het Katwijks bezighoudt, is de reactie, moet het toch wel wat voorstellen.''

Dat de Katwijker nog volop dialect spreekt, heeft socio-linguïstische redenen. Door de visserij was Katwijk een gesloten gemeenschap. Men zette zich af tegen mensen van het land, voelde zich hoogstens verbonden met andere vissersdorpen. Inmiddels is de visserij praktisch verdwenen, maar die sfeer is nog aanwezig. Ook godsdienst is een factor: in Katwijk is de meerderheid van de bevolking (veertigduizend zielen) orthodox protestant – zesduizend Nederlands Hervormden lieten onlangs de kerkfusie met de gereformeerden tot de Protestantse Kerk in Nederland niet over hun kant gaan en scheidden zich af. Er is een bloeiend verenigingsleven, resulterend in een sterk saamhorigheidgevoel. `Het durrep bij uitnemendheid', schreven Overdiep & Varkevisser in 1940 in hun grammatica De volkstaal van Katwijk aan Zee.

``Daar komt het toerisme nog bij'', zegt De Vink. ``Vooral in de jaren zestig en zeventig, toen de Duitsers nog niet met vakantie naar de Oostzee trokken, werd Katwijk iedere zomer overspoeld. In reactie op zo'n invasie hechten de mensen extra aan hun identiteit, waaronder de taal.''

In zijn onderzoek heeft De Vink bij 84 Katwijkers in de leeftijd van twintig tot zeventig jaar hun kennis van het Katwijks getoetst. Referentie was het Katwijks in het grammaticaboek (1940) en het woordenboek (1949) van Overdiep & Varkevisser. ``Die boeken zijn gebaseerd op gesprekken met vier anonieme vissers, gevoerd in de jaren dertig. Het Katwijkse woordenboek van 1949 geeft een bloemlezing. Door in de archieven te duiken kon ik achterhalen wie het waren. Gemiddeld waren ze in 1850 geboren. Gevoegd bij de taalkundige hypothese dat na je twintigste je taal weinig meer verandert, leidde dat tot een referentie-Katwijks uit 1870.''

interview

Het ging De Vink om de kennis die Katwijkers nog van hun dialect hebben, wat iets anders is dan het bepalen van het gebruik van het dialect in de praktijk. Die kennis werd niet bepaald aan de hand van een corpus spontane gesprekken, maar door de 84 proefpersonen een gestructureerd interview af te nemen. Kandidaten dienden aan stringente eisen te voldoen: geboren en getogen in Katwijk, wonen in Katwijk, werken in Katwijk, tot de lagere sociale klasse behoren en het Katwijks redelijk beheersen. Het vinden van geschikte jongeren was nog een hele toer. ``Die zijn te hoog opgeleid, zodat ze aan storende invloeden hebben blootgestaan. Ook zijn jongeren lastiger tot een interview te bewegen dan ouderen en menen ze – ten onrechte – geen Katwijks meer te beheersen. Voor ouderen is het dialect iets vanzelfsprekends, en ze hebben alle tijd.''

De vragenlijst, voor iedereen dezelfde, bestond uit 21 onderdelen. Eerst werd gevraagd naar de betekenis van Katwijkse woorden als gneuzele (stilletjes ergens komen neuzen) en dòònig (klam, vochtig). De informanten moesten zinnen als `we ergeren ons aan dat geschreeuw' zo Katwijks mogelijk vertalen, verkleinwoorden en meervouden maken en uitspreken en zinnen beoordelen op goed Katwijks. Meestal was het in een uurtje klaar. Antwoorden werden opgenomen op de band. Het afluisteren, verwerken en analyseren van al dat materiaal was een heidens karwei. ``Heel eenzaam'', zegt De Vink. ``Al die klanken indelen, ik zou het nooit over willen doen. Ik ben blij dat ik nu op de UB werk, meer onder de mensen.''

Bij het zoeken naar kandidaten riep De Vink, die Katwijk twaalf jaar geleden verliet, de hulp in van een legertje informanten, stuk voor stuk thuis in de Katwijkse samenleving. ``Op een keer was ik een half uur te vroeg bij een interview bij een echtpaar van middelbare leeftijd. Het was half twee en toen ik werd binnengelaten stonden twee dochters af te wassen – in Katwijk eten kinderen die het huis uit zijn tussen de middag vaak nog (warm) bij hun ouders, het is Italië aan Zee. Die dochters werkten op de markt, wilden zelf ook meedoen en hebben met z'n tweeën zo'n veertig informanten aangebracht. Ook de lijst twintigers die mijn Katwijkse tandarts uit zijn patiëntenbestand had gelicht en voor me had uitgeprint, hebben ze nagelopen.''

Om te voorkomen dat zaken werden doorverteld, heeft De Vink de interviews (in totaal 138, waarvan 84 bruikbaar) in drie maanden afgenomen. ``Ik ging bij de mensen thuis langs en heb heel veel eikenhout en schilderijtjes met bomschuiten gezien. Het hielp dat ik uit Katwijk kwam, wist waar ze het over hadden en zelf ook `legge' en `kenne' zei in plaats van `liggen' en `kunnen'. Altijd wilden ze eerst weten van wie je er een was. Na tien minuten spraken ze goed, zonder overdreven netjes te willen doen en van de weeromstuit te hypercorrigeren: bioschoop in plaats van bioscoop. Gelukkig schenken Katwijkers goeie koffie, niet te sterk. Het zijn gulle mensen, het is voorgekomen dat ik chocola meekreeg of een bak bevroren haring. Drie mensen heb ik in mijn vuile goed op een visrokerij geïnterviewd, dat kwam hun beter uit. Alles kleefde in dat hokje en op tafel lag een agenda met een papiertje dat doorzichtig was van het vet.''

taalverlies

Resultaat van De Vinks analyses was dat de Katwijkers die aan het onderzoek deelnamen hun dialect nog voor vijftig procent beheersen. Bij de categorie 60-70 jaar was dat 64 procent, voor de 20-30-jarigen 44 procent. Uitgesplitst naar taalonderdelen bleek de mate van taalverlies te kloppen met de uit eerder dialectonderzoek naar voren gekomen stabiliteitshiërarchie. Het best behouden blijft de fonetiek (accent waarmee de mensen spreken), daarna syntaxis (zinsbouw), gebruik van bijwoorden, lexicale fonologie (klanken), morfologie (verbuiging en vervoeging van woorden) en woordenschat. Ook in het Katwijks houdt het accent stand, krijgen nieuwe woorden in het Nederlands een `kattukse' uitspraak, maar verdwijnen inhoudswoorden als skrengze (krassend geluid maken) en kule (schuilen) uit beeld.

``Opvallend genoeg'', zegt De Vink, ``doet een woord als ruifele, zich haasten, het goed, ook bij jongeren. Kennelijk is het populair. Maar bij spok – een spok haering is een heleboel haring – zie je dat zo'n woord bij jongeren soms ook de betekenis `spook' krijgt. Een speciale plaats is er in het Katwijks voor verkleinwoorden in combinatie met hun meervoud: ien bakje, maar twie bakkies. Die vorm scoort bij jong en oud buitengewoon goed, boven de negentig procent. Interessant in de verliesvolgorde is dat fonetiek pas de laatste tijd bij de jongeren in verval raakt, terwijl dat bij de syntaxis al vanaf de vijftigers het geval is.''

hiete

Als onderliggende factor bij het dialectverlies wijst De Vink in de eerste plaats op frequentie. ``Naarmate een vorm, klank of woord vaker voorkomt, weet hij zich beter te handhaven. Het Katwijks hanteert vaak een ie voor een Nederlandse ee: bien in plaats van been, hiete voor heten, enzovoort. Daarentegen wordt de Katwijkse àèu, voor een Nederlandse au, veel minder gebruikt omdat die klank alleen voorkomt in blàèuw, flàèuw, gràèuw, làèuw, klàèuw en ràèuw. Die loopt dus meer gevaar. Wat ook een rol speelt is regionale steun. Als bien ook in buurdorp Rijnsburg voorkomt, helpt dat voor het behoud.''

De Vink mag dan twaalf jaar uit Katwijk weg zijn, eens een Katwijker, altijd een Katwijker. Voor de Katwijksche Post vertaalt hij wekelijks de strip `Kappie' in natuurgetrouw Katwijks en sinds 2000 is hij bezig met het samenstellen van een Algemeen en vergelijkend woordenboek van het dialect van Katwijk aan Zee. Dat moet zo'n zesduizend woorden gaan omvatten, met daarbij zegswijzen en uitdrukkingen, en ethymologie. ``Veel Katwijkse woorden ontbreken in Overdiep & Varkevisser,'' zegt De Vink. ``Het is tijd voor iets nieuws. Een oproep van vier jaar geleden om woorden toe te sturen, heeft veel materiaal opgeleverd. Vooralsnog ben ik aan het inventariseren, iedere week krijg ik nog wel woorden toegestuurd.''

Leendert de Vink, `Dialect en dialecverandering in Katwijk aan Zee'. Eburon, ISBN 90 5972 019 9. €29,90.

Leendert de Vink, `Kleine grammatica van het Katwijks'. Primavera Pers, ISBN 90 5997 011 X. €9,90.