`Natuurlijk is Nederland niet veilig'

De Britse overheid verspreidde onlangs huis-aan-huis een boekje: wat te doen bij een terroristisch aanslag. Heeft zoiets zin? Ja, zegt Paul Wilkinson die al dertig jaar terrorisme onderzoekt. `Als een dirty bomb ontploft, wil iedereen weglopen. Dan kunnen anderen worden besmet.'

Een `islamitische aardbeving'. Dat staat Nederland te wachten, volgens een vorige week op internet verschenen bericht, als het weigert zijn troepen terug te halen uit Irak. Was getekend: Jamaat al-Tawhid al-Islamiya.

Is het dreigement serieus? Is Jamaat al-Tawhid al-Islamiyadat echt een terroristische organisatie? Serieus of niet, Nederland moet niet de illusie hebben dat het van terrorisme gevrijwaard zal blijven, zegt professor Paul Wilkinson. Hij is directeur van het Centrum voor onderzoek naar terrorisme en politiek geweld aan St. Andrews University in Schotland en één van de meest vooraanstaande terrorisme-experts in Groot-Brittannië. Dergelijke dreigementen van Al-Qaeda, of aan Al-Qaeda verwante organisaties, zijn volgens hem ook verstuurd aan andere westerse landen die troepen hebben in Afghanistan en Irak, zoals Spanje, Australië en Groot-Brittannië.

En die dreigementen moet je heel serieus nemen, denkt Wilkinson. ,,Het is zonneklaar dat ze Groot-Brittannië en andere landen in West-Europa willen aanvallen'', zegt hij. ,,Dat hebben we gezien bij de tragische aanslagen in Madrid. Volgens de Britse politie en inlichtingendiensten is het niet meer de vraag óf, maar wanneer het gebeurt.'' Wilkinson ziet geen enkele reden waarom Nederland veilig zou zijn. Nederland is met troepen actief in Irak en Afghanistan. En het staat vast dat leden van Al-Qaeda in Nederland hebben verbleven.

De krakende, houten deur in een drukke straat van het universiteitsstadje St. Andrews, aan de Schotse oostkust, doet niet vermoeden dat hierachter het instituut van Paul Wilkinson (67) schuilgaat. Een instituut met de nieuwste informatie over moslimextremisme, met verbindingen met veiligheidsdiensten. Regelmatig voorziet het overheden van advies: Canada, de Verenigde Staten, Duitsland, Oostenrijk, en ook Nederland. ,,Onafhankelijke adviezen'', zegt Wilkinson nadrukkelijk in zijn minuscule werkkamer, volgestapeld met rapporten en boeken over terrorisme en politiek, van Ierland tot Tsjetsjenië. Hij hecht aan de onafhankelijkheid van het onderzoeksinstituut. ,,Wij delen niet noodzakelijkerwijs de opvattingen van overheden en de politiek.''

Al ruim dertig jaar doet Wilkinson, die diende bij de Royal Air Force, onderzoek naar terrorisme en internationale betrekkingen. Ook de regering-Blair hecht aan zijn mening. Wilkinson leidt een commissie die onderzoekt in hoeverre het Verenigd Koninkrijk is voorbereid op terroristische aanslagen.

,,Al-Qaeda is beschadigd'', doceert Wilkinson. ,,Ze hebben enkele sleutelfiguren verloren en bankkanalen zijn drooggelegd. Maar ze zijn nog steeds actief en ze zijn gevaarlijk. Ik ben ervan overtuigd dat alle landen van de coalitie een keer zo'n dreigement krijgen als Nederland vorige week ontving via internet. Daarom moeten de Nederlandse autoriteiten het heel serieus nemen en maatregelen treffen.''

Wat een overheid niet moet doen, zegt Wilkinson, is terroristen meteen hun zin geven. Die willen een land aanvallen wegens het gevoerde beleid, bijvoorbeeld omdat een land troepen heeft in Irak. Maar als een land zijn politiek wijzigt na dreigementen, zoals Spanje deed na de aanslagen in Madrid, brengt het zijn democratie in gevaar, vindt Wilkinson. ,,Het geeft terroristen de overwinning die ze via de stembus niet konden halen.'' En het moedigt ze aan door te gaan met acties. ,,Als je het beleid van één land kunt wijzigen, waarom niet het beleid van alle landen?''

Wat een overheid wél moet doen, vindt Wilkinson, is het publiek waarschuwen bij concrete terroristische dreigingen. Maar heeft dat zin? Zorgt dat niet voor onnodige paniek? Wanneer moet je waarschuwen? En hoeveel vertel je?

In Amerika wordt bijna voortdurend alarm geslagen. ,,De Amerikanen'', zegt Wilkinson, ,,waarschuwen snel, omdat ze na 11 september uiterst gevoelig zijn voor de kritiek dat ze niet alert genoeg waren.'' Landen als Groot-Brittannië en Nederland varen een middenkoers. Ze zijn terughoudend met het geven van informatie en waarschuwen het publiek pas als er sprake is van een specifieke dreiging. Zodra er in Engeland een bommelding is gericht op een bepaalde vlucht, wordt een vliegtuig aan de grond gehouden. Zolang de dreiging niet specifiek is, houden de Britten het liever stil om de zaak rustig te kunnen onderzoeken. En om de bevolking niet op te zadelen met informatie waarmee ze niks kan.

,,De meeste terrorisme-experts gaan ervan uit dat de waarschijnlijkste aanval op dit moment er een is met een dirty bomb'', zegt Wilkinson. Dat is een bom die radioactief materiaal combineert met explosieven. Helaas, voegt hij daar aan toe, kan het radioactieve materiaal vrij gemakkelijk worden verkegen via illegale handel of door diefstal. ,,Als een bom met hoog radioactief materiaal afgaat op een drukke plek, vallen er niet alleen veel doden, maar kunnen ook mensen die zich op flinke afstand van de explosie bevinden kanker krijgen.''

De Britse regering heeft daarom vorige maand huis-aan-huis een pamflet van 22 pagina's vespreid. Daar staat in hoe burgers moeten handelen in noodgevallen (`Preparing for emergencies, what you need to know'). ,,Er werd door sommigen lacherig over gedaan, maar ik vind het een goed idee'', zegt Wilkinson. De meeste mensen weten niet hoe ze de benodigde informatie op internet moeten vinden. Het instructieboekje bevat nuttige informatie. Er staan telefoonnummers in van lokale ziekenhuizen, welke rantsoenen je moet inslaan en hoe te handelen bij een chemische, biologische of radiologische aanval. ,,Ieder zal de neiging hebben weg te lopen, maar dan kunnen anderen worden besmet.'' Het advies is te wachten op ambulances en hulpdiensten die de burgers ontsmetten, onder andere met water en speciale zeep.

Behalve de bekende adviezen tijdens een ramp – Go in, Stay in, Tune in (ga naar binnen, blijf binnen en zet radio of televisie aan en volg instructies van de hulpdiensten), geeft het boekje tips over wat bewoners moeten doen bij aanslagen met explosieven, radioactiviteit en chemische wapens, maar ook bij branden en overstromingen.

Wie thuis is op het moment dat een aanslag of een ramp zich voordoet, doet er goed aan een aantal belangrijke spullen bij elkaar te zoeken. De mobiele telefoon. Geld en creditcards. Medicijnen die regelmatig moeten worden ingenomen. Extra kleren en dekens. Autosleutels en huissleutels, voor het geval de hulpdiensten oproepen tot een evacuatie. Britten wordt ook geadviseerd om water in flessen en voedsel in blik in voorraad te hebben voor het geval de bewoners enkele dagen in huis moeten blijven. Verder worden ze opgeroepen om verdachte zaken en personen te melden via de speciale Police Anti-Terrorist Hotline. Verdachte huurders of gasten, mensen die een speciale belangstelling hebben voor veiligheidsmaatregelen.

Wilkinson, over het boekje: ,,Veel jonge mensen die geen ervaring met de oorlog hebben kunnen hier profijt van hebben. Het gaat erom je gezond verstand te gebruiken. Dat gebeurt niet altijd in crisissituaties. Daarom kan een boekje heel nuttig zijn. Ik vond het prima toen het uitkwam. Ik ken ook geen serieuze veiligheidsexpert die het heeft veroordeeld.''

Zinvol is volgens Wilkinson ook het gebruik van kleurcodes om aan te geven hoe groot de dreiging van een aanslag is. Amerika deed dat al, Nederland nu ook. Als er een `oranje' alarm is, weten burgers dat de autoriteiten van een serieuze dreiging uitgaan. Wilkinson: ,,Dat helpt. Ze worden alerter op losse plastic tassen die mogelijk ergens zijn achtergelaten en kunnen de politie waarschuwen als ze iets verdachts zien.'' Bovendien, zegt Wilkinson, burgers hebben er recht op te weten hoe groot of klein het gevaar is waaraan ze mogelijk worden blootgesteld. ,,Het publiek zou toch woedend zijn als later bij onderzoek naar een aanval zou blijken dat de overheid waarschuwingen over terreuracties in de wind had geslagen. De beste oplossing is natuurlijk zulke goede inlichtingen te hebben dat plannen voor een aanslag van tevoren kunnen worden verijdeld.''

Sleutel weggooien

Maar de strijd tegen het terrorisme moet volgens Wilkinson niet alleen worden gevoerd door inlichtingen- en politiediensten. Of door soldaten. Die strijd moet ook worden gevoerd door trouw te blijven aan je eigen principes, de principes van de liberale rechtsstaat bijvoorbeeld. En Wilkinson vindt daarom dat met name de Amerikanen op dit moment niet goed bezig zijn. ,,De Amerikanen'', zegt hij, ,,zijn onder president Bush afgestapt van het strafrecht. In de ene zaak na de andere kiezen ze voor wederrechtelijke methoden, zoals mensen detineren zonder proces, terwijl ze tot een succesvolle vervolging hadden kunnen overgaan. Nu raken die mensen in de vergetelheid.'' Hij doelt op Guantánamo Bay waar zeshonderd vermeende strijders van Al-Qaeda worden vastgehouden. Dat werkt volgens hem zelfs contraproductief. ,,Het is niet alleen moreel en wettelijk verkeerd, het levert voer voor de boodschap die Bin Laden graag verspreidt: dat Amerika zegt de mensenrechten te respecteren, terwijl ze je in de bak zetten en de sleutel weggooien. Ik vind dat je onder alle omstandigheden uit moet blijven gaan van legale middelen. Dus geen illegale taps en geen massale arrestaties zonder verdenking.''

Ook voor de rechtssystemen in andere landen tonen de Amerikanen te weinig respect, zegt Wilkinson. In Hamburg leek de verdachte Marokkaan Al-Motassadeq bijvoorbeeld onlangs als eerste te worden veroordeeld wegens betrokkenheid bij de aanslagen van 11 september. Maar de Amerikanen weigerden de Duitsers een belastende verklaring te geven van Ramzi Binalshibh omdat dit hun geheime diensten in hun werk zou dwarsbomen. Daardoor liep de zaak stuk. Al-Motassadeq kwam op vrije voeten. Begin deze maand werd het proces heropend in een nieuwe poging de vermeende helper van de Hamburgcel achter slot en grendel te krijgen.''

De Amerikanen die het nu voor het zeggen hebben begrijpen het wezen van het terrorisme niet, zegt Wilkinson. Natuurlijk, erkent hij, militair ingrijpen kan een bijdrage leveren in de strijd tegen het terrorisme. In Afghanistan bijvoorbeeld, waar soldaten een eind maakten aan het Talibaan-regime dat lange tijd onderdak bood aan Osama bin Laden. Maar Wilkinson was tegen de invasie in Irak, omdat Saddam niets te maken had met 11 september. Saddam was ook geen bondgenoot van Bin Laden.

Wilkinson: ,,De neoconservatieven wilden dit beleid volgen, ongeacht wat de internationale gemeenschap ervan vond. Het ging om revanche voor 11 september, en ze wilden aantonen dat de Amerika's militaire macht overal in de wereld problemen kan oplossen. Ze denken nog steeds aan instant-oplossingen, de quick fix. Maar die bestaat niet.'' De invasie in Irak was volgens hem niet alleen een strategische blunder, de Amerikanen hebben er bovendien Al-Qaeda mee geholpen. ,,Er kwam geld, er kwamen nieuwe strijders voor de jihad. Ze hebben de Amerikanen bovendien in Irak in hun eigen achtertuin gekregen. De terroristen hebben de doelwitten voor het uitzoeken.''

Politici zijn volgens Wilkinson uit op kortetermijnsuccessen. Ze denken aan de volgende verkiezingen of aan de begroting. Maar ze negeren de langdurige inspanning die nodig is om de moslims voor zich te winnen. ,,Als je de hearts and minds van de moslimgemeenschap niet wint, zullen er nieuwe generaties van zelfmoordenaars komen, in veel groteren getale dan nu en verspreid over veel meer landen. Die strijd om de harten van de moslims is geen extra optie in de strijd tegen Al-Qaeda, het is absoluut essentieel als we in de toekomst dergelijke dreigingen willen bestrijden.''

Een regering die eens in de zoveel tijd zegt dat de strijd tegen het terrorisme niet gericht is tegen de islam, of dat de islam een vredelievende godsdienst is, wint niet de sympathie van de moslimgemeenschap, meent Wilkinson. ,,Dergelijke statements zijn niet genoeg. Wat we nodig hebben is dat het publiek wordt geschoold, dat er met moslimgeestelijken in de wijken wordt gesproken om consensus te creëren tegen het terrorisme. Een coalitie tegen terrorisme betekent een coalitie aan de basis. Van onderaf is brede steun nodig, in heel Europa. Maar het vergt een langdurige inspanning om dat te bereiken.''

Daden zijn daarbij belangrijker dan woorden. Wilkinson vindt dat het Westen oor moet hebben voor de legitieme grieven die bestaan in moslimgemeenschappen, zoals het Palestijnse probleem met Israël. In Europa zouden regeringen radicale actie moeten ondernemen tegen discriminatie van moslims en tegen rechtsextremisten die volgens Wilkinson in veel Europese steden nog steeds een gevaarlijke en destabiliserende rol spelen. Hij erkent dat het winnen van het vertrouwen van de moslims in Europese niet eenvoudig is, gezien de enorme sociale en economische ongelijkheid tussen moslimimmigranten en de autochtone bevolking in landen als het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Nederland en Frankrijk. ,,Toch moeten overheden meer doen om te voorkomen dat er grote aantallen boze, geradicaliseerde jonge moslims ontstaan van wie sommigen in de armen van extremistische islamisten worden gedreven. Het hoeven er maar een paar te zijn, want het gaat om kleine aantallen. Negentien kapers was alles wat nodig was in Amerika. Om dat te voorkomen, moeten we garanderen dat de kansen voor deze jonge mensen net zo groot zijn als die van de meerderheid. Zorgen dat er geen onrechtvaardigheid of discriminatie is op het werk, op het gebied van huisvesting. Ze zijn burgers van onze staten en moeten gelijk worden gehandeld.''

De strijd om de harten van de moslims is essentieel in de strijd tegen Al-Qaeda