De hand die je voedt

Dat jongeren amper belangstelling tonen voor techniek vindt ingenieur Wim Herman de Groot onbegrijpelijk. ,,Mobieltjes en sportschoenen zijn gemaakt dankzij kennis van chemie.''

ALS HET AAN WIM Herman de Groot ligt mag het woordje `leuk' geschrapt worden uit het woordenboek. Want `leuk' is volgens hem dé plaag van dit moment. ``Voor de jongeren van vandaag moet alles `leuk' zijn. Een pretcultuur noem ik het. En aangezien het niet in de mode is om techniek `leuk' te vinden, keren veel jongeren zich ervan af. Tegelijkertijd is iedereen verwend. Want dat mobieltje hoort er wel bij, die sportschoenen die ademen, dat superlichte tennisracket, ga zo maar door. Maar dat zijn wel allemaal producten gemaakt met kennis van chemie. En daar wil men niets mee te maken hebben. `Je bent gek als je techniek gaat studeren', hoor ik om mij heen. En daar kan ik echt niet bij. Want zo bijt je in de hand die je voedt.''

Prof. ir. Wim Herman de Groot kan zich behoorlijk opwinden over de dreigende teloorgang van het vakgebied waar hij zijn hele werkzame leven aan gewijd heeft: de chemische technologie. Hij begrijpt werkelijk niet waarom jongeren niet (meer) geboeid zijn door techniek, de motor van de moderne samenleving. Om hen ervan te overtuigen dat techniek wél interessant is `leuk' en vooral kansen biedt om er iets van jezelf in te leggen schreef hij het boek Ingenieurs aan het woord. Maar het uitkomen van dat boek in eigen beheer maakt het er niet beter op. Herman de Groot is ``ietwat teleurgesteld'' door het gebrek aan belangstelling van de doelgroep, ofwel ``iedereen die op enigerlei wijze betrokken is of kan worden bij onderwijs in bèta-techniek opleidingen''. ``Ach ja, ik ben er weer wat realistischer door geworden'', zegt de auteur in de achtertuin van zijn huis in Wassenaar.

Op zichzelf is het bijzonder: een ingenieur die een autobiografie schrijft over zijn leven en werk, want techniek en communicatie gaan veelal niet samen. Bovendien heeft Herman de Groot meer te vertellen dan alleen over zijn eigen leven. Zijn vader, die ook Wim heette, was een civiel-technisch ingenieur, die onder andere heeft meegewerkt aan de grootscheepse restauratie van het stadhuis in Gouda net na de Tweede Wereldoorlog. Dat alles beschrijft Herman de Groot. Hij vertelt spannende verhalen over de oorlogsjaren, hoe hij en zijn familie overleefden in barre omstandigheden, over zijn latere studie en nog weer later over het reilen en zeilen bij zijn werkgever Unilever.

Maar. Hoe goed bedoeld ook, Ingenieurs aan het woord is geen boek dat veel jongeren zal aanspreken. Al was het maar omdat de belevingswereld van Herman de Groot ver afligt van de hunne. De voorbeelden die hij aanhaalt zijn uit zíjn leven gegrepen: `In januari 1997 werd mijn linkerheup vervangen door een titaan/ijzer legering. Kop plus pen, deze laatste verzonken in het dijbeen en met polymeerlijm verankerd, de ontvangende kom van een speciale gladde en slijtvaste kunststof: polytheen. Allemaal chemie!' Het is de balans tussen persoonlijke verhalen en passages waarin gedetailleerd ingegaan wordt op technische problemen die het boek lastig te plaatsen maakt. De persoonlijke verhalen zijn voor de niet-technisch aangelegde lezer interessant, maar zullen de honger naar techniek van de ware bèta-student niet stillen. Terwijl de technische stukken en foto's van de procesindustrie de gemiddelde alfa weer zullen afschrikken.

Naast het autobiografische gedeelte bevat het boek een viertal leerstukken waarmee geïnteresseerde havisten en vwo-ers aan de slag kunnen. Het eerste leerstuk heet `de versterking van de fundering van het stadhuis te Gouda'. Met de mededeling `Berekeningen zijn niet saai! Als ze niet kloppen valt het dak op je kop!'. Het tweede leerstuk heeft als titel `een ontwerp voor een apparaat voor het diepvriezen van erwten'. Verder zijn er opgaven over eetbare oliën en vetten en over wasmiddelentechnologie. Het aardige van deze leerstukken, of cases, die de helft van het boek in beslag nemen (ruim 100 pagina's), is dat ze stuk voor stuk écht zijn. Het apparaat om erwten individueel in te vriezen heeft Herman de Groot daadwerkelijk ontworpen en gebouwd toen hij bij Unilever werkte.

Nu zijn erwten niet het meest spannende onderwerp als je zestien jaar bent, maar de boodschap is duidelijk: met techniek kun je iets máken. Hoewel Herman de Groot daar wel een kanttekening bij maakt: ``Toen ik jong was, in de jaren vijftig, hadden we te maken met een wereld die echt opgebouwd moest worden. Een gouden tijd. Alles was in beweging, overal waren kansen. Dat is een enorm verschil met nu. Ik kan mij voorstellen dat jongeren denken `wat kan ik nou nog toevoegen'. Maar er is nog genoeg te doen. Willen we vooruit met de Nederlandse kenniseconomie dan moeten we onze kennis verder ontwikkelen. Het onderwijs en het bedrijfsleven moeten dichter bij elkaar komen. We moeten onze kennis mobiliseren en overdragen, zodat het bedrijfsleven een rijke inbreng kan hebben in het onderwijs. We moeten onze talenten koesteren.''

Het tweede deel van het boek is dan ook een inventarisatie van hedendaagse initiatieven en projecten die in gang gezet zijn om jongeren voor bèta-studies en techniek te interesseren. Dit deel is geschreven door Mark Glimmerveen van de Stichting Axis, de organisatie die zich in Nederland sterk maakt voor de promotie van techniek in het onderwijs.

Volgens Herman de Groot, die na zijn pensionering twee jaar op het Stan Ackermans Instituut TU/e heeft les gegeven en daar altijd het bedrijfsleven bij betrok, zijn nu de docenten aan zet in de strijd om leerlingen te winnen voor de techniek. ``Docenten zouden zich veel meer als `impresario's' moeten opstellen en de kennis van buiten in huis moeten halen. Want de mensen uit de praktijk dragen niet alleen vakkennis over, maar ook enthousiasme, inspiratie en passie voor hun vak. Als je die vonk kunt doen overslaan, ben je er.''

Wim Herman de Groot, `Ingenieurs aan het woord'.

HermandeGroot-Academic -Publisher, Wassenaar. ISBN 90-808368-1-8. Prijs €12,-.

w.hermandegroot@planet.nl