De Europese ondernemer die zijn bedrijf liefheeft, spiegelt zich niet aan Amerika

Vaak wordt gedacht dat het Amerikaanse ondernemingsmodel de toekomst heeft, maar die ligt juist in de veelheid van modellen in Europa. Durf het keurslijf van de beurs te verlaten, zweer het credo van het aandeelhoudersrendement af.

Er is tegenwoordig veel kritiek te horen op de Verenigde Staten. De weerstand tegen het Amerikaanse buitenlandse beleid loopt op, en de zorgen over de invloed van de Amerikaanse massamedia en massacultuur nemen toe. Tegen die achtergrond is het opvallend dat de Amerikaanse wijze van bedrijfsvoering steeds verder verbreid raakt zonder dat enig tegenwicht wordt geboden. Terwijl daar alle reden toe is.

Alle grote Europese beursgenoteerde ondernemingen hebben het Amerikaanse ondernemingsmodel omarmd. Dat geldt zelfs voor ondernemingen met een rijke geschiedenis en diepe Europese wortels als Shell, DaimlerBenz en Vivendi. Maar de uitstraling van het Amerikaanse voorbeeld gaat verder. Velen beschouwen het model als de standaard voor georganiseerde grootschalige actie, niet alleen in de particuliere sector, maar ook in het publieke domein. In Nederland is dit goed zichtbaar in de transport- en energiesectoren, bij de zbo's, in de gezondheidszorg en zelfs bij de politie.

Het Amerikaanse model is zo populair omdat de uitgangspunten ervan zeer aansprekend zijn. Wie zou zich willen keren tegen meetbare doelen, tegen persoonlijke aansprakelijkheid, tegen beloning naar prestatie of tegen concurrentie? Bovendien heeft het model een goed imago. Het wordt geassocieerd met de gouden jaren negentig, de langste economische opleving aller tijden, gevoed door ongekende productiviteitsstijgingen.

De werkelijkheid is anders. Deze wijze van ondernemen vormt in toenemende mate een economische last. Dat heeft niet te maken met de relletjes die de afgelopen maanden de krantenkoppen beheersen, controverses over tekortschietend toezicht, ondernemingen die zich onvoldoende rekenschap geven van de maatschappelijke gevolgen van hun handelen, of CEO's (Chief Executive Officers) die te veel verdienen of zich anderszins onfatsoenlijk gedragen. Dit is allemaal marginaal. Het werkelijke probleem schuilt in de basiskenmerken van grote ondernemingen die op Amerikaanse leest zijn geschoeid. In hun doelen,hun structuur en hun cultuur.

Doelen. In economische termen hangt de toekomst van de onderneming af van toegang tot kapitaalmarkten tegen zo laag mogelijke, maar in ieder geval concurrerende kosten. Een bedrijf heeft belang bij een hoge aandelenkoers. Hoe hoger de waarde van het aandeel, hoe steviger de bescherming tegen vijandige overnames en hoe goedkoper vers kapitaal. En dat laatste maakt het weer makkelijker concurrenten over te nemen.

Het is niet alleen economisch, maar ook moreel juist dat een onderneming ernaar streeft de aandeelhouderswaarde zo hoog mogelijk op te voeren. Alleen de aandeelhouder loopt immers risico; in geval van een bankroet kan hij alles verspelen. Andere betrokkenen genieten een hoge mate van bescherming. Managers en medewerkers ontvangen salarissen, leveranciers worden betaald, klanten kunnen op elk moment hun klandizie opzeggen, en de overheid heft belastingen.

Naast het economische en het morele is er ook een praktisch argument. Onderzoek heeft uitgewezen dat het streven naar aandeelhouderswaarde de beste manier is om de belangen van alle andere bij de onderneming betrokken partijen (werknemers, leveranciers en klanten) veilig te stellen.

Hoe bereik je dit doel? Daarvoor zijn veel manieren. Een groot aantal ondernemingen, gesteund door de financiële pers, veronderstelt dat de beurzen hen zullen belonen voor een voortdurende, en uiteraard zo groot mogelijke, stijging van de winst per aandeel. De sleutels tot winst per aandeel zijn marktaandeel (hoe hoger het marktaandeel hoe meer invloed op het prijsniveau in die markt) en het verhogen van de productiviteit. Vorderingen op beide terreinen schragen het verlagen van de kosten per eenheid, waardoor het marktaandeel verder kan worden opgevoerd.

Structuur. Het Amerikaanse model veronderstelt ook een bepaalde structuur van de onderneming. Om te beginnen een sterke en onafhankelijke CEO. Alleen zo'n figuur staat garant voor snelheid van handelen, voor transparantie en voor consistentie van beleid. Alleen individuen kunnen verantwoording afleggen, alleen echte leiders kunnen medewerkers inspireren. Om al deze redenen zijn teams uiteindelijk uit den boze.

Verder moeten ondernemingen zo dicht mogelijk opereren bij de markten die ze bedienen. De ondernemingsactiviteiten moeten dus worden opgedeeld in divisies, divisies in kleinere bedrijfseenheden, bedrijfseenheden in zogenaamde product-marktcombinaties. Managers moeten vergaande bevoegdheden hebben om in te spelen op de specifieke en voortdurend wijzigende wensen van hun klanten en op steeds agressievere acties van hun concurrenten.

Als gevolg van deze vergaande decentralisatie dienen, mede om de verantwoording aan de aandeelhouders te vergemakkelijken, op alle niveaus duidelijke financiële doelstellingen te worden gesteld en dient het realiseren van die doelstellingen scherp te worden gecontroleerd. Individuele managers zijn verantwoordelijk voor het bereiken van de gestelde doelen. Het is niet meer dan redelijk dat hun beloning daar voor een belangrijk deel van afhangten dat ondermaatse prestaties gevolgen hebben.

Cultuur. Het Amerikaanse model heeft ook zeer kenmerkende culturele kenmerken. In alle geledingen moet het ondernemingsdoel, het vergroten van de aandeelhouderswaarde, worden onderschreven. Ook binnen de onderneming wordt concurrentie gezien als het beste ordenende beginsel om goede en dus schaarse medewerkers en het beschikbare kapitaal toe te wijzen. En verder geldt voor managers en medewerkers dat alles draait om het winnen, winnen met de grootst mogelijke marge, de totale overwinning. In het belang van de overwinning is alles geoorloofd dat wettelijk is toegestaan en contractueel niet uitgesloten.

Gezien de aantrekkelijkheid van de uitgangspunten en de snelle verspreiding van het Amerikaanse ondernemingsmodel is het verrassend dat zelfs onder zeer gunstige omstandigheden, de glorievolle jaren negentig toen de Amerikaanse economie met 4 procent per jaar groeide, de resultaten van grote Amerikaanse ondernemingen zeer te wensen overlieten.

Amerikaanse ondernemingen vormden in de jaren negentig de voorhoede van een technologische revolutie die vergelijkbaar is met de introductie van de stoommachine en elektriciteit. Maar ondanks 1 miljoen MBA's en de meest geavanceerde ICT-dienstverlening ter wereld leidde dat slechts in 6 van de 59 Amerikaanse bedrijfstakken tot een hogere dan trendmatige productiviteitsgroei.Uiteraard leidden investeringen in nieuwe machines en apparatuur tot hogere productiviteit. Interessanter is de zogenaamde `multifactor' productiviteit, het resultaat van onder andere beter management, integratie van ICT in de bedrijfsvoering en training. Op dit tweede terrein hebben Amerikaanse ondernemingen gedurende de jaren negentig geen enkele vooruitgang geboekt.

Illustratief is dat de winst per aandeel van de grootste 500 Amerikaanse ondernemingen van 1997 tot 1999, op het hoogtepunt van de conjunctuurcyclus en ondanks grootschalige, met geleend geld gefinancierde inkoopprogramma's van aandelen, niet meer steeg.

Dit beeld verslechtert nog aanmerkelijk nu de gerapporteerde winsten van Amerikaanse ondernemingen met terugwerkende kracht moeten worden gecorrigeerd. Het opnemen van de kosten van de optieprogramma's leidt alleen al tot een neerwaartse bijstelling van 15 tot 30 procent, verder zijn op vele terreinen onvoldoende voorzieningen genomen en zijn vele miljarden nodig om misleide investeerders tevreden te stellen.

Als niet winst maar economische waarde als leidraad wordt genomen, zijn de prestaties van Amerikaanse ondernemingen nog veel slechter. Weer even een stukje economie. Aandeelhouderswaarde is niets meer en niets minder dan de netto contante waarde van de toekomstige vrije kasstromen van de onderneming. Aandeelhouderswaarde, of beter gezegd ondernemingswaarde, is bedrijfseconomisch gezien de superieure maat der dingen en op dit moment al de leidraad voor investeringsbeslissingen. Maar beurshandelaren, bankiers en managers hebben stilaan het begrip aandeelhouderswaarde vervangen door aandeelhoudersrendement: de som van de koersstijging van het aandeel plus de uitgekeerde dividenden gemeten over een bepaalde periode. Alle stappen om de winst per aandeel op te voeren (de veronderstelde opstap naar een hogere beurskoers) die ten koste gaan van toekomstige kasstromen, vertegenwoordigen niet gerapporteerde maar niet minder reële economische schade. Het zegt veel over de professionaliteit van direct betrokken dat velen bereid bleken economische waarde op te offeren om boekhoudkundig kengetallen op te voeren.

Deze tegenvallende economische resultaten dwingen ons te kijken naar de keerzijden van het Amerikaanse model.

De gemiddelde Amerikaanse CEO wordt gecontracteerd voor een periode die de 3 jaar zelden te boven gaat; zijn beloning is voor tweederde gekoppeld aan het aandeelhoudersrendement. Zijn repertoire aan mogelijke stappen ten bate van de onderneming wordt hierdoor ernstig ingeperkt. Alleen inkoop van eigen aandelen, fusies en overnames, en kostenbesparingen kunnen op de korte termijn de aandelenkoers opvoeren. Maar inkoop van eigen aandelen heeft niets van doen met het creëren van economische waarde; er is overweldigend empirisch bewijs dat overnames waarde vernietigen, en kostenbesparingen komen in een ander licht te staan als de vernietiging van sociaal kapitaal, dat vooral op termijn economisch rendeert, in ogenschouw wordt genomen. In alle gevallen wordt afbreuk gedaan aan toekomstige kasstromen. Nog belangrijker is dat waardecreatie door middel van interne groei en het aangaan en uitbouwen van allianties, programma's die nu eenmaal tijd vergen, op het tweede plan komen.

Met de gewenste winstgevendheid als vertrekpunt ontwikkelen Amerikaanse ondernemingen een cascade van doelstellingen vanaf de top tot op de laagste echelons. Voor iedere doelstelling wordt de persoonlijke aansprakelijkheid vastgesteld en wordt de beloning gekoppeld aan het behalen van de doelstelling. Door sterk opgevoerde beloningen en beloningsverschillen, en een aanzienlijke toename van het variabele deel van de beloningspakketten is het voor alle leden van organisatie van het grootse belang een beperkt aantal, niet al te ambitieuze, kwantificeerbare en onderling consistente doelstellingen vast te stellen. Verder moeten de middelen en de bevoegdheden om de doelstellingen te realiseren worden veiliggesteld. Ondernemingsplanning valt zo ten offer aan persoonlijke belangenbehartiging en de gevechten om de middelen en de posities krijgen een nieuwe dimensie. Niemand kan zelfs maar schatten wat deze structurele vorm van office politics kost.

Samenwerking loopt grote averij op. Doelstellingen waarvan de realisatie afhangt van de medewerking van collega's worden gemeden. Omgekeerd hangt teveel af van het bereiken van individuele doelstellingen om nog een helpende hand toe te steken. Het meest perverse effect is dat in een toenemend aantal gevallen meer gewonnen kan worden door intern in plaats van extern strijd te leveren. Bedrijfseenheden kunnen bijvoorbeeld hun prestaties vaak makkelijker opvoeren door de prijs voor interne levering aan te passen dan door de markt een prijsverhoging op te dringen. Vermindering van toegewezen investeringen ten koste van andere bedrijfseenheden doet ook wonderen.

Concentratie op een beperkt aantal doelstellingen vertekent de werkelijkheid en daarmee de besluitvorming. Alleen wat gemeten en vergeleken kan worden binnen de onderneming of in relatie tot de concurrentie (de zogenaamde benchmarking), is nastrevenswaard. Beslissingen worden genomen om kengetallen waarvoor cijfers beschikbaar zijn te optimaliseren. Moeilijk te kwantificeren maar waardevolle doelen blijven buiten beschouwing. In de meeste gevallen zonder enige belangstelling voor, en zeker zonder enig zicht op, de economische waarde die en passant wordt vernietigd.

Tenslotte speelt de ideologische basis van het Amerikaanse ondernemingsmodel een grote en negatieve rol. Als managers diep geloven in aandeelhoudersrendement en marktwerking, ligt het voor de hand dat de positie van niet-gelovigen moet worden ondergraven en dat bij het aannemen van nieuwe toekomstige managers ideologische betrouwbaarheid een factor wordt. Zo verschraalt het debat over de aard van, en de oplossingen voor, de problemen waar de onderneming mee wordt geconfronteerd. Formele toetsing van beslissingen door verschillende afdelingen helpt weinig als het denken gelijk is geschakeld.

CEO's van beursgenoteerde ondernemingen zijn ingesponnen in een web van eigen ambities en hooggespannen verwachtingen van medewerkers, de media en de financiële markten. De beurskoers is onder andere de afspiegeling van de zuiverheid van de ondernemingsdoelstellingen en van de kwaliteit van toezicht, bestuur, en organisatie van de onderneming. Elke afwijking van het Amerikaanse ondernemingsmodel wordt afgestraft. Het gevolg is dat de ban niet gebroken kan worden en dat de resultaten van dit type ondernemingen blijvend te wensen over zal laten. Dit geldt voor de meerderheid van de Amerikaanse ondernemingen die in totaal 75 procent van hun kapitaalbehoeften dekken dankzij bemiddeling van de aandelenbeurzen.

Europa geniet een structureel voordeel, omdat Europese ondernemingen maar voor 25 procent van de beurs afhankelijk zijn. In plaats van duur kapitaal aan te trekken tegen standaardvoorwaarden, opereren de meerderheid van Europese ondernemingen op een geavanceerde markt waarop geld, betrokkenheid van financiers, risico, zeggenschap, toezicht, bestuur en ondernemingsstrategie in samenhang verhandelt worden. Partijen (private financiers, banken en ondernemers) creëren voor ieder bedrijf een op maat gemaakte en daardoor sterk concurrerende oplossing, die bij verbetering en verslechtering van de positie van de onderneming gemakkelijk kan worden aangepast.

De intensieve betrokkenheid van deskundige financiers in plaats van aandeelhouders, wier verplichtingen niet verder reiken dan de volgende beursdag en die van slecht presterende financiële analisten afhankelijk zijn om zich een beeld van de onderneming te vormen, heeft vele voordelen. Onder andere wordt controle op basis van verplicht te publiceren historische gegevens vervangen door toezicht op basis van inzicht in de toekomstplannen van de onderneming. Openbaarheid levert schijnzekerheid op. Financiers die gerechtvaardigde belangen te verdedigen hebben zijn tevens onbezoldigde accountants, die zo effectief een belangrijke maatschappelijke functie vervullen.

Dit alles helpt verklaren waarom Europese ondernemingen in de gouden jaren negentig veel winstgevender waren dan Amerikaanse, veel minder hoefden af te schrijven en hun productiviteit in dezelfde mate verhoogden. Dit alles ondanks onvoltooide gemeenschappelijke markten voor diensten en arbeid, een veelvoud aan juridische stelsels en talen, aanmerkelijke cultuurverschillen, rigide arbeidsmarkten, de last van de verzorgingsstaat en een structureel lager niveau van onderzoek en ontwikkeling.

Studie na studie toont aan dat het rendement op privé-kapitaal op de middellangetermijn vele procentpunten hoger ligt dan publiek kapitaal. De komende jaren raken Europese financiële markten meer en meer geïntegreerd. Europese banken en de Europese Investeringsbank worden actiever bij het verstrekken van risicodragend kapitaal. De concurrentie tussen private investeerders neemt toe. Het ziet ernaar uit dat een verdiepte en verbrede vorm van financiële marktwerking die veel verder gaat dan het verstrekken van geld vele Europese ondernemingen het keurslijf van de beurs en het Amerikaanse ondernemingsmodel zal besparen. Met alle positieve gevolgen van dien voor de concurrentiepositie van Europa.

Politici en toezichthouders zouden hun aandacht moeten verleggen van het controleren en corrigeren van aandelenbeurzen naar de duizenden Europese ondernemingsmodellen die een weelde aan inzicht en potentieel vertegenwoordigen. Europa heeft de vrijheid om de ontwikkeling van geavanceerde ondernemingsmodellen te stimuleren, een goedkope manier om de Lissabon-doelstellingen dichterbij te brengen.

Ex-lid van de Groepsraad van de KLM. Ondernemer in de biotechnologiesector. Auteur van het onlangs gepubliceerde boek `Onafhankelijkheid voor Europa, het einde van het Amerikaanse ondernemingsmodel'.