Begraasde natuurgebieden zijn juist soortenrijk

Dr. Ruud van der Meijden van het Rijksherbarium in Leiden stelde in NRC Handelsblad van 6 augustus, dat de inzet van runderen en paarden in het natuurbeheer tot een kaalslag leidt en de biodiversiteit schaadt. Dat klopt echter geenszins. Begraasde natuurgebieden zijn namelijk soortenrijk. Er zijn legio gebieden waar begrazing een hoge diversiteit aan flora en fauna instandhoudt, zoals het Zwanenwater, de Sint-Pietersberg, het Dwingelderveld en vele uiterwaarden.

De botanische biodiversiteit in ons land is grotendeels gebonden aan eeuwenlange begrazing. Heide, uiterwaarden, kalkgraslanden, droge duingraslanden, rivierduinen, hoge kwelders en struweellandschappen zijn producten van begrazing. Succesvolle begrazing is maatwerk. Het aantal ingezette grazers is bepalend voor de resultaten van de begrazing. Ook de periode van het jaar waarin wordt begraasd, het soort grazer en de mate van fluctuatie van het aantal grazers in de tijd zijn belangrijke factoren. De voorbeelden van Van der Meijden kloppen niet. Dat jeneverbes zich niet verjongt komt niet door overbegrazing, maar voornamelijk door luchtverontreiniging. Zinkviooltjes gaan achteruit door overbemesting in de landbouw en door te weinig begrazing. Nederlandse natuurgebieden met zomerklokjes worden niet begraasd. Parnassia verdwijnt vooral door ontkalking en gebrek aan duinverstuiving. Bevertjes zijn bedreigd door verdroging, bemesting en verruiging en de kievitsbloem neemt buiten beschermde natuurgebieden af door overbemesting, maar neemt in de beschermde gebieden juist toe.

Wat wel klopt is dat de biodiversiteit in Nederland achteruitgaat. Meer dan een kwart van onze flora is bedreigd als gevolg van verdroging, vermesting, verzuring, versnippering en verontreiniging. Om deze achteruitgang te stoppen is het noodzakelijk een netwerk van grote aaneengesloten natuurgebieden (de Ecologische Hoofdstructuur) en nationale landschappen te realiseren.