Asfalt brengt rijkdom

In de weg van Singapore naar Peking ontbreekt nog een stukje. Het is het deel door het marxistische Laos, een van de armste landen ter wereld. Hier loopt een tweehonderd kilometer lange modderweg door een gebied waar de bevolking in elke vallei een andere taal spreekt.

Onder zijn muskietennet ligt een boer dood te gaan. Hij is over zijn hele tanige lichaam verbrand. Zijn gezicht lijkt alleen nog te bestaan uit twee oogballen. Het vlees van zijn linkerbeen is weg, waardoor botten zichtbaar zijn. Zo ligt boer Keo er al een maand bij – vrijwel bewegingloos. Het is zijn eigen schuld. Hij is een `kap-en-brand-boer': een boer die bomen en struiken op een steil stuk berghelling kapt en daarna in brand steekt. Zo doen de meeste boeren dat in Laos, het meest introverte land van Zuidoost-Azië. Op het zwarte vierkant dat na enkele dagen resteert planten de boeren slechte rijst waar ze zelf een half jaar van kunnen eten. Vlak land voor een rijstveld waar water in kan blijven staan is er nauwelijks in Laos. Er zijn alleen maar bergen.

In zijn haast zijn land te verbranden, vertellen de dorpelingen, struikelde boer Keo. ,,Hij rolde naar beneden en toen kwamen de vlammen over hem heen. We zijn met hem naar de kliniek gegaan, maar daar zijn we weggestuurd. Te laat, zeiden ze.'' Op de een of andere manier overleefde de boer de terugtocht en nu zit heel het dorp om hem heen, te wachten op zijn laatste adem.

De afgelopen millennia moet regelmatig hetzelfde zijn gebeurd. De laatste keer dat de boeren hun methodes aanpasten, is vierduizend jaar geleden. Toen gingen ze als eersten in de wereld brons en koper gebruiken voor hun agrarische werk. Bij die verandering is het gebleven. Ruraal Laos ligt er nu vrijwel net zo bij als toen. Boeren kappen en branden, kappen en branden, jaar na jaar, berghelling na berghelling. ,,We hebben nooit iets anders geleerd'', zegt Khamanlau, hoofd van Nam O, een dorp waar de mensen in enkele tientallen bamboe hutten op palen een geïsoleerd bestaan leiden. Dat er in het volgende dal ook een dorp is, weet iedereen in Nam O wel. Maar daar spreken ze een andere taal en vereren ze andere geesten.

Laos is een vergeten land. Toen de Franse kolonisator er eind negentiende eeuw binnentrok, dacht deze even goud in handen te hebben. Laos, deels begrensd door de brede Mekong-rivier, leek strategisch gunstig te liggen te midden van potentiële handelsroutes. Maar het land bleek te onherbergzaam en de rivier niet overal te bevaren. De Fransen vergaten Laos weer. Later vaagden de Verenigde Staten het land van de aardbodem weg. Tussen 1964 en 1973 gooide Amerika voor ruim zes miljard euro aan bommen op dit bijtheater van de Vietnam-oorlog. Dit komt neer op één bommenlading elke acht minuten, 24 uur per dag, negen jaar lang. Het kostte nauwelijks moeite om dit geheim te houden. Wie wist immers waar dat land lag? Met een halve ton bommen per hoofd van de bevolking staat Laos in de wereldgeschiedenis te boek als het zwaarst gebombardeerde land.

Laos zou het liefst met niemand iets te maken hebben. Maar dat kan niet, want het land is niet zelfvoorzienend, zeker niet sinds de val van de Muur. Daardoor viel Laos' enige vriend, de Sovjet-Unie, weg. Nu moet Laos mee met de vooruitgang. Weg uit het isolement, naar de markten van de buurlanden. Laos begint te beseffen wat de Fransen ooit vermoedden: dat het een scharnier kan zijn tussen twee belangrijke economische blokken: Zuidoost-Azië en China.

Veel hangt daarbij af van route 3, in het noordwesten van Laos. Hoe goed die is, staat in een verslag van 1898, van doctor Emile Lefèvre, lid van een Franse missie om de wegen van Laos in kaart te brengen. Hij schreef op `twee dagmarsen' van de Thaise grens: ,,De weg gaat nu door de Nam Nga, een brede rivier, waar de doorwaadbare plaatsen moeilijk zijn en bezaaid liggen met grote stenen. Dan weer loopt men op de kiezels van de rivierbedding en dan stijgt men weer langs een weg vol stenen en langs ravijnen. Ons konvooi kan niet verder.''

In Laos is niets veranderd, dus het verslag van 1898 geldt onverkort. Met dit verschil dat weg nummer 3 nu het ontbrekende stukje van een drieduizend kilometer lange snelweg is waarop auto's met minstens negentig kilometer per uur moeten kunnen rijden. Van Singapore, via Kuala Lumpur in Maleisië en Bangkok in Thailand tot de Thaise grens met Laos ligt de snelweg er al en vanaf de grens met China tot Kunming ook. Vanuit die stad, de grootste in het zuiden van China, kunnen vrachtwagens doorrijden naar Peking en, voor wie wil, naar Europa. Maar tussen de twee grensposten kringelt een modderweg door bergen, dalen en rivieren die vier regenmaanden per jaar zelfs voor olifanten onbegaanbaar is. Het ombouwen ervan tot een geasfalteerd stuk Laos heeft bijna onvoorstelbare effecten, volgens de Aziatische Ontwikkelingsbank ADB die de tachtig miljoen euro kostende bouw overziet. ,,Het verbeteren van die weg creëert de enige levensvatbare en betrouwbare verbinding tussen Singapore en Peking'', zegt route 3-coördinator Rita Nagnia van de ADB. Haar project maakt deel uit van een groot plan om met meer en betere verbindingen via weg, water en rails het ontwikkelingspeil van Zuidoost-Azië te verhogen.

Haast is geboden, want het zuiden ziet noorderbuur China groter en groter en enger en enger worden. Voordat het door de Chinezen verzwolgen wordt, willen de tien Zuidoost-Aziatische landen zich in een economische positie manoeuvreren waarbij de Volksrepubliek net zo afhankelijk is van hen als zij van China. Handel moet dat gaan doen en daar heb je op z'n minst behoorlijke wegen voor nodig.

Pijl en boog

Nam O ligt aan weg nummer 3. De regentijd is nog niet eens begonnen, maar na twee dagen miezerig druppelen zitten rond het dorp her en der al voertuigen vast in de modder. Ten noorden van Nam O is een oude vrachtwagen met goedkope spullen uit China tegen de berghelling in de greppel gegleden. En ten zuiden is een busje met rugzaktoeristen al een uur bezig om tegen een steile modderglijbaan omhoog te rijden, getrokken door een hoekig Russisch vehikel. Het ding op vrachtwagenwielen ziet er uit als een pick-up van voor de Tweede Wereldoorlog. ,,Nog een paar weken en dan komt ook de bus hier niet meer'', weet dorpshoofd Khamanlau – zoals de meeste Laotianen gebruikt hij één naam. ,,Dan moeten we weer dagen door de regen lopen om bamboe te verkopen.''

Op de beste plekken van de weg liggen lukraak wat stenen in de modder. Regenwater trekt nu al diepe voren door het oppervlak. Aan de rand van de weg begint een ravijn, soms tien, soms vijftig meter diep. De weg gaat omhoog langs steile berghellingen waar uit de begroeiing vaak een kaarsrecht afgebakend kaal zwart stuk is gesneden. Dan gaat route 3 weer naar beneden door een beek die het zoveelste dal aankondigt en waar weer een nieuwe bevolkingsgroep de meerderheid vormt.

Weinig landen zijn etnisch zo divers als Laos. En het noordwesten helemaal, met China in het noorden, Birma in het westen en Thailand in het zuiden. In elke vallei waar weg nummer 3 doorheen gaat vestigden zich, op zoek naar vruchtbare gronden, groepen met een eigen taal en cultuur: de Akha, die hun dorpen volgens hun geloof op bergtoppen moeten bouwen zodat de zon hun huizen kan aaien, of de Khamou, een volk zo goudeerlijk en tevreden met zijn lot dat zijn naam in de laaglanden van Laos synoniem is met `slaaf'. Of de Lanten, jagers die geen vuurwapens mogen gebruiken en het nog steeds doen met speren en pijl en boog. Of de Hmong, van wie andere groepen denken dat ze economisch succesvol zijn, want ze zijn eigenwijs en gehaaid. Net als de Panna die zo goed zijn in rijst verbouwen dat in Bopiat, hun dorp vlakbij de Chinese grens, vijf schotelantennes staan, rondom de twee heilige bomen waarin de geesten huizen die het dorp beschermen.

Zo'n 43.000 mensen wonen langs het stukje weg van ruim tweehonderd kilometer. Het zijn zestien verschillende groepen van vier uiteenlopende etnolinguïstische families. De ene minderheid is matriarchaal, de andere staat polygamie toe, weer andere groepen zijn nomadisch. Een antropoloog die de gevolgen van de bouw van een nieuwe route 3 onderzocht schreef in zijn verslag: ,,Het is hetzelfde als dat je 230 kilometer door Europa zou rijden, maar eerst door een Finse nederzetting gaat en daarna door een Hongaarse, Estse, Duitse, Franse, Engelse, Kroatische, Letse, Griekse, Armeense, Turkse, Azerbeidjaanse, Kazakse, Arabische, Hebreeuwse en Aramese.'' De afstand van Finland naar Saoedi-Arabië is in Laos dus ruim tweehonderd kilometer.

Die weg, daar hebben ze het in nu nog ongerepte Nam O voortdurend over. Net als in alle 94 nederzettingen langs route 3. ,,Als dat asfalt er ligt'', zegt Bunmisai, de vrouwenleider van het dorp, ,,hebben we in het droge seizoen ook geen stof meer; niet in onze huizen, niet op ons water en niet in ons eten. Dus dan worden de kinderen ook minder vaak ziek.'' Laos is al arm en in het deel van het land waar de weg doorheen gaat zijn ze het armst. Hier is elke weg een levensader, hoe slecht hij ook is. Eentje om zo dicht mogelijk bij te wonen. Dat de weg de enige behoorlijke verbinding wordt tussen Zuid- en Noordoost-Azië zal de mensen die eraan wonen een zorg zijn. Voor hen leidt het nieuwe asfalt naar scholen, klinieken en naar markten om te kopen en verkopen. ,,Wij willen deze weg'', zeggen de dorpelingen, ,,nu zijn we arm, dankzij de weg worden we misschien rijk.'' Hun definitie van rijk is: ,,Vijf buffels, vijf koeien en één hectare rijstpadie.''

Weduwnaar

Vier dagen lopen naar het oosten, aan weg nummer 13, zijn ze zo rijk. Bijvoorbeeld in Nam Mong, waar de 45-jarige boer Nga vroeger alleen boer was. Een arme man voor wie het leven louter overleven was. Nu maakt hij bamboewandjes, fokt hij kippen en varkens en bestiert hij vijf kruidenierswinkeltjes. ,,Vroeger lachte hij nooit'', zegt zijn 18-jarige dochter Sengsavanh die voor één van de winkeltjes zorgt. Nu loopt Nga rond met een permanente grijns op zijn gezicht.

`Vroeger' is toen route 13 nog net zo'n weg was als route 3 nu: de ene helft van het jaar onbegaanbaar en de andere helft een bron van stof dat overal in en op gaat zitten. Nu is weg 13 een tien meter brede asfaltweg. En dat blijkt geen meter te breed. Een rit over de weg is een wilde slalom om buffels, varkens, honden, kippen, eenden en ook kinderen. ,,Wij gaan dan ook hekken bouwen als het asfalt er is'', heeft Bunmisai in Nam O al voorgesteld.

Haar leven, en dat van de andere mensen die aan die weg nummer 3 wonen, gaat totaal veranderen, voorspelt Nga op grond van wat hem sinds de bouw van `zijn' route 13 is overkomen. ,,Vroeger verbouwde ik alleen wat ik zelf kon eten. En als ik iets over had, ruilde ik dat. Nu weet ik wat geld is en plant ik niet voor mezelf, maar voor de verkoop.'' De weduwenaar en zijn acht kinderen verdienen nu samen zo'n 3 miljoen kip per jaar, zo'n 260 euro en daarmee ruim boven het gemiddelde in Laos en het dubbele van de gezinnen aan route 3. ,,Door de weg komen klanten nu hierheen om kippen, varkens, fruit en bamboe van me te kopen. Vroeger moest ik met die beesten en die spullen altijd dagen lopen naar de dichtstbijzijnde grote markt in Luang Prabang.''

Met de nieuwe weg kwam ook elektriciteit. ,,Daardoor kan ik 's avonds doorwerken aan mijn bamboematten, hoeven we niet langer het bos in om hout te sprokkelen en kunnen mijn dochters studeren als het donker is. Ze moeten wel, want dankzij de weg gaan ze nu naar een goede school in de stad. Elke studerende dochter van me moet voor één winkel zorgen. Hoe meer ze ermee verdienen, hoe langer ze kunnen studeren. Sengsavanh is de slimste. Die vraagt aan buschauffeurs wat ze wel en wat ze niet in haar assortiment moet hebben.''

Uit het huis van Nga klinken hard Laotiaanse smartlappen. Ze komen uit een grote, op een gitaarversterker lijkende speaker die op de kleivloer staat. ,,Nu alleen nog een tv met een schotelantenne'', zegt de gisse ondernemer. ,,Dan kan ik zien hoe de rest van wereld eruitziet. Bovendien ga ik geld vragen aan wie bij mij televisie wil kijken.''

,,Jaaah, een tv'', roept heel Nam O, het dorpje aan weg nummer 3. ,,Als we televisie hebben, is het leven hier net zoals in de stad'', zegt het dorpshoofd enthousiast. Soms, als ze op de markt in Vieng Phoukha zijn, of in het veel grotere Luang Nam Tha, zien dorpelingen wel eens tv. Ze staan onafgebroken op Thaise of Chinese soaps – Thai lijkt op Lao dus dat begrijpen de boeren wel, maar van Chinees kunnen ze weinig volgen.

In één zo'n Thaise soap hoorde de 42-jarige Kapkhan een nieuw woord: `aids'. Hij blijkt de enige in Nam O die het woord kent. Wat het is, leerde hij van de buitenlandse hulpverleners die hem een zachte lening gunden zodat hij net als iedereen in het dorp een zonnepaneel kon kopen, goed voor dagelijks acht uur licht van één spaarlamp. Ze vertelden Kapkhan dat aids een dodelijke ziekte is die je op een bepaalde manier kunt krijgen. Wat hij met die `bepaalde manier' bedoelt wil hij niet zomaar zeggen, maar wat hij heeft gehoord is dat Chinese vrachtwagenchauffeurs die ziekte vaak hebben. ,,En die mannen komen straks door dit dorp'', peinst hij. Even kijkt hij opzij naar zijn dochter.

Kinderseks

De Asian Development Bank, die de bouw van route 3 coördineert, geeft Kapkhan gelijk: asfalt maakt het verplaatsen niet alleen voor auto's makkelijker. Over de nieuwe weg zullen ook allerlei ziektes binnenkomen. Dat heet de prijs van de vooruitgang. Onder de wegenbouwers zullen hiv-dragers zijn en ook onder de Thaise en Chinese chauffeurs die komen als de weg klaar is. Die gaan een vraag naar betaalde seks genereren en ervoor betalen wat in Laos een heel jaarsalaris is.

En dan zijn er de toeristen. ,,Als de weg klaar is, kunnen we eco-toerisme gaan promoten'', zegt directeur-generaal Somchith Inthamith van het ministerie van Buitenlandse Zaken in de Laotiaanse hoofdstad Vientiane. ,,Toeristen komen dan naar de dorpjes in de bergen om de etnische minderheden te zien in hun originele klederdracht en omgeving.'' Maar diezelfde minderheden willen juist verhuizen naar beneden. Naar de nieuwe weg om tv te kijken en T-shirts te dragen. Dezelfde antropoloog die de weg ziet als eentje van Finland naar Saoedi-Arabië voorspelt dan ook een goede verbinding tussen Thailand en China de bijzondere etnische diversiteit laat verdwijnen.

Toerisme heeft zwarte kanten. Sommigen van de rugzakkers die nu komen duiken drie dagen onder in dorpen om opium te roken. Een nieuwe weg zal die vorm van toerisme intensiveren, net nu Laos wil dat de vaak zelf verslaafde boeren alternatieven voor opium gaan verbouwen. Toerisme creëert bovendien de zuigwind voor sekstoerisme. En dan komt in dit deel van Azië kindersekstoerisme niet lang daarna. Zo maken de dorpen langs weg nummer 3 kennis met de problemen waar heel Oost-Azië mee kampt: ongecontroleerde migratie, hiv en aids, drugsgebruik en betaalde kinderseks.

En mensenhandel. Waar de wegen goed zijn en de overheden niet al te krachtig, ontstaat een vleeshandel in kinderen en vrouwen. Handelaren halen ze uit achtergebleven gebieden, meestal met valse beloften, soms in ruil voor geld dat ze de ouders van de kinderen betalen. De handelswaar eindigt als slaven in fabrieken, als prostituees in clandestiene Thaise of Chinese bordelen, als adoptiekinderen in weeshuizen waar westerse aspirant-ouders duizelingwekkende bedragen betalen, of in het ergste geval als vermoorde orgaandonoren in China.

,,En toch willen we die nieuwe weg'', zeggen alle dorpsbewoners van Nam O. Iedereen langs route 3 zegt dat tegen onderzoekers en hulporganisaties. De nadelen van een brede, altijd begaanbare asfaltweg zijn abstract, de voordelen concreet: geen stof meer, niet langer dagen lopen voor de beste markten en meer Chinese handelaren die in het dorp komen kopen. ,,Wat we het belangrijkste vinden, is hoe breed de nieuwe weg gaat worden'', zegt vrouwenleider Bunmisai met vragende blik. De plannen voorzien in tien meter breed asfalt en ruim zeven meter berm aan weerzijden. Geen probleem voor de huizen die nu pal naast de smalle modderweg staan. ,,Met het hele dorp tillen we zo'n huis op en zetten het verderop neer, op nieuwe, misschien wel betonnen palen.'' Maar het kostbare, vlakke rijstveld van boer Tomjeu in de flauwe bocht aan het eind van het dorp in het dal: dat wordt al moeilijker. Hij is bezorgd over de compensatie die hij van de provincie zal krijgen. Aan geld heeft hij niets, hij moet een nieuw stukje land hebben.

Maar een veel groter probleem is de begraafplaats van het dorp. ,,Wij zijn Kwen, dus we mogen de graven niet verplaatsen'', verklaart dorpshoofd Khamanlau. Afgezien van een wegomleiding ziet hij maar één oplossing: een ceremonie. ,,We moeten aan onze voorouders toestemming vragen om de begraafplaats te bedekken met de nieuwe weg. Twee miljoen kip.'' Zo'n 170 euro kost het ritueel. ,,De wegenbouwers geven ons dat geld, dan houden wij een plechtigheid en daarna kunnen zij de nieuwe weg op onze graven leggen.''

Dit is de laatste bijdrage van Robert Giebels als correspondent Zuidoost-Azië. Hij wordt politiek redacteur van NRC Handelsblad.