Waar is de wereld gebleven

Allerlei oude opvattingen over kunst werken niet meer. Maar hoe moet het dan? De paradoxale zoektocht naar een esthetisch `humanisme' waarin de mens niet het laatste woord heeft.

Het is goed dat schrijvers zich van tijd tot tijd uiten over de toestand van de kunst en de literatuur, al was het maar om te laten zien hoe hun biotoop eruit ziet en welke positie ze daar wensen in te nemen. In zijn nieuwe essaybundel De werkelijkheid spreekt Bas Heijne zich uit, maar zoals de weidse titel al suggereert: het gaat niet alléén over kunst en literatuur. Heijne plaatst beide in een veel breder verband, en wel dat van de moderne informatiemaatschappij, waarin `het gevaar bestaat [...] dat de buitenwereld als een lange stroom beelden zonder veel betekenis aan ons voorbijtrekt'.

De kunst kan hier een uitweg bieden, meent Heijne, zij kan de band met de zo vluchtig geworden buitenwereld herstellen. Hoe? Door die wereld vorm te geven. Dat is in feite wat kunstenaars altijd doen en hebben gedaan, maar niet steeds met dezelfde motivatie. Om de huidige positie van de kunst goed in het oog te krijgen, moet daarom eerst afscheid worden genomen van een aantal verouderde opvattingen.

Zo is er in Heijnes visie geen plaats meer voor het verlangen van romantiek en avant-garde om de wereld door middel van de kunst te transformeren of te regenereren. Terecht, al zou ik ter ondersteuning van deze visie niet Shelley's bekende uitspraak hebben gekozen over de dichters als `niet-erkende wetgevers van de wereld': de romanticus Shelley was wel degelijk uit op een fundamentele – ook politieke – verandering.

Daarnaast moet de kunst- of liever literatuuropvatting sneuvelen die, uit afkeer van het traditionele realisme en van de commercieel geëxploiteerde cultus van het persoonlijke, een welhaast `onpersoonlijke' kunst is gaan verlangen. En tenslotte keert Heijne de `absurdistische' omarming van een existentiële zinloosheid à la Beckett de rug toe. Ooit heeft dit absurdisme hem aangetrokken, maar inmiddels is hij ervan overtuigd geraakt dat het bestaan zin heeft; zo niet, dan hielden we er wel mee op. Het is alleen zaak er ook nog een bewuste zin of betekenis aan toe te voegen. En dat is wat de kunst kan door de werkelijkheid vorm te geven.

Hoewel Heijne zijn visie een onmiskenbaar moreel belang toekent, pleit hij niet voor de vertrouwde combinatie van realisme en moralisme, die zo vaak het eigene van de kunst en dus ook ieder esthetisch genot om zeep helpt. Heijne sluit zich aan bij Frans Kellendonks `oprecht veinzen': kunst moet de werkelijkheid niet kopiëren en zichzelf wegcijferen, het gaat er juist om dat kunst en literatuur voor hun eigen kunstmatigheid uitkomen. Pas daardoor kan een bewuste relatie ontstaan tussen de werkelijkheid en onze perceptie.

Mysterie

Hoe we de wereld zien en ervaren is voor een belangrijk deel onze zaak. Dáár ligt de mogelijkheid voor de kunstenaar, maar in feite voor iedereen, om zelf zin en betekenis aan de werkelijkheid te geven. Heijne spreekt van een `nieuw humanisme' en van de `menselijke maat' die zo weer in de wereld zou kunnen terugkeren. Tegelijkertijd wordt, eveneens onder invloed van Kellendonk, gewezen op het ongrijpbare karakter van de werkelijkheid. De werkelijkheid is een `mysterie', dat Heijne aan het eind van zijn (in deze bundel als titelessay opgenomen) Kellendonk-lezing op een voor zijn doen weinig karakteristieke, bijna priesterlijke toon bezingt.

Het een lijkt met het ander in tegenspraak. Maar als ik Heijne goed begrijp is er hooguit sprake van een paradox. Weliswaar zijn wij het die zin en betekenis geven aan de werkelijkheid, maar daarmee hebben we die mysterieuze werkelijkheid nog niet in onze greep. Heijnes humanisme verlangt naar de `menselijke maat', maar zonder dat de mens tot de enige en ultieme maat der dingen wordt gemaakt.

De essays van De werkelijkheid bevatten talloze voorbeelden die demonstreren hoe dit allemaal in zijn werk kan gaan. Heijne verdiept zich in het `Theatrum Mundi' op de schilderijen van Pieter Brueghel de Oude, hij schrijft meer dan eens over Van Goghs mislukte poging om met de verbeelding een regeneratie van de wereld af te dwingen (maar, zegt Heijne, Van Gogh heeft ons wel geleerd anders naar de wereld te kijken, en daar komt het opaan). Opvallend geestdriftig toont hij zich over de succesfilm American Beauty, waarvan de in mijn ogen nogal zoetsappige moraal luidt dat het alledaagse leven ook mooi kan zijn: je moet er alleen de juiste ontvankelijkheid voor ontwikkelen. Een verweer, aldus Heijne, tegen de dreigende vervreemding en uitholling, die Brett Easton Ellis in zijn roman American Psycho zo huiveringwekkend heeft beschreven.

Hoewel nogal grof aangezet, is het contrast helder. Dat laatste geldt ook, zij het op een subtielere manier, voor het essay over de raadselachtige Marcel Duchamp, wiens `gecultiveerde onverschilligheid' door Heijne wordt geduid als een welbewuste vlucht voor `de wereld van de menselijke ervaring, vol pijn en verschrikking, licht en verlangen, geilheid en desillusie, uitmondend in een doodse stilte'. Juist die wereld komen we, in zijn meest rauwe maar ook geësthetiseerde vorm, tegen op de foto's van Robert Mapplethorpe, foto's die zich verzetten tegen alle pogingen van `liberale verdedigers' om er een `blije seksuele boodschap' in te ontdekken.

Heijne heeft het in deze bundel vaak over foto's en fotografen. Dat is geen toeval. Fotografie is immers, zoals hij betoogt, de kunstvorm die `zich in toenemende mate [is] gaan bezighouden met ons beeld van de wereld, de manier waarop we de werkelijkheid, of onze werkelijkheid, beleven'. Van de besproken fotografen leent hij de blik en meekijkend door hun lens herhaalt hij hun poging om `het leven betekenis te geven door het vast te leggen'.

Telkens komt het daar weer op neer: op het vermogen van de kunst om de kortsluiting tussen werkelijkheid en bewustzijn te verhelpen.

Dit is dus wat er volgens Heijne overblijft, nadat alle romantische en avant-gardistische dromen op niets zijn uitgelopen. In zekere zin keert de kunst in tot haar essentie, zij het nu als haar laatste mogelijkheid. Heijne spreekt nog steeds over `kunst' en `literatuur', maar impliciet wordt duidelijk dat het hem veel meer te doen is om een bepaalde houding dan om een specifiek domein. Als essayist houdt Heijne zich dan ook bezig met veel méér facetten van de werkelijkheid; het hele (post)moderne leven valt binnen zijn actieradius, inclusief de banaliteiten van de massacultuur.

Nieuwsgierigheid

Heijne haalt er zijn neus niet voor op. Integendeel, hij begrijpt heel goed waarom mensen van kitsch houden of wat de aantrekkelijkheid is van `surfen' op het internet. Naar de `wezenloosheid' waarop zoveel verlokkingen van de massacultuur uitlopen, kan ook hij hartstochtelijk verlangen; die wezenloosheid is de tegenhanger van het streven naar bewustzijn dat ons gewoonlijk bezielt, en hoort er dus ook bij.

Het gevolg is dat hij over mode of over Las Vegas even aandachtig schrijft als over uitingen van de `hoge' cultuur, zonder overigens het verschil in rang en kwaliteit uit het oog te verliezen. Heijne weet heel goed dat de mode en de schilderijen van Brueghel niet van dezelfde orde zijn. Vandaar wellicht dat hij bij Brueghel diens schilderijen bespreekt, terwijl hij de mode voornamelijk als fenomeen benadert en haar promotie tot `kunst' van enkele zinnige kanttekeningen voorziet.

Als mode kunst is, schrijft Heijne, dan is zij `massakunst', die eigenlijk in het museum niet thuis hoort, omdat zij daar uit haar element is gehaald. Het is verleidelijk om wat Heijne hier over mode schrijft ook op hemzelf te laten slaan. Naast de vooral in de krant publicerende essayist (en columnist) Heijne is er namelijk ook de schrijver Heijne, die uitdrukkelijk en opzichtig `kunst' en `literatuur' wil maken. We komen hem tegen in de roman Suez (1992), maar ook in het vorig jaar opgevoerde toneelstuk Van Gogh steekt hij de kop op.

Het merkwaardige is alleen dat roman en toneelstuk, met hun ouderwetse romantische inslag, nauwelijks beantwoorden aan wat Heijne in een bundel als De werkelijkheid van kunst en literatuur zegt te verlangen. Alsof het denken bij hem vóór ligt op de praktijk. Maar dat geldt niet voor de praktijk van de essayist Heijne en diens niet zozeer romantisch als wel journalistiek te noemen nieuwsgierigheid en betrokkenheid. Scherp en elegant formulerend, wereldwijs en ironisch, maar ook met een serieuze en ontvankelijke blik voor de meest wonderlijke verschijnselen, staat Heijne midden in het eigentijdse volle leven.

Of hij het nu de `wijde wereld' noemt, de `werkelijkheid' of de `buitenwereld' (de termen worden door elkaar gebruikt) – dat volle leven is Heijnes ware element, waaruit hij zich wat mij betreft niet hoeft te verwijderen om `kunst' of `literatuur' te maken. Wat hij daarvan verlangt is immers allang voorhanden in zijn beste essays.

Bas Heijne: De werkelijkheid. Prometheus, 192 blz. €12,95