Prik die droom maar onder je surfplank

Laat in een gezelschap niet al te jonge Californiërs de naam `the Donner Party' vallen en een collectieve siddering zal het gevolg zijn. In de lente van 1846 verlieten twee families, Donner en Reed genaamd, twintig huifkarren en 81 mensen sterk, de staat Illinois op weg naar de gouden belofte van Californië. Op 20 juli namen ze de fatale beslissing om niet de beproefde route over de Rocky Mountains naar de westkust te nemen, maar een afsteekroute die op papier een paar honderd mijl zou schelen.

Ze vorderden langzaam, en uiteindelijk dwong een sneeuwstorm ze een winterkamp op te slaan vlakbij wat nu op de kaart vermeld staat als Donner Pass. Al snel was al het voedsel op en werden de trekdieren geslacht. De helft van de landverhuizers kwam om door het barre weer en de honger. Pas vorig jaar werd op basis van archeologisch onderzoek aangetoond dat de overlevenden zich met het vlees van hun bezweken familieleden hebben gevoed. Het besef dat Californië mede is gekoloniseerd door `kannibalen' wil maar aarzelend tot het collectieve bewustzijn doordringen.

In het oosten van de Verenigde Staten was men al aan zijn elfde president toe, was al een industriële expansie op gang gekomen en lagen de kiemen al klaar die vijftien jaar later tot de Burgeroorlog leidden, maar in Californië groeide iedereen lang op met mythes als die over de dappere families Donner en Reed. Ook de schrijfster Joan Didion, bekend van haar essays over het Amerika van de jaren zestig en daarna. Zij is niet alleen geboren in Californië maar in het Californië waar deze mythes van generatie op generatie werden doorgegeven. Verhalen van ontbering en heroïek, waartegen het levensverhaal van elke nieuwe aankomer het wel moest afleggen. Stug uithoudingsvermogen en ruig individualisme, gekoppeld aan een wantrouwen tegen elke centrale overheid. De aardappelstamper waarmee Didions overoverovergrootmoeder de vlaktes en de bergen overstak om Californië te bereiken werd ceremonieel aan het Pacific University Museum geschonken, een `gebeurtenis die geen enkele afstammeling mag missen', zoals ze te horen kreeg.

Als scholier schreef Didion een opstel waarin ze de hele mythe samenvatte (`we moeten ons onze erfenis waardig tonen en verder gaan om Californië nog groter en beter te maken'). Het kostte haar vele jaren van haar leven om in te zien dat `het allemaal bij elkaar simpelweg niet klopte'. Een staat die zich liet voorstaan (en dat nog steeds doet, luister naar de retoriek tijdens de campagne die Arnold Schwarzenegger het gouverneurschap bezorgde) op zijn individualisme, maar in werkelijkheid afhankelijker is van de federale overheid dan enige andere. Waar de natuur met absurde romantische naïviteit wordt vereerd, maar tegelijkertijd rigoureus dienstbaar wordt gemaakt aan de belangen van de grondeigenaren van buiten de staat. Waar de gouden droom van het volmaakte leven heeft plaatsgemaakt voor ontnuchterende statistieken die aantonen dat het onderwijs er slechter aan toe is dan in andere delen van Amerika en dat er meer geld wordt besteed aan de gevangenisindustrie (de grootste op het westelijk halfrond) dan het budget van beide Californische staatsuniversiteiten met vierendertig campussen bij elkaar.

Wie het in de Verenigde Staten echt wilde `maken' deed dat in Californië, de staat die gold als `Amerika in het kwadraat', waar letterlijk alles kon gebeuren voor wie maar zijn best deed. Hoewel die mythe van de onbeperkte mogelijkheden nog steeds niet is uitgewerkt, gaat die er toch aan voorbij dat Califonië, zoals Didion nauwkeurig voorrekent, sinds zijn opname in de Unie, is `verkocht' aan de Southern Pacific spoorwegmaatschappij, vervolgens aan de olie-industrie en de agro-industrie, die de grond zelf alleen maar als exploitatief materiaal zag, en daarna aan de defensie-industrie. Al deze corporatieve conglomeraten haalden volgens haar meer weg dan ze inbrachten, en hun neergang heeft eraan bijgedragen dat de Californische droom in de praktijk aan scherven ligt voor het merendeel van zijn bewoners, een welgestelde bovenklasse uitgezonderd.

Didion haalt haar materiaal waar ze maar kan: bij Jack London en in haar eigen oeuvre, maar ook in de wonderbaarlijke Werdegang van de Bohemian Club, die misschien beter dan wat ook de uitverkoop van de Californische `idylle' illustreert. In 1872 gesticht door enkele lokale journalisten en schrijvers en vastbesloten fat cats buiten te sluiten, zag de club zich al aan het eind van de negentiende eeuw genoodzaakt `een element tot de club toe te laten waarvoor de meerderheid der leden minachting voelde, namelijk mannen die zowel geld als hersens hadden, maar die strikt gesproken geen Bohemians waren.'

Lang hield deze ongemakkelijke coalitie stand, en bood het jaarlijkse zomerkamp plaats aan dichters, denkers en directeuren, totdat de echte bohemians het langzamerhand voor gezien hielden en geld en macht de enige voorwaarden werden voor een lidmaatschap. De gastenlijst van 1985 was `een nexus van de economische en politieke belangen van het land' met namen als Kissinger, George Bush senior en vertegenwoordigers van alle machtige ondernemingen die het land telde. In die zin `weerspiegelt de transformatie van de club de transformatie van Californië zelf, van wat het ooit was tot een volledig afhankelijke kolonie van het onzichtbare rijk waarin deze corporatieve en politieke belangen verenigd zijn.'

Didions boek is wat ongelijk van opbouw en lijdt soms aan overdadige vrije associatie. En het is vooral, hoe fenomenaal Didion persoonlijke en algemene historie ook weet te combineren, géén geschiedenis van Californië, maar een hoogst persoonlijke uitbarsting. Het overlijden van haar moeder, in 2001, zeer indringend beschreven, moet het moment zijn geweest voor Didion om de laatste resten van houvast aan de hardnekkige Californische mythe los te laten en die te ontmaskeren als monumentaal zelfbedrog. Een mythische leugen die haar in het bijzonder raakt, want `California is where I was from'.

Joan Didion: Where I Was From. Knopf, 226 blz. €29,50