Op naar het onbekende!

Literatuur en massacultuur zijn een heftig huwelijk aangegaan. Critici trekken zich terug op een intellectuele vluchtheuvel. Maar waar gaat het om bij het waarderen van een roman? Toch niet alleen om literatuurtheorie, de canon of de westerse beschaving – het gaat ook om je leven.

Ooit, niet eens zo lang geleden nog, een jaar of vijftig maar, was het in de literatuur zo simpel. Aan de ene kant had je een boek dat net verschenen was, in kleine oplage gewoonlijk, en dat gelezen wilde worden. Aan de andere kant had je een publiek dat boeken las, een klein gezelschap gewoonlijk, en dat voorgelicht wilde worden. Daartussenin bevond zich een soort niemandsland, geweldig groot en leeg, dat eigenlijk maar eenmaal in de week of zelfs maar in de maand betreden werd, en wel door één persoon. De criticus.

De criticus bracht het boek naar het publiek.

Toen kwam de dag, in Nederland zo rond de jaren zestig, dat ook anderen die ruimte binnenstapten. Schrijvers zelf om te beginnen, die ontdekten dat een provocatie hier en daar enorme aandacht voor je werk kon genereren. Uitgevers die daarin meegingen en zich niet meer te goed voelden om een roman al op het omslag aan te kondigen als onverbiddelijke bestseller. Journalisten die daar weer op inhaakten en de boekenwereld voor het eerst tot nieuws bevorderden. Interviewers die gesprekken met schrijvers gingen voeren voor de culturele bijlagen die de kranten in de jaren zeventig ontwikkelden. Presentatoren die op radio en televisie ongeveer hetzelfde gingen doen in de vele praatprogramma's die het omroepbestel ontwikkelde.

Ziedaar, de massamedia. En met die massamedia begon een ongekende schaalvergroting. Mocht een succesroman voorheen al blij zijn met een oplage van enige tienduizenden, de bestsellers van Maarten 't Hart en anderen kwamen in de jaren zeventig aan het tienvoudige. Het type lezers en vooral lezeressen dat van oudsher Zweedse saga's en streekomnibussen las, bekeerde zich tot de `vertellers' van de literatuur, zoals de term toen luidde, en van daar af lag de weg vrij voor het half miljoen verkochte exemplaren van godbetert De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch in de jaren negentig. Literatuur, wie had dat ooit gedacht, werd door de massamedia zelf een massaverschijnsel.

Maar de criticus, och arme, kreeg vooral een minder opgewekte kant van die ontwikkeling te zien. Hij was niet meer de enige die boeken naar de lezer bracht. Hij viel terug in een peloton van ongelijksoortige types die vaak nog geen fractie van zijn expertise hadden en, misschien wel ernstiger, de houding misten die vanouds verbonden was met de waardering van literatuur. Ze trokken boeken in een sfeer van human interest, amusement, toptienen, flauwekul en kermis, ze vervuilden boeken met de meest oneigenlijke elementen. Goed om een publiek te lokken, maar wat schoot je ermee op als je het literaire van die boeken daarmee onder tafel veegde?

Met die vraag begon in de jaren zeventig een vaste klacht. Verbreding van het publiek ging samen met vervlakking van de boodschap, dat bleek in de letteren al net als in de politiek en overal, en voor een goed deel van de kritiek werd dat een reden om zich schrap te zetten. Uit naam van haar principes wees ze anderen die boeken naar de lezer brachten af en claimde dat ze eigenlijk nog steeds de enige was. Ze trok zich terug op de benadering van literatuur die haar sinds jaar en dag vertrouwd was, die van een elite die zich afschermt met het weermiddel van de verfijning, en ze werd daarmee wat ze misschien nog steeds wel is: conservatief, in de letterlijke zin van strevend naar behoud.

Voor die behoudende reflex viel iets te zeggen. Ze had het gelijk van de traditie aan haar kant. Maar het probleem was dat het peloton van nieuwe spelers in het literaire veld daar geen ontzag voor had en onverdroten verder ging met over de traditie heen te walsen. Reclamecampagnes, signeersessies, theatertournees, tv-optredens, persdineetjes, commerciële prijzen – het publicitair geweld werd alleen maar groter en maakte de kritiek alleen maar kleiner.

In de wetenschap misschien dat dit gevecht niet meer te winnen was, begon een jonge garde critici, meer vertrouwd wellicht met de massamedia dan oudere collega's, aan een vlucht vooruit. Ze omarmden de nieuwe literaire mores. Namen zitting in de jury van de AKO-prijs, nog liever in die van de Libris, desnoods in die van de Gouden Uil, en maakten naast hun boekbesprekingen interviews met schrijvers. Traden zelfs op in het groeiende circuit van schrijvers op tournee, die in de zalen van het land ook weer geïnterviewd moesten worden. Traden ver buiten de oevers van hun stukken.

Daar leek iets mee gewonnen, namelijk een nieuw publiek, dat van de honderdduizenden in plaats van de traditionele lezers van kritieken. Maar die winst behaalden ze dus met iets anders dan kritieken. In een interview hadden ze niet de vrijheid om te oordelen zoals ze dat in hun kritieken deden. In een jury hadden ze de vrijheid om te oordelen, maar niet om te argumenteren zoals ze dat in hun kritieken deden. En waar blijven dan de kritische principes van belangeloosheid en onafhankelijkheid?

Dat is de tegenkant wanneer je als criticus buiten de oevers van je stukken treedt om het terrein van de kritiek weer terug te winnen. Je doet aan die stukken af. Je krijgt er een heel leven bij van avondjes met schrijvers en bijeenkomsten met medecritici, verzoeken om debatten voor te zitten of op televisie over literatuur te komen praten, maar intussen merk je dat je eigenlijke werk in een pastiche verandert. Het is niet langer de criticus die boeken naar de lezer brengt, het zijn de boeken die de criticus naar de lezer brengen.

Literatuurkritiek als podium voor zelfvertoon. Het is een typisch voortbrengsel van de massamedia, een onbedoelde zelfparodie, de criticus als wethouder Hekking, en ik denk dat er geen criticus is die er geen ervaring mee heeft. Ik vrees in elk geval dat ik er zelf wel aan heb meegedaan. Je zit met dat geschrijf maar in je eentje thuis, je wilt er eens uit, een bijverdienste is nooit weg, en ach, wie is er vrij van ijdelheid. Voor je het weet sta je op god weet wat voor festival een mening te verkondigen in een debat dat in de trein naar huis al geen herinnering meer oproept.

Maar in de loop der jaren ben ik wel steeds strenger voor mezelf geworden, en ik krijg de indruk dat ik daarin niet alleen sta. Ook collega's keren blijkens meer recente stukken op hun schreden terug, in de gedachte dat ze het toch van hun core business moeten hebben. Je moet doen waar je het sterkst in bent, dat is je unique selling point, om in de termen van de markt te blijven, en je moet dus niet iets anders willen dan kritieken schrijven, je moet die kritieken beter willen schrijven.

Zo schreef Arjan Peters in 2001 in de Volkskrant een artikel naar aanleiding van de Libris-prijs, later opgenomen in zijn bundel De ongeneeslijke lezer, waarin hij op beschouwelijke afstand kijkt naar dat `circus', in zijn eigen woorden, waaraan hij als jurylid ook zelf weleens heeft deelgehad, en vaststelt dat de literatuur daar niets mee wint wanneer de keuze van de jury geen inhoudelijk debat losmaakt. Het stuk heet programmatisch `Terug op zoek naar kwaliteit' en roept op tot het `krachtig expliciteren van je eigen beoordelingscriteria': `Het wordt tijd, weer eens met open vizier te verklaren waaruit literaire kwaliteit bestaat. Alleen dan is een open en eerlijk debat mogelijk.'

Dat klinkt als een echo van een stuk van twee jaar eerder in Vrij Nederland, waarin Jeroen Vullings de betekenis van de `waterscheidende criticus' belangrijker noemt dan ooit, juist in een marktgerichte tijd waarin het aanbod overweldigend is en de goed verkoopbare boeken eerder aandacht trekken dan de goede. Hij verlangt van de kritiek een `visie waarin stellige kwaliteitscriteria vertegenwoordigd zijn' en de titel van zijn stuk spreekt ook weer boekdelen. `De lat moet hoger, of: eerherstel voor de literaire kritiek.'

Een variant op die gedachte klinkt ten slotte in De vrede graast zonder genade, Maarten Doormans oratie als bijzonder hoogleraar literaire kritiek aan de VU uit 2001. Ook hij trekt ten strijde tegen de vrijblijvendheid van de kritiek, zij het dat het hem niet gaat om de vrijblijvendheid van de massamedia en de markt maar van het postmodernisme. `Het vermijden van meningsverschillen in de kritiek is dodelijk,' schrijft hij. `Niet alleen voor de kritiek, maar minstens evenzeer voor de kunst, die niet kan bestaan zonder discussie over die interpretatie. Wanneer kritiek ontbreekt wordt receptie van kunst consumptie.'

Daar ben ik het nou eens helemaal mee eens, met alledrie. Ze bieden aanzetten tot net die zelfkritiek waar ik bij de kritiek naar zoek. Ze wijzen niet meer blindelings naar hullie en zullie in de buitenwereld die de schuld van alles zijn, ze draaien de spiegel om en stellen eisen aan zichzelf. De criticus moet oordelen en moet daar heldere criteria bij leveren – klaar uit.

Maar lees je nog eens goed, dan merk je dat er toch iets aan die stukken mist. Want Peters roept wel op tot het expliciteren van beoordelingscriteria, maar komt daar zelf in zijn artikel nog niet erg aan toe. Vullings wil de lat hoger leggen, maar waar hij die wil hebben blijft voorlopig in het vage – ook in een uitgebreide versie van zijn stuk, in zijn bundel Meegelokt naar een drassig veldje. Doorman stelt dat kritisch oordelen noodzakelijk is en bouwt voor die gedachte een bewonderenswaardig filosofisch argument op, maar geeft voor zo'n oordeel evenmin criteria.

Alledrie doen deze critici kortom een oproep tot stellingname zonder zelf een stelling in te nemen, en dat lijkt me haast geen toeval meer. De literatuurkritiek wil graag weer waterscheidend zijn, maar heeft de grootste moeite uit te leggen hoe dat moet en op basis van wat. Ze is de grond onder de voeten kwijt, ze staat op drijfzand, en ik denk dat daarin de verborgen reden ligt waarom ze zich in de wereld van de massamedia zo kwetsbaar voelt. Ze kan zelf niet meer uitleggen op grond waarvan zij een geprivilegieerde plek verdient.

Dat brengt ons bij de hamvraag. Hoe kan de kritiek zichzelf legitimeren?

Het traditionele antwoord op die vraag is dat zij dat doet met ruggensteun van theorievorming. Zo doet ze het al sinds de Oudheid – laag over laag aan theorieën, met als gevolg dat er een steeds dikkere korst van ideeën over de literatuur is komen te liggen. Al die theorie, ik hol de geschiedenis even door, kreeg in de jaren zeventig van de twintigste eeuw een ongekend belang. De tijd vroeg om engagement, polarisatie, politiek, en al kwam dat in de literatuur nooit helemaal van de grond, ook daar werd met verwoede ernst gezocht naar een principiële stellingname. De een klaagde het realisme aan, de ander verklaarde het subjectivisme taboe – het was een Gigantensturz van theorieën en de gemoederen liepen af en toe oprecht hoog op.

Maar na de hoge vlucht van al die theorieën was de val niet ver meer. De hele zwik aan overtuigingen die zo verbluffend triomfeerde, brokkelde nog voor het einde van de jaren tachtig weg onder de scepsis en verwarring van het postmoderne einde van Van Alles en Nog Wat. Realisme mocht weer. Alles mocht weer – en de kritiek zat ermee in de maag. Want waar haal je dan nog beoordelingscriteria vandaan?

Dat is de impasse waaruit de kritiek nog steeds geen uitweg heeft gevonden. Lees je boekbesprekingen van dit moment, dan vind je in de regel een staalkaart aan benaderingen, brokjes van de meest diverse theorieën over wat literatuur moet zijn. Maar er is weinig wat die brokken bij elkaar houdt, want de goeden niet te na gesproken, de kern ontbreekt. Er is geen visie.

Welnu, de aap uit de mouw. Hoe komt de literatuurkritiek weer tot een visie? Ik zal u daar nu mijn reddende gedachte over geven, maar bij voorbaat met de kanttekening dat die u zal teleurstellen, omdat ze al te simpel lijkt en alles toch alleen maar ingewikkelder maakt. Die reddende gedachte is: dat we het hele pak aan literaire theorievorming eens aan de kant zouden moeten zetten om weer eens als nieuw naar literatuur te kunnen kijken.

Want wat doen die theorieën bij gebruik in de praktijk? Ze geven je, nog voor je aan een boek begint, een beeld mee van de voorwaarden waar het aan moet voldoen om goed te zijn, en bieden daarmee een gedachtekader dat uiteindelijk ideologisch is. Hun beeld gaat voor en boven de werkelijkheid uit. Ze zeggen je op voorhand wat je hoort te zien, maken je blind voor wat er verder is te zien en dreigen je dus af te sluiten voor het boek waar het toch om begonnen was.

Dat is de ironie van alle theoretiseren over literatuur. Het komt voort uit toegewijd lezen, maar eenmaal gestold tot een geformuleerd idee gaat het dat in de weg staan. Het is averechtse liefde. Het is afweer tegen wat je eigenlijk wil opzoeken. Een vorm van overbewustzijn, dat vooral, en dat maakt het typerend voor een tijd als de onze, die met al zijn denkbeelden en beelden in de media een spiegelpaleis van overbewustzijn is geworden en de deur naar buiten nauwelijks meer weet te vinden.

Ik zou onze overdaad aan literaire theorie daarom graag verruilen voor het tegendeel, een verregaande onbevangenheid voor de praktijk. Die wetten die elk boek zichzelf in de literatuur kan stellen, zijn uitsluitend en alleen te achterhalen door het werk eenvoudigweg te lezen en het in zijn eigen termen te verstaan. Hoe ontvankelijker je bent, hoe argelozer tegenover alles wat je vreemd is, des te meer zul je beleven. Net als in het leven zelf trouwens.

Dat betekent dat je bij het lezen jezelf tot inzet maakt. Je laat je binnenvoeren in een wereld die aanvankelijk volkomen ongewis is. Je kent de situatie en de afloop niet, elk overzicht wordt je onthouden, en het enige wat je dus doen kunt is je dieper in het labyrint wagen en je laten bombarderen met sensaties, wendingen, ideeën, alles wat je onderweg een beetje greep kan geven op de taalstroom waar je in terechtgekomen bent. Je maakt jezelf tot bioscoopdoek van het boek en roept het in jezelf tot leven.

Dat is stap één – meteen al niet eenvoudig, want het vraagt een inspanning die lang niet elke lezer opbrengt en een gevoeligheid die lang niet elke lezer is gegeven. Maar dan begint het pas. Want het bombardement aan indrukken dat je jezelf laat ondergaan vormt zich al lezende tot een verhaal met een intrige, een ontknoping, een katharsis, kort en goed tot een ervaring, en die vraagt erom een plaats te krijgen in de catalogus aan eerdere ervaringen die in je hoofd ligt opgeslagen. Waarin raakt dit boek aan andere boeken, waarin aan de werkelijkheid en waarin, als verzamelpunt van alles, aan jezelf?

Dat brengt je aan stap twee – die van het oordeel. Dat laat zich nu niet meer vormen aan de hand van criteria van buitenaf, het kan alleen nog maar ontstaan van binnenuit, vanuit de botsing tussen wat al in je hoofd zat en wat zich daar nu in hoopt te nestelen. Een botsing tussen stijlen, smaken, levenshoudingen. Je vraagt je af wat je in dit boek aantrekt en afstoot, wat dat over het boek zegt en wat over jou. Je onderzoekt dus niet alleen het boek maar ook jezelf. Hoe meer je van het ene gaat begrijpen, des te meer ontdek je van het andere.

En daar wordt het echt ingewikkeld, want dat betekent dat je die criteria zelf nog moet achterhalen. Ze ontstaan pas uit de wisselwerking tussen jou en wat je leest. Ze zijn beweeglijk, tot op zekere hoogte onvoorspelbaar voor jezelf, veranderlijk met ieder nieuw boek dat je voor je krijgt, en het paradoxale is dus dat je eigenlijk pas bij de uitkomst van je overwegingen over een boek kunt uitleggen wat je beoordelingscriteria zijn.

Sterker, die criteria zijn zelf een uitkomst van je overwegingen. Dat klinkt wellicht als een sofistisch soort gesjoemel met beginselen, maar het is net waar het om gaat. Want die beginselloosheid maakt dat je ontsnapt uit de gesloten cirkel waarin een vooraf bepaald criterium je dreigt te vangen. Ze voorkomt dat je conclusies een vermomming zijn van de vooronderstellingen waarmee je al begonnen was en helpt je daarmee te beantwoorden aan het verlangen van de literatuur de lezer mee te voeren buiten de gebaande paden.

Wat vervolgens alle reden geeft om je criteria, jawel, te `expliciteren'. Dat is niet alleen een zaak van kwaliteitsbewaking en van eerlijk zeggen waar je staat, het dient ook om te laten zien in hoeverre een boek erin is geslaagd om je iets onbekends te laten zien. Hoe meer dat het geval is, des te groter is de moeite die het kost om je criteria te vinden. Je staat voor iets nieuws, zoekt daarom zelf ook naar iets nieuws – en dat moet opgeschreven, want daarin liggen de ontdekkingen die het boek aanreikt.

Enfin, hier kan ik lang over doorgaan, we betreden een terrein waar veel van mijn stokpaarden grazen, maar ziehier in het kort een literatuurkritiek die weer iets wezenlijks te doen heeft. Wat er daarin op het spel staat, is zoveel als het leven zelf, dat van de criticus en van de lezer in het algemeen. De inzet is de mogelijkheid dat leven te vernieuwen, in de zin van: er iets nieuws aan ontwaren of aan toevoegen. Het resultaat is dat een criticus zich nooit meer hoeft te wijden aan essays waarin hij het bestaansrecht van zijn werk in grote woorden opeist. Want wat kan er nou belangrijker zijn dan wat hij week na week laat zien? Dat werk rechtvaardigt zichzelf.

Dit is een verkorte versie van een essay uit `Een verhaal dat het leven moet veranderen' van Hans Goedkoop, dat op 27 augustus verschijnt bij Augustus, 288 blz. €17,95