Megawati goochelt met olieprijzen

OPEC-lid Indonesië, sinds begin dit jaar een netto-importeur van ruwe olie, heeft last van de dure olie. De hoge olieprijs drukt zwaar op de begroting. Subsidies op energie rijzen de pan uit. In dit verkiezingsjaar praat president Megawati het probleem weg.

Olie op de golven, dat is het meest toepasselijke beeld voor de begroting die president Megawati Soekarnoputri deze week aan het Indonesische parlement aanbood. Volgend jaar wordt alles beter, was haar boodschap. Dan gaat de olieprijs omlaag, nemen investeringen en economische groei toe en kunnen we meer geld uittrekken voor onderwijs en andere diensten aan het publiek. Kortom, Indonesiërs, houd mij, op 20 september bij de presidentsverkiezingen, in het zadel.

Indonesië is als olie-exporterend land lid van de OPEC – Organisatie van olie-exporterende landen. Maar gezien de stijgende binnenlandse energievraag, uitblijvende investeringen in exploratie en een teruglopende olieproductie is het land sinds begin dit jaar netto-importeur van ruwe olie geworden.

Volgens ramingen van de staatsoliemaatschappij Pertamina daalt de productie van 's lands 1.000 operationele oliebronnen. In 2003 bedroeg die 1,15 miljoen vaten ruwe olie per dag; dit jaar zal de productie krimpen tot 1,07 miljoen vaten per dag. De huidige hoge olieprijzen zijn voor Indonesië geen mee-, maar een tegenvaller.

Olie op het vuur is de begroting voor de zakenwereld. ,,Volstrekt onrealistisch'', reageerde Mohammad S. Hidayat, voorzitter van de Indonesische Kamer van Koophandel (Kadin). Hij verwees onder meer naar de veronderstelling dat de internationale olieprijzen, die nu schommelen tussen de 44 en 49 dollar per vat, in 2005 24 dollar per vat zal bedragen.

Megawati's minister van Financiën, Boediono, zei bij de aanbieding van de begroting dat de huidige, hoge prijs is te wijten aan ,,psychologische factoren''. Als de rust op de oliemarkten straks weerkeert, speculeerde hij, wordt de prijs weer ,,normaal''. In 2002 en 2003 repte Megawati in haar jaarlijkse rede voor het parlement niet van een te verwachten wereldmarktprijs voor olie en volstond zij met de opmerking dat die ,,met grote voorzichtigheid'' zou worden geraamd. In dit verkiezingsjaar heeft ze die prudentie laten varen.

Intussen heeft het Indonesische kabinet de begroting voor het lopende jaar moeten bijstellen. Die ging uit van een gemiddelde olieprijs van 22 dollar per vat, terwijl die in het eerste semester van 2004 al 32,80 dollar bedroeg. Ambtenaren gaan nu uit van een wereldmarktprijs van gemiddeld 34 dollar per vat in 2004. Met alle gevolgen van dien voor de begroting en de betalingsbalans.

De uitgaven aan subsidies om de binnenlandse energieprijzen te drukken, vallen dit jaar veel hoger uit dan geraamd. Ambtenaren van het ministerie van Financiën hebben berekend dat bij een veronderstelde wereldmarktprijs van 34 dollar per vat de subsidie-uitgaven dit jaar 56,7 triljoen roepia (5,7 miljard euro) zullen bedragen, terwijl in de begroting is uitgegaan van 14,5 triljoen roepia (1,45 miljard euro). Minister Boediono noemde dit ,,beheersbaar''.

Toen Indonesië na het uitbreken van de Azië-crisis in 1997 een overeenkomst aanging met het Internationaal Monetair Fonds (IMF), verplichtte het zich, in ruil voor een vijfjarig bijstandskrediet, onder meer tot geleidelijke afbouw van de hoge brandstofsubsidies. De binnenlandse energieprijzen zijn de afgelopen jaren enkele malen verhoogd – de eerste prijsstijging werd afgekondigd door oud-potentaat Soeharto – en dat ging steeds gepaard met maatschappelijke onrust.

Het contract met het IMF is op 1 januari van dit jaar beëindigd, al zal het IMF Indonesië's verrichtingen nog enige tijd controleren. In de begroting voor 2004 is geen verhoging van de brandstofprijzen opgenomen. Het officiële argument luidde dat de regering geen sociale onrust wilde riskeren in een verkiezingsjaar; officieus wordt toegegeven dat een nieuwe prijsverhoging de kansen op Megawati's herverkiezing zou verkleinen. In de ontwerpbegroting voor 2005 is zelfs voorzien in een verhoging van de subsidie-uitgaven van maar liefst 26 procent, waarvan het leeuwendeel is uitgetrokken voor brandstofsubsidies. Megawati's tegenspeler in de beslissende laatste ronde van 20 september, generaal b.d. Susilo Bambang Yudhoyono – populair geworden als `SBY' – heeft zich nog niet uitgelaten over de netelige kwestie van de brandstofsubsidies.

De hoge olieprijs drukt niet alleen op de begroting, maar zet, als gevolg van de toenemende vraag naar dollars, ook de roepia onder druk. Pertamina, dat de olie-importen voor zijn rekening neemt, is de grootste afnemer van dollars op de binnenlandse deviezenmarkt. De koers van de roepia zakt en bedroeg deze week 9.300 tegen de dollar. De ontwerpbegroting voor 2005 gaat uit van een aanzienlijk gunstiger roepiakoers: 8.600 tegen de dollar.

Intussen stagneert het aanboren van nieuwe oliebronnen. Van de 104 voor dit jaar geagendeerde proefboringen zijn er tot dusverre maar 20 uitgevoerd. Een ambtenaar van het departement van Energie en Minerale Hulpbronnen wijt dit vooral aan een wereldwijd tekort aan boorinstallaties, als gevolg van de hoge olieprijs. Ook dit probleem is volgend jaar kennelijk opgelost; het budget voor 2005 gaat uit van een productiestijging van 10 procent. Analisten reppen niet voor niets van een `politieke begroting'.