Hartstochtelijk vluchtig

In opdacht en op kosten van Joop van den Ende kwam de serie `Allemaal theater' tot stand. De complete eredivisie van het vaderlandse toneel komt langs.

Het mooiste moment van de tv-serie Allemaal theater zit meteen aan het begin. In een Terschellinger schuur speelt actrice Joke Tjalsma Kniertje in het vissersdrama Op hoop van zegen. Tijdens een bange stormnacht vertelt de weduwe over haar man en zonen die twaalf jaar geleden verdronken: ,,Je kan het je haast niet voorstellen – maar na zoveel jaren weet je de gezichten niet goed meer – en daar dànk je God voor.'' Tjalsma's wat slepende stem toont weinig emoties; des te meer tranen zien we stromen over de wangen der toeschouwers. Dat illustreert meteen treffend de eeuwige kracht van het theater, en loopt vooruit op een toneelgebod dat later in de aflevering wordt geformuleerd: niet de acteur moet geëmotioneerd raken, maar de toeschouwer.

In opdracht van mecenas Joop van den Ende maakte tv-producent IdtV-DITS de twaalfdelige documentaire-reeks Allemaal theater, over de geschiedenis van het Nederlandse theater vanaf 1945. Het is een groot project van 2,8 miljoen euro geworden, waarvoor presentator Jeroen Krabbé maar liefst 137 prominente theatermakers sprak, van John Lanting tot Johan Simons, van Hugo Claus tot Maria Goos. Ook bezocht hij de afgelopen twee jaar tientallen voorstellingen. Snel gemonteerd vliegen de 59 jaren voorbij. Van de eerste bus toneelspelers die na de oorlog langs de schouwburgen in `het vrije land' trekt, tot de Dogtroep die op een Vinex-locatie beeldend buitentheater brengt, zonder voorgeschreven tekst, zonder verhaal. Dit laatste tot grote verwondering van Jeroen Krabbé.

Die verwondering van Krabbé is een van de attracties van de serie. Krabbé is goed thuis in de oude toneelgarde, maar doordat hij de laatste twintig jaar louter voor de film werkte en doorgaans in het buitenland verbleef, is het hedendaagse experimentele theater even vreemd voor hem als voor de meeste kijkers. Zo combineert hij in zijn presentatie gemoedelijke betrokkenheid en journalistieke afstand. Krabbé: ,,Aanvankelijk zou ik de serie alleen maar aan elkaar praten, maar tijdens de eerste gesprekken bleek dat ik zelf ook enorm veel vragen had. Dus is mijn rol groter en persoonlijker geworden.''

Deze aanpak geeft de gesprekken een prettige losse sfeer. Er is ook tijd voor het bekijken van oude foto's, waarop vaak een piepjonge Krabbé opduikt, en er is ruimte voor terzijdes die misschien niet ter zake doen, maar die te mooi zijn om te laten liggen. Zoals over de jonge Rutger Hauer, die tijdens een spelles op de toneelschool te horen kreeg: ,,Rutger sta eens stil'', waarop Hauer antwoordde: ,,Dat kan ik niet. Ik heb gevaren.''

De afleveringen zijn handig zowel thematisch als chronologisch gerangschikt, waarbij de ene keer een subgenre – cabaret, musical, blijspel en revue – en de andere keer een tijdvak of historische gebeurtenis wordt behandeld.

De eerste aflevering, De betovering, heeft een algemene strekking, en dient als smaakmaker voor de hele serie; er zitten vele spelers en regisseurs in die in latere delen terugkeren.

Hindernis

Voor gevorderden is dit deel interessant omdat de complete eredivisie van het vaderlandse toneel langskomt en rake uitspraken doet over toneelspelen. Deze zijn samen te vatten als: `nee, we tonen niet ons eigen gevoel op het podium, dat is techniek.' Toch, zegt Gijs Scholten van Aschat, kun je rol en acteur niet helemaal van elkaar scheiden: ,,Ik kan alleen maar mijzelf spelen, maar ik speel mijzelf in een andere situatie. Het gaat om het rangschikken van emoties.'' Voor minder ingevoerden is de eerste aflevering een lastige hindernis, omdat het nogal een allegaartje is rond een vaag thema – `wat is de magie van theater?' - waarin de kijker weinig context of basisinformatie krijgt. Wie zijn al die mensen?

,,Wat me opviel tijdens het maken van de serie'', zegt Jeroen Krabbé, ,,is dat iedereen die ik gesproken heb gedreven wordt door eenzelfde tomeloze passie voor toneel, van de tachtigers Ellen Vogel en Ton Lutz tot de twintiger Barry Atsma.'' Tekenend voor die passie is de scène waarin we Scholten van Aschat samen met Pierre Bokma zien optreden in een huiskamer. Beiden zijn gevierde acteurs met een druk bestaan, maar niet te beroerd om op vrije avonden op bestelling in huiselijke kring scènes van Shakespeare te spelen. Pierre Bokma vermoedt waar die passie vandaan komt: ,,Iedereen die daar staat is een Christus in de kribbe, waar de engelenschare, de herders, Josef en Maria, de ster, de os en de ezel naartoe moeten komen. En de schapen, en dan later nog 2,3 miljard mensen die erover nadenken en ervoor op de knieën gaan. Dat is het diepste wat een acteur wil.''

Een vraag die niet expliciet wordt gesteld, maar wel wordt behandeld, is hoe het Nederlands repertoire-toneel zich na de oorlog kon ontwikkelen tot het overwegend experimentele theater van nu? Nu zijn we gewend aan een breed en groot aanbod: ernstige bewerkingen van klassiekers; montagevoorstellingen zonder duidelijk verhaal; theater gemaakt op basis van improvisaties; theatertochten waarbij het publiek rondloopt in een installatie. Waar komt dat alles vandaan?

Allemaal theater toont de traditie van de vernieuwing, trekt de lange lijnen van de ontwikkelingen en plaatst ze in een maatschappelijk kader.

Het moderne toneel begint volgens de serie met de komst van de Russische regisseur Peter Sjarov in de jaren vijftig. Met een reeks Tsjechovs gaf hij een hele generatie toneelles. De declamatiekunst, het op effect spelen zonder al te veel na te denken over de inhoud van de woorden, was bij hem uit den boze. Hij wilde invoelende en vooral meedenkende acteurs, en hij streefde een kalme, realistische, minder geëxalteerde speelstijl na. Voor Nederland was dit een belangrijke vernieuwing, maar in feite was Sjarov een traditionalist, die Tsjechov wilde brengen zoals diens eerste regisseur, de theatervernieuwer Stanislavski, dat bedoeld had. Sjarov had één merkwaardige leermethode: in de zenuwachtige uren voor de aanvang van een première placht hij zijn spelers uit hun evenwicht te brengen door ze vreselijk af te katten. Hans Croiset kreeg een keer vlak voor een voorstelling te horen: ,,Ich hab gestern deinen Bruder gesehen. Ér hat Talent!''

Van de andere kant van de wereld kwam inmiddels een hele reeks toneelstukken die het toneel flink veranderde. Amerikanen als Tennessee Williams (Tramlijn begeerte), Arthur Miller (Dood van een handelsreiziger) en Edward Albee (Wie is er bang voor Virginia Woolf?) brachten rauwe, harde stukken die een einde maakten aan het `aangename, behaagzieke' toneel. Op de Nederlanders maakten de Amerikaanse realisten een verpletterende indruk. Toneel was in die jaren zo populair als musical nu is, en het Nederlands publiek toonde zich vooruitstrevend in smaak. Zelfs een schokkend nieuw, ontoegankelijk stuk als Becketts Wachten op Godot werd gewaardeerd.

Dan volgt het scharnierpunt in de theatergeschiedenis: Aktie Tomaat. Doorgaans komt theatervernieuwing geleidelijk en van binnen uit. Daarmee werd gebroken in 1969 toen toneelstudenten in de Amsterdamse Stadsschouwburg tomaten gooiden naar spelers van de Nederlandse Comedie. Zij eisten democratisering in de grote gezelschappen, en een minder belegen theater. Een rumoerige revolutie volgde, die het einde betekende van de Comedie, en van enkele toneelkopstukken. Een direct gevolg was de oprichting van invloedrijke experimentele groepen als het Werkteater en iets later De Appel en het Onafhankelijk Toneel. Indirect gevolg van de actie was de komst van tientallen kleine doe-het-zelf-gezelschappen die zich ver van de schouwburg hielden; het gesubsidieerde toneel groeide van vijftien groepen in 1969 naar bijna honderd nu.

Hoe het verhaal over Aktie Tomaat verteld wordt, is altijd een aardige graadmeter voor de tijdgeest. In de gepolariseerde jaren zeventig was het nog duidelijk; wie iets lelijks over Aktie Tomaat zei, was een kommersjele rechtse fasjist. In de jaren tachtig en negentig werd wel gezegd dat Aktie Tomaat een vreselijke slachting was geweest, maar: ,,het was wel nódig.''

Slachtoffers

Inmiddels zijn we blijkbaar aan een revisie toe. In de documentaire De verdwenen personages van Han Bentz van den Berg (Hans Keller en Roel Bentz van den Berg, 2002) kregen de slachtoffers van de revolutie gelegenheid om hún versie te geven. Allemaal theater borduurt hier op voort. Willem Nijholt vertelt weer eens hoe de tomaten hem om de oren vlogen. Hij is nog altijd woedend en hij noemt de actie ,,fascistisch geschreeuw''. Ellen Vogel herinnert zich vooral de angst en ,,de haat en moordlust die in de lucht hing''. In die dagen, zo onthult ze, durfde ze nauwelijks de straat op. Als ze naar de groenteman moest, zette ze een zonnebril op. Een voorzorgsmaatregel die ze overigens nog steeds treft.

Wederom krijgen de actievoerders de `moord' op Han Bentz van den Bergh en Guus Oster in de schoenen geschoven, hoewel beiden pas jaren later een natuurlijke dood stierven. Voor enige nuancering is geen ruimte – bijvoorbeeld het onderscheid tussen de tomatisten en communisten. De documentaire probeert genuanceerd te zijn door twee voormalige activisten aan het woord te laten, actrice Josine van Dalsum en theaterwetenschapper Rob Erenstein. Zij zijn echter slechte pleitbezorgers. Ze leggen het in ieder geval af tegen de emotionele verhalen van Nijholt en Vogel. Wat ook niet helpt om enige sympathie voor de actie te winnen is de chaotische collage van foto's, beeld- en geluidsfragmenten. Door het optreden van een groep radencommunisten doet het denken aan het China van de Culturele Revolutie. Een van de activisten begint zijn betoog zelf met: ,,Onze hooggeleerde leider Mao Tse Tung.'' Het speelse, `ludieke' karakter dat de actie zeker in het begin had, krijgt geen aandacht.

Krabbé doet geen moeite een onafhankelijk verslaggever te zijn, hij is duidelijk tégen. Enerverende televisie levert het wel op. Maar na 35 jaar mag je toch een wat afstandelijker, genuanceerder verslag verwachten.

Volgens Jeroen Krabbé is de kern van de serie de vergankelijkheid van het toneel: ,,Wat vandaag en vogue is, is morgen vergeten.'' Als voorbeelden noemt hij Snip en Snap: ,,Hoe vaak hebben die niet Carré vol gekregen, jaar in, jaar uit. Maar in de serie zie je hun afgang, naar steeds kleinere bezettingen, met slechts vijf, zes danseressen. Zo verdrietig.'' Op een andere manier toont de serie ook de vluchtigheid van deze kunstvorm: de gebruikte archiefbeelden zijn vaak van een erbarmelijke kwaliteit. Een video van Pierre Bokma van eind jaren tachtig wordt in zwart-wit uitgezonden, waarschijnlijk omdat de kleuren niet meer toonbaar waren. Mede omdat de samenstellers geen gelukkige hand van selecteren hebben, komt de grootheid van bepaalde stukken of acteurs op beeld vaak nauwelijks over. Uitzonderingen daargelaten: Bovengenoemde Kniertje van Joke Tjalsma bijvoorbeeld. Of Jacob Derwig die Hamlet laat sterven is ook op video indrukwekkend – ,,de rest is stilte.''

Juist door die vergankelijkheid is een serie als Allemaal theater zo belangrijk: hierin kan de continuïteit in de verandering, de lange lijnen worden getoond. De serie wijst bijvoorbeeld op de vernieuwing die al bezig was vóór Aktie Tomaat, met Kees van Iersels Studio, Ritsaert ten Cate's Loenersloot (het latere Mickery), en mensen als Annemarie Prins, Erik Vos, Lodewijk de Boer.

Geen vernieuwing zonder traditie, zei actrice Elizabeth Andersen tien jaar geleden bij een Tomaat-herdenking. Volgens haar is het kwalijkste gevolg van Aktie Tomaat geweest dat het de band tussen de jonge garde en de `oude lullen' doorsneed. Krabbé beaamt dit, en stelt tevreden vast dat jonge acteurs tegenwoordig weer wel toneelhelden van boven de veertig hebben.

Omdat beginnende acteurs en regisseurs nauwelijks kennis kunnen nemen van het werk van hun grote voorgangers, is de persoonlijke overdracht zo belangrijk. Krabbé geeft daar zelf een voorbeeld van: ,,Van Ton Lutz (die weer les heeft gehad van Sjarov) kreeg ik ooit de wijze les: `je moet geen rode tulpen rood verven'. Met andere woorden: je moet in je spel niet illustreren wat uit de tekst of context al duidelijk is. Jaren later stond ik op de filmset van No Mercy met Richard Gere te overleggen over een scène. Ik zei: Richard, don't paint red tulips red.''

Woede

Joop van den Ende verdient alle lof voor het bedenken en betalen van deze prachtige serie. Zeer begrijpelijk is dan ook de woedeaanval die hij kreeg toen hij hoorde wanneer de AVRO de serie gaat uitzenden: om tien over elf 's avonds. Blijkbaar wil de netmanager van Nederland 3 koste wat kost voorkomen dat er meer dan tienduizend mensen naar de serie kijken. En dan mogen we nog blij zijn dat we de serie überhaupt te zien krijgen. Geen van de publieke netten wilde hem aanvankelijk uitzenden, hoewel hij praktisch gratis werd aangeboden.

Verbitterd stelt Van den Ende in het jaarverslag van zijn particuliere fonds: ,,Dat de afleveringen 's avonds laat pas worden uitgezonden, op een tijdstip waarop werkend Nederland naar bed gaat, moeten we maar accepteren als symptomatisch voor het belang dat de publieke omroep aan de eigen cultuur hecht.''

`Allemaal theater', Regie: Leo de Boer, Ger Poppelaars, Noud Holtman en Hans Pool. 30 aug t/m 16 sept, ma t/m do, 23.10u. bij de AVRO op Ned. 3.

Later verschijnt `Allemaal theater' als DVD-box.