Hadden ze maar niet zo gek moeten doen

Een cruciale verschuiving in de Amerikaanse politiek is het overlopen van Democratische arbeiders naar de Republikeinen. De Democraten hebben te lang geflirt met feminisme en multiculturalisme. Nu betalen ze de prijs.

Tim Golba werkt overdag aan de lopende band bij een bedrijf in frisdranken, in een buitenwijk van Kansas City. 's Avonds en in het weekend besteedt hij zijn vrije tijd aan `Kansans for Life', een anti-abortusorganisatie. Kansans for Life is zijn passie. `Je maakt de bevolking niet enthousiast als van haar wordt gevraagd zich in te zetten voor een politicus die de aandacht vestigt op belastingen of de economie', zegt hij tegen journalist Thomas Frank. `Maar je inspireert mensen wel die zich zorgen maken over het morele verval van dit land.' Golba, schrijft Frank in zijn What's the Matter with Kansas, is diep gelovig, toegewijd, onbaatzuchtig, met als resultaat dat de machtigen in zijn staat `alleen maar machtiger worden'. Hij is volgens Frank een archetypische `Con', een rechtse arbeider die dank zij zijn tomeloze inzet voor de Republikeinse partij de conservatieve elite van Kansas, de Mods, in het zadel houdt.

Conservatieven in Kansas kunnen volgens Frank in twee groepen worden verdeeld. Aan de ene kant het ideologisch bevlogen kader, dat pamfletten uitdeelt, zijn spaargeld aan de beweging geeft en zich `voor de auto stort van een arts die abortussen verricht'. Dat zijn de Cons. Aan de andere kant de opportunisten. Dat zijn de Mods; politici die Kansas vertegenwoordigen in Washington, juristen en ondernemers die zich in de plaatselijke politiek profileren. De Mods profiteren van de populariteit van de rechts-ideologische beweging. Zij teren op de inzet van Cons als Tim Golba. Samen zijn ze erin geslaagd de Democraten in Kansas weg te vagen.

Frank groeide in de jaren zeventig op in een welgestelde buitenwijk van Kansas City, in de naburige staat Missouri. Zijn buren behoorden tot de lokale elite. Ze waren Republikeinen van de klassieke soort: entrepreneurs, topmanagers bij een bank. Ze waren aanhangers van het positive thinking: blijven lachen, hielden ze de jonge Frank voor, dan komt het succes vanzelf. Intussen maakten ze zich grote zorgen over de onrust die Amerika overspoelde. Hippies, popmuziek, milieuactivisten en linkse schoolbesturen vergalden hun leven. Onder het vernis van hun eeuwige lach, aldus Frank, waren ze verbitterd. Ze maakten deel uit van de laatste generatie van stoere individualisten, daar waren ze van overtuigd. De toekomst leek aan de Democraten, aan de liberals die met hun sociale beleid en vrijdenkerij het land naar de verdoemenis hielpen.

Fanatisme

Destijds stemden mensen als Tim Golba nog Democratisch, op de partij die opkwam voor hun economische belangen. Dat veranderde In de jaren zeventig, toen de Democraten hun `culturele revolutie' beleefden. Ze omarmden etnische minderheden, vrouwen en de opstandige jeugd, maar vergaten Big Labor. George Meany van de machtige vakbond AFL-CIO was daar zo verbolgen over dat hij tijdens de verkiezingen van 1972 geen Democratisch stemadvies gaf, voor het eerst sinds de jaren dertig.

Tegelijkertijd vond in Kansas en andere staten van het Amerikaanse heartland een ethisch reveil plaats dat lange tijd is onderschat. Arbeiders waren net zo geschokt door het nihilisme en anti-Amerikanisme van de tegencultuur als de zakelijke elite. In de emancipatie van vrouwen en homoseksuelen, en vooral in de erkenning van het recht op abortus in 1973 door het Hooggerechtshof zagen ze het bewijs dat de Verenigde Staten hard op weg waren een moreel verdorven natie te worden. Net als Ronald Reagan waren ze ervan overtuigd dat zij niet zozeer de Democratische partij hadden verlaten, als wel dat de Democratische partij hen in de steek had gelaten. Het vurige patriottisme van Reagan sprak hen aan. Zijn retorisch beleden afkeer van abortus werd door hen gedeeld. Ze waren Reagan-Democraten, en hebben inmiddels de overstap gemaakt naar de Republikeinen. Voor deze partij lopen ze het vuur uit hun sloffen. Ze dragen het fanatisme uit van de bekeerling. De partijelite profiteert van hun niet aflatende ijver. De Cons en de Mods komen niet alleen in Kansas voor, maar overal in de Verenigde Staten.

Maar hun verbond is en blijft ongemakkelijk. Het bestaat bij de gratie van de ontkenning van economische belangen van arbeiders of werknemers, en dus van een klassenconflict. Dat het al zo lang standhoudt, komt doordat ondernemers en religieus rechts een gemeenschappelijke vijand hebben gevonden: intellectuelen die zich in gerenommeerde universiteiten aan de Oostkust hebben verschanst, en de filmindustrie aan de Westkust. Zo worden Harvard en Hollywood gezien als de enemy within, als de vijand die het land zijn perfide waarden wil opleggen.

Frank stelt, terecht, dat dertig jaar `culturele oorlog' geen enkel tastbaar resultaat heeft opgeleverd. Hollywood en Harvard draaien nog op volle toeren. Maar dat is, meent hij, wellicht ook de bedoeling. Een eeuwige nederlaag is volgens hem een essentieel element van dit melodrama, bij kwesties variërend van de invoering van het schoolgebed, het onderwijzen van creationisme in plaats van de evolutieleer, tot abortus. Juist deze nederlaag houdt immers het vuur van de morele verontwaardiging in stand bij de conservatieve basis. Zolang mannen als Tim Golba maar mad as hell zijn op linkse intellectuelen, kunstenaars en andere ondermijners van het deugdzame leven, bekommeren ze zich niet om zaken die hen volgens Frank zouden moeten verontrusten: economische stilstand of achteruitgang, gebrek aan sociaal perspectief.

De Republikeinse behoefte aan een ideologische vijand is ook een van de thema's van The Right Nation van de journalisten John Micklethwait en Adrian Wooldridge van het Britse weekblad The Economist. De kracht van de Grand Old Party is volgens de auteurs tevens haar zwakte. De levendigheid van de partij staat buiten kijf, maar zodra de toevoer van nieuwe ideeën even stokt, dreigt de partij te vervallen tot kannibalisme. De bevlogen basis wordt dan onrustig, en stort zich op de leiding die haar revolutionaire vuur zou hebben verloren. In tegenstelling tot Frank zoeken Micklethwait en Wooldridge de Republikeinse vijand buiten de grenzen. Op 11 september 2001 heeft deze zich aangediend.

Dat Bush die kans met beide handen heeft aangegrepen behoeft geen betoog. Het maakt nogal verschil of je, zoals hij vóór 11 september deed, sneert over de `witte-wijndrinkers' in de progressieve staat Massachusetts, of dat je schermt met de dreiging van een nieuwe, vernietigende terreuraanslag. Dat is tenminste een vijand die ertoe doet: even schimmig als roekeloos, en zich net als Bush beroepend op hogere machten in de strijd. Haat jegens de vijand is opnieuw een politieke deugd. Bij de woede over Al-Qaeda en de shi'itische leider Muqtada al-Sadr in Irak verbleekt die van weleer over de binnenlandse intellectuelen. Sterker: zij krijgen zelfs weer een (bleek) Amerikaans profiel, juist omdat ze bezwaren maken tegen de manier waarop de oorlog tegen de terreur in Washington wordt gevoerd. Niet iedereen hoeft het volgens Bush met hem eens te zijn. Dat is het mooie van Amerika: een afwijkende mening is toegestaan.

Mannenbolwerk

The Right Nation is een bewonderenswaardig boek, dat zowel een groter publiek als de kenner zal aanspreken. Het is een overzichtswerk van dertig jaar Republikeins beleid. Het is ook een sprankelende analyse van de Amerikaanse politiek en maatschappij en daarmee opiniejournalistiek op zijn best, in de traditie van het weekblad waaraan de auteurs zijn verbonden. Micklethwait en Wooldridge veroordelen de ontwikkelingen in de Verenigde Staten niet. Integendeel: ze beschrijven de conservatieve revolutie met nauw verholen enthousiasme. De energie waarmee de aanval op de verzorgingsstaat werd ingezet kan duidelijk de goedkeuring van de auteurs wegdragen. Als gevolg daarvan is liberalism als regeringsfilosofie volgens de schrijvers uitgeput. Ja, er lopen weliswaar nog liberals rond, maar zij zijn dolenden, de laatste leden van een ooit trotse Amerikaanse soort: progressieve probleemoplossers.

Met duivels plezier wijzen Micklethwait en Wooldridgde er op dat de laatste Democratische president voor de doodstraf was, een Republikeins vrijhandelsbeleid voerde en het einde van het tijdperk van Big Government afkondigde. Welke vooruitstrevende politicus uit Europa zegt Bill Clinton dat na? Met evenveel genoegen wijzen ze op het bestaan van vele conservatieve think tanks in `progressieve' steden als Washington, New York en San Francisco. Wie had dertig jaar geleden kunnen denken, schrijven ze, dat deze conservatieve laboratoria de intellectuele denkkracht van progressieve universiteiten naar de kroon zouden steken? Wie had kunnen vermoeden, voeg ik daaraan toe, dat de blanke minister van Buitenlandse Zaken onder Ronald Reagan de mentor zou zijn van de zwarte vrouw die nu veiligheidsadviseur is van president George Bush en in een traditioneel mannenbolwerk de top heeft bereikt? Zijn de Republikeinen er niet in geslaagd de emancipatie van vrouwen en minderheden over te nemen?

Met het vermeende kannibalisme binnen de Republikeinse partij loopt het bovendien zo'n vaart niet. Christelijk rechts in de Verenigde Staten, begonnen als een populistische beweging, is vitaal, vol zelfvertrouwen en bereid met de Republikeinse partij samen te werken mits deze zich naar haar wensen voegt. En zo niet? Dan trekken de conservatieven zich terug in staten als Kansas, om daar te wachten op betere tijden. Een grote test voor hun blijvende politieke betrokkenheid is de vraag of George Bush in een tweede termijn het lef heeft om radicaal-conservatieve rechters te benoemen in het Hooggerechtshof, die eerdere uitspraken over het recht op abortus zullen terugdraaien. Is dat het geval, dan is de conservatieve revolutie geslaagd.

Thomas Frank: What's the Matter with Kansas. How Conservatives won the Heart of America. Henry Holt, New York. 306 blz. €26,40. De Britse editie is verschenen als What's the Matter With America, Secker and Warburg, €22,30

John Micklethwait en Adrian Wooldrigde: The Right Nation. Conservative Power in America. Penguin, 450 blz. €26,30