Een volk dat niet kan tellen

De Braziliaanse indianenstam van de Pirahã kan niet tellen. Hun taal voorziet niet in die mogelijkheid. Ze kennen ook geen verleden tijd, zo blijkt uit antrapologisch onderzoek.

Langs de Maici, een zijrivier van de Amazone, leeft de kleine indianenstam van de Pirahã. Ongeveer 200 mensen. Bekend was dat hun taal alleen de telwoorden `een', `twee', `veel' zou bezitten, maar nu is met experimenten ter plaatse vastgesteld dat ze ècht niet kunnen tellen. Daarmee is dit het enige geval waarin de beperkingen van de taal leiden tot beperkingen in het denken, zo schrijft de Amerikaanse antropoloog Peter Gordon (Columbia University New York) vandaag in een online gepubliceerd artikel in het wetenschappelijke tijdschrift Science.

Boven het aantal drie maakten de Pirahã proefpersonen een snel toenemend aantal fouten, ook bij simpele handelingen zoals wanneer ze een voorbeeldlijntje van Gordon met zeven noten moesten `naleggen'. Zonder blikken of blozen legden ze er dan zes of acht. Volgens Gordon hebben de Pirahã in hun leven geen precieze kennis nodig van hogere getallen dan 2 of 3. Het meest komt tellen nog van pas wanneer ze een hut bouwen, maar volgens Gordon zetten de vier hoekpalen neer op grond van geometrie, niet door ze te tellen. Het is uitgesloten dat de Pirahã's niet slim genoeg zouden zijn. ,,Niets wijst op achterlijkheid'', aldus Gordon. Kleine kinderen kunnen trouwens wel léren tellen, volwassenen niet. De Pirahã's hebben ook een uitstekend gevoel voor humor.

Met behulp van de taalkundigen Daniel en Keren Everett die vanaf 1978 vele jaren in goede harmonie bij de Pirahã leefden en ook hun ongewone taal vloeiend spreken, heeft Gordon in een reeks van jaren een aantal experimenten met leden van de stam gedaan.

Everett is het overigens niet eens met Gordon dat hier de taal het denken beperkt. Volgens Daniel Everett is het andersom. Het onvermogen van de Pirahã om te tellen is net als hun vele andere bijzondere kenmerken gebaseerd op hun cultuur. In de Pirahã-cultuur blijft de onderlinge communicatie volgens Everett beperkt tot niet-abstracte onderwerpen die binnen de onmiddellijke ervaring vallen.

Everett schrijft dit in zijn artikel Cultural Constraints on Grammar in Pirahã dat hij op de website van de Universiteit van Manchester heeft gezet, waar hij hoogleraar is (zie http://lings.ln.man.ac.uk/info/staff/DE/DEHome.html).

Een vreemde consequentie van deze culturele beperking is de fascinatie van de Pirahã voor fenomenen die verschijnen en verdwijnen. ,,De opwinding van Pirahã wanneer ze een kano om een bocht in de rivier zien verschijnen is moeilijk te beschrijven tenzij je het ooit gezien hebt'', aldus Everett. ,,De Pirahã zien dit bijna als een verschijning uit een andere dimensie.'' Er is een woord voor deze `dimensiewisseling' dat de Pirahã dan ook veel gebruiken: 7ibipío, (7 is een keelklank). Een flakkerende lucifer leidt ook tot veel enthousiasme. ,,Ga door met 7ibipíai'', roepen ze dan tegen de vlam, aldus Everett.

De Pirahã leven van jacht, visserij, verzamelen en een klein beetje landbouw. Met de buitenwereld willen ze weinig te maken hebben. Dat ze in hun ruilhandel met Brazilianen vrijwel altijd zwaar bedrogen worden (precies omdat ze niet kunnen tellen), kan ze niet eens veel schelen. Het kapmes dat ze tegen een uitzonderlijke grote hoeveelheid paranoten konden ruilen, raken ze soms dezelfde dag al weer kwijt, uit desinteresse. Ze hebben geen kunst, op wat halskettingen na die ze dragen om boze geesten af te weren. Een gemeenschap die meestal uit tien tot vijftien mensen bestaat blijft meestal een paar jaar op dezelfde plek. Hun taal is complex, met veel toevoegingen aan het werkwoord.

De cultuur en taal van de Pirahã zijn waarschijnlijk de vreemdste ter wereld, zo veel wordt wel duidelijk uit de artikelen van Gordon en Everett. Niet alleen kent de taal een uitzonderlijk laag aantal klanken (8 fonemen bij mannen, 7 bij vrouwen, het Nederlands heeft er 35; een foneem is de kleinste klankeenheid). De taal wordt net zo gemakkelijk gefloten (tijdens de jacht) als gegromd (met volle mond praten de Pirahã gewoon door).

En gekker nog: de taal kent geen bijzinnen. Een zin die vertaald kan worden als `Ik zei dat Ko70í van plan is weg te gaan' (Ko7oí is een eigennaam) heeft letterlijk vertaald helemaal geen bijzin: `Mijn zeggen Ko7oí wil-vertrek'. Sommige taalkundigen zullen menen dat 'Ko7oí wil-vertrek' hier wel degelijk een bijzin is, maar Everett bestrijdt dat: `mijn zeggen' is hier geen werkwoord en het totaal is een losse schakeling van opmerkingen.

Zo zijn er veel meer ongewone kenmerken van het riviervolkje: geen herinneringen die verder dan twee generaties terug gaan, geen eigen scheppingsmythen, geen voltooid verleden tijd en in de 200 jaar dat ze nu in contact met de buitenwereld staan, hebben ze nooit meer dan een zeer rudimentair Portugees geleerd. De kloof met de buitenwereld is te groot.

Ze beschermen ook actief hun eigenheid. De lees- en schrijflessen die Everett en zijn vrouw hen eens gaven – op verzoek van de Pirahã zelf – werden plots beëindigd toen de Pirahã er achterkwamen wat ze eigenlijk aan het doen waren. Na een groot aantal lessen lazen de dertig stamleden hun eerste woord: bigí (hemel/aarde). ,,Ze begonnen onmiddellijk allemaal hard te lachen. Ik vroeg ze wat er zo leuk was. Ze zeiden dat wat ze net hadden gezegd net leek op hun woord voor `hemel'. Ik zei dat dat ook zo was, omdat het inderdaad hun woord was. Daarop zeiden de stamleden dat als dat de bedoeling was ze onmiddellijk zouden ophouden met de lessen: `wij schrijven ons taal niet op'.''

Het slechte tellen van de Pirahã is meer dan een etnografische curiositeit, het is ook theoretisch van belang, zo benadrukt Gordon. Het is een weerlegging van de breed aangehangen taalkundige stelling dat basisbegrippen uit de ene taal altijd kunnen worden vertaald in een andere, hoe omslachtig ook.

Overigens zijn volgens Everett zelfs de begrippen `een' en `twee' in de Pirahã-taal geen echte telwoorden. Eén (Hói, uitgesproken met een dalende toon) betekent in de praktijk namelijk `ongeveer een', maar kan ook `klein' betekenen. Twee (Hoí, met een stijgende toon) betekend in feite `iets meer', aldus Everett. Veel (bá) kan ook `groot' betekenen.