Een maangedicht

Er viel een blaadje uit een boek op de grond. Er stond een kort gedicht op. Ik herkende de tekst niet, maar aan het handschrift zag ik dat ik het zelf geschreven moest hebben. Ik had het `Stille nachtgedachte' genoemd, al zag ik dat ik ook een tijdlang `Een klein nachtlied' had overwogen, toespeling op het nachtmuziekje van Mozart. Waar ging het over? Iemand wordt wakker van het maanlicht in zijn slaapkamer en ligt dan even te kijken en te denken. Heel simpel. Acht regels. Geen rijm. `Naast mijn bed/ schijnt helder maanlicht,/ alsof het heeft/ gevroren op de grond.// Ik richt mij op/ en zie de heldere maan,/ ik leg mij neer/ en droom van thuis'. Een vakantievers, zou ik denken. Met een aardig, maar misschien net iets te gezocht beeld van de plas maanlicht naast het bed. Met een leuke suggestie van kou, door de halfwakkere beddeling even te laten denken dat de plas bevroren is. En met een mooie overgang, in de slotregels, in de bewegingen: eerst zich oprichten en dan weer neerliggen. Speelde daar heimwee, aan het eind?

Veel was het dan misschien niet, alles bij elkaar, maar het beviel me wel, al zeg ik het zelf. Eenvoud, lichte toets van droom, verwondering, speels opzetje. Al te badinerend en relativerend mocht ik er ook weer niet over doen. Hoe langer ik keek naar mijn handschrift, hoe zekerder ik wist dat ik deze dertig woorden niet zelf verzonnen had. Was het een gedicht van een kind, of voor een kind? Het zou van Hendrik de Vries, Willem Wilmink, of Hans en Monique Hagen kunnen zijn. Het duurde lang voordat ik het thuisgebracht had. De woorden `Cooper' en `ober!' die ik op de achterkant van het blaadje gekrabbeld vond, brachten mij bij de Engelse vertaling, door Arthur Cooper, van de gedichten van de Chinese dichter Li Po (701-762 na Chr.). Mijn kleine nachtlied was een terloopse vertaling, ooit bij het lezen vlug gemaakt en op een los blaadje genoteerd, van Coopers `Quiet night thoughts', dat zelf weer een vrije vertaling was van een uit twintig karakters bestaand origineel: `Before my bed/ there is bright moonlight/ so that it seems/ like frost on the ground:// lifting my head/ I watch the bright moon,/ lowering my head/ I dream that I'm home'.

Dat ik het ooit eerder gelezen, en zelfs vertaald had, was ik vergeten. Dat werd nog pijnljker nu ik weer las, in de toelichting, dat het ging om een van de bekendste Chinese gedichten, vooral geliefd onder Chinezen in het buitenland. Cooper voegde er aan toe dat de lezer in een restaurant wel eens aan een vriendelijke ober zou kunnen vragen het vers op te zeggen. Grote kans dat hij het zou kennen en voor zou dragen (maar vermoedelijk dan wel, zo liet hij er waarschuwend op volgen, `in his own dialect', alsof wij dat zouden kunnen horen). Daar zou nog aan toegevoegd kunnen worden dat Li Po een van de bekendste Chinese dichters was, en is, van een groot oeuvre, grotendeels onderweg geschreven, want Li Po was een rusteloos reiziger die vaak, net als in zijn kleine nachtgedachtengedicht, in vreemde kamers ver van huis ontwaakt moet zijn. De maan is vaak in zijn gedichten terug te vinden. Volgens de verhalen overleed hij toen hij in een bootje de weerspiegeling van de maan in het water trachtte te omhelzen: hij viel uit de boot en verdronk.

Daar had ik het bij kunnen laten, maar aangestoken door mijn eigen vergeetachtigheid besloot ik er nog wat meer Li Po-literatuur op na te slaan. Via een boek van sinoloog Daan Bronkhorst kwam ik erachter dat ik een `verdubbeltaler' was geweest. `Verdubbeltalen' is niet rechtstreeks uit het Chinees vertalen, maar via een andere westerse taal. Het is een lot dat veel Chinese poëzie de afgelopen eeuw noodgedwongen heeft getroffen. Het kan nog krasser: veel zogenaamde vertalingen uit het Chinees zijn vrije bewerkingen van westerse vertalingen van Chinese poëzie. Bronkhorst spreekt van verdriedubbeltalingen – die op hun beurt ook weer vertaald kunnen worden. Zo vertaalde Hélène Swarth in De Chineesche Fluit (1922) de verdichtingen die Hans Bethge, zonder Chinees te kennen, in het Duits van andere vertalingen had gemaakt. Het nachtgedicht van Li Po heette bij haar opeens `In den vreemde', en telde nu geen vier lange of acht korte regels, maar zeven brede; de twintig karakters waren vertaald met 75 lettergrepen: `'k Lag sluimerloos in 't vreemde land, daar streelde/ de witte glans der maan mijn legerstede./ Ik hief het hoofd – eerst meende ik dat het was/ de rijp der morgenscheemring, die 'k zag blinken./ Toen echter wist ik, 't was de maan, de maan./ En 'k boog het aangezicht ter aarde heen/ en zag van ver mijn eigen thuis mij wenken'.

Het is hetzelfde, maar toch anders – dat is het gevoel dat zich bij het lezen van alle vertalingen van het kleine gedicht van Li Po opdringt. Voor elk wat wils. Naast de brede impressionistische uitwaaierversie van Bethge-Swarth is er in het segment van de verdriedubbeltalingen nog een vierregelige versie van Klabund (51 lettergrepen, vijfregelig vertaald door Gaston Burssens). Günther Debon heeft een leuke middenklasser, in het Duits, met acht regels van zes lettergrepen elk. Vervolgens komen we bij de smartmodellen, van de echte sinologen. Cooper deed het in acht korte regels, met in totaal 37 lettergrepen. Idema, Van de Walle en Bronkhorst doen het allemaal in vier regels, met achtereenvolgens 38, 34 en 30 lettergrepen. Het Nederlands record ligt tot nu toe bij Jef Last, die in 1962 maar negentien lettergrepen nodig had: `Die nacht lag maanlicht/ voor mijn bed als ijs .../ Hoe schoon, die bergmaan!/ Hoe ver mijn huis!'

Hoe nu? Hoe te weten wat er in het Chinees `eigenlijk' staat? Hoe meer ik mij erin verdiepte, hoe meer vertalingen er opdoken, en hoe meer vertaalopvattingen. Is de betekenis wezenlijk? De klank? Het ritme? De karaktertekens? Daar viel natuurlijk niets definitiefs over te zeggen. Alle deskundigen beklaagden zich over de principiële onmogelijkheid van het vertalen. Intussen hadden alle deskundigen ook wel meer of minder kritiek, op zichzelf en op elkaar. Voor mijn gevoel verdween mijn kleine gedicht zo langzaam uit zicht, als een zeepbel of ballon meegevoerd op een wind van overwegingen. Het zal wel toeval zijn dat ik een paar dagen later een oude bundel van Willem Wilmink opsloeg en daar las over `de maan op zijn luchtreis', gezien door het raam, als was zij ook een zeepbel of ballon, meegevoerd door de wind. Het beeld maakte deel uit van een kort maangedicht: `Ver van mijn bed/ is de maan op zijn luchtreis/ zodat mijn vloer/ glinstert als ijs.// Kijk ik omhoog/ dan zie ik het maanlicht/ buig ik mijn hoofd/ komt mijn thuisland in zicht'. Toen pas herkende ik het als het gedicht van Li Po. Toen kon ik ook nagaan dat ik het in 1990, het jaar van verschijnen, meer dan eens aandachtig gelezen moet hebben. Kijk ik voor me, dan zie ik het maangedicht. Buig ik mijn hoofd, dan komt mijn zeef in zicht.