Dit is voor mij

In de theatermonoloog `Novecento' heeft acteur Porgy Franssen een nieuwe speelstijl gevonden. ,,Alles wat ik wil zeggen komt in deze tekst samen.''

Er staan zomerse, kleurrijke parasols in het twaalfde-eeuwse kerkje van Marsalès in de Périgord Noir, een landstreek in de Zuid-Franse Dordogne. De Nederlandse acteur Porgy Franssen speelt hier, onder de strenge romaanse gewelven en tussen robuuste muren, een theatermonoloog die Novecento heet, geschreven door de Italiaan Alessandro Baricco. De parasols dienen niet ter versiering. De streng ingerichte kerk, met slechts hier en daar een Maria- of heiligenbeeld, heeft een galmende akoestiek die door de aankleding met parasols wordt getemperd.

Porgy Franssen (Eindhoven, 1957) is een toneelspeler met een expressieve, soms hoekige motoriek. Hij kan zijn ogen groot en rond laten opglanzen. De haarlokken vallen over zijn voorhoofd. In zijn lichamelijke stijl van acteren laat hij schouders, heupen en voeten nooit onbenut. In Novecento maakt hij subtiele danspasjes als hij vindt dat de tekst wat dynamiek nodig heeft. Zijn hese, soms zelfs wat gebroken stem verraadt een grote emotionaliteit. Later zegt hij: ,,Ik ben bang voor die weerloze stem, die misschien steeds heser gaat worden. Het is een kwaal die in de familie zit. De helft van mijn broers en zusters heeft er last van.'' Franssen komt uit een kinderrijk en artistiek aangelegd Brabants gezin, waarin elk kind wel een instrument bespeelt. Zijn moeder is pianiste, zijn vader bedrijfsarts met de roeping van acteur. Franssens tweelingzus heet Bess, zij is harpiste. Oorspronkelijk heten zij Bernadette en Karel, maar hun ouders wilden graag in de naam van hun tweeling een muzikale hartstocht laten meeklinken. Vader Franssen streepte op de geboortekaartjes de Hollandse namen door en verving die, handgeschreven, door Porgy en Bess.

Tijdens de tournee met Wie vermoordde Mary Rogers?, een van de mooiste muziektheaterproducties van het gezelschap Orkater waartoe Franssen behoort, ontdekte hij bij de plaatselijke V&D een klein boekje dat Novecento heet, een titel die overigens niets heeft te maken met de gelijknamige, beroemde film van Bernardo Bertolucci. In de bus begon hij te lezen en hij wist meteen: dit ga ik spelen. Hij begon de tekst uit zijn hoofd te leren, want alleen als de tekstkennis `volmaakt is', kan Porgy Franssen spelen. ,,Het is enkele jaren geleden, maar ik herinner me nog goed de eerste kennismaking met het boekje'', vertelt hij in een beschaduwde hoek op het kerkhof van Marsalès. De stille plek heet `Jardin des Souvenirs'. ,,In de toelichting op Novecento schrijft Baricco: `Ik heb deze tekst geschreven voor een acteur'. Meteen raakte ik gegrepen, ik kan niet meer zo goed zeggen waarom. Alles wat ik wil zeggen komt in deze tekst samen: het acteren, de passie voor muziek, de angst voor de grote buitenwereld. De theatervoorstelling ging in 1994 op het festival van Asti in Noord-Italië in première. Baricco vertelt het onwaarschijnlijke verhaal van een pasgeboren kind, een vondeling op het stoomschip Virginian. Het kind zal het schip nooit verlaten, van vroeg af aan speelt het piano en betovert daarmee de passagiers. Nu ben ik zowel acteur als muzikant, ik speel trompet, dus de vondst van de monoloog gaf me het idee uitverkoren te zijn. Ik las het stiekem in een hoekje van de bus, borg het na lezing diep weg in mijn binnenzak met de gedachte: `Dit is voor mij.'''

Franssen grijnst triomfantelijk met iets van spotlust in zijn ogen. Het is een gezichtsuitdrukking die tienduizenden Nederlandse kijkers kennen van zijn optreden in de televisieserie Bij nader inzien (1991) van Frans Weisz naar de roman van J.J. Voskuil. Franssen ontving voor zijn rol als Paul de Hoes, de jennerige, studentikoze vriend van hoofdpersoon Maarten Koning, een Gouden Kalf. ,,Het geheim van die film is de jongensvriendschap, de band tussen vier studenten'', zegt hij. ,,Voor de kijker leek het of die vriendschap op de set ontstond, en in zekere zin was dat ook zo. Jeroen Willems, Rik Launspach, Geert Lageveen en ik kenden elkaar nauwelijks, we repeteerden vaak kort. 's Morgens een scène doornemen, licht goed neerzetten en dan meteen voor de camera. Het was fictieve vriendschap die oprecht leek. Ik kan er nog heimwee naar hebben, net als naar Wie vermoordde Mary Rogers? Soms komt alles perfect samen en wil je eigenlijk niets anders dan weer terug naar dat moment. Zou dat niet voor iedereen gelden? Terugkeren naar een geluksmoment van vroeger? Voor Bij nader inzien gold dat het prachtige scenario van Jan Blokker en bij Wie vermoordde Mary Rogers? was dat het verrassende samenspel met Gijs Scholten van Aschat en Peter Blok in de regie van Willem van de Sande Bakhuysen. Dat waren de hoogtepunten in mijn leven als acteur.''

Chips

Porgy Franssen ging op zijn zeventiende naar de Toneelschool van Maastricht, hoewel ook het conservatorium hoog op zijn verlanglijst stond. De toneelschool leek de meest vanzelfsprekende keuze. Thuis kregen de gezinsleden van hun vader elke zaterdagavond improvisatie-opdrachten; flessen cola kwamen op tafel, er waren chips. Ze vormden een zangkoor dat `De Hollandse Franssen' heette en traden op in bejaardenhuizen en gestichten. Met zijn broer Hein, de accordeonist, trad trompettist Porgy op als straatmuzikant in Frankrijk. Ze verdienden er goed geld mee. Kort na de toneelschool kreeg Franssen aanbiedingen als `jeune premier' bij gesubsidieerde gezelschappen als Theater uit Arnhem, De Appel uit Scheveningen en het Nationale Toneel in Den Haag.

Toch was hij lange tijd diep ongelukkig: ,,Het was verschrikkelijk om in het begin van de jaren tachtig verbonden te zijn aan het van overheidswege ondersteunde toneel. Bij Theater speelden we stukken als De voetwassing van Lessing...'' Na een korte stilte vraagt hij zich verbaasd af: ,,Bestaat dat eigenlijk wel?'' Dan gaat hij verder: ,,In de zaal zat de regisseur diep bedroefd te kijken naar zijn zoveelste mislukking. Aan Theater waren spelers verbonden die eigenlijk ontslagen waren vanwege gebrek aan talent, en ook omdat er een noodzakelijke verfrissing nodig was. Maar die spelers wonnen een proces en konden weer optreden. Dat is natuurlijk de dood voor elk artistiek niveau. Ik kon wel huilen, ik zat jankend in de bus en wist niet wat ik toch deed aan het toneel. Het was zo anders dan ik me had voorgesteld. Toen we thuis met de broers en zussen improviseerden, had ik het idee vol te stromen. Ik had volop contact met de wereld. Die vaardigheid raakte ik aan het beroepstoneel kwijt. Ik was een dromerige vis in het aquarium, veel te beschermd opgevoed. Nu werd ik die voorstellingen in gepleurd.''

In het verleden heeft Franssen zich weleens vol onvrede uitgelaten over het toneel. In interviews gaf hij te kennen dat lang applaus hem niet zinde, want hij wilde het liefst meteen naar huis. Ook de reisverplichting was hem een doorn in het oog. Elke keer de bus in, de hele dag aan scherven en dan 's nachts weer terug. Een slopend bestaan. Hij zegt, terugblikkend op die tijd: ,,In Nederland lijken alle steden op elkaar. Je weet niet of je in Meppel staat, Goes of Coevorden. Ik miste de kicks in mijn leven. Daar ben ik altijd naar op zoek. Ik ben geen intellectueel, heb havo gedaan en ben eerder een doener. Ik houd van zweefvliegen, diepzeeduiken, motorrijden en parachutespringen. Gevaarlijke dingen die me de sensatie geven echt te bestaan. Toen ik vijfentwintig jaar geleden van de toneelschool kwam, wist ik niet wat me te wachten stond. Als iemand me toen had voorspeld dat ik na twaalf jaar een eigen regie zou gaan doen, zoals bijvoorbeeld onlangs van Herfst in Riga, dan was ik van de brug in de Maas gesprongen. Had iemand anders me verteld dat ik een dertiendelige televisieserie met Rijk de Gooijer zou maken, In voor- en tegenspoed, dan was ik opnieuw van die brug gesprongen verzwaard met stenen.''

Franssen ontving twee nominaties voor de Louis d'Or, de hoogste toneelbekroning, en werd in 1998 onderscheiden met de Mary Dresselhuys-prijs voor zijn `veelzijdige creativiteit en inzet voor het theater'. Hij schitterde in rollen in het Amsterdamse Bos, zoals Petruccio in De getemde feeks, Falstaff in Henry IV en de burleske rechter Azdak uit Brechts De Kaukasische krijtkring. Ook vertolkte hij de rol van de oude, verdwaasde Shakespeare-acteur in het befaamde, verfilmde toneelstuk The Dresser van Ronald Harwood. Twee jaar geleden was hij de spetterende aangever Micky in de melancholiek getoonzette muziektheatervoorstelling The Prefab Four over de kunstmatige popgroep The Monkees. Filmervaring deed hij op in De ziener van Simon Vestdijk.

Schuur

Het optreden in de romaanse kerk is niet de eerste keer dat Franssen Novecento speelt. Afgelopen zomer bracht hij de eerste reeks uit tijdens het Oerol Theaterfestival op Terschelling. Hij stond in een boerenschuur, lichte regenjas aan. De intiem, zelfs gevoelig gespeelde uitvoering was een verrassing voor wie Franssen in eerdere, fel-expressieve of dwaas-komische rollen heeft gezien. Het leek of daar een andere Porgy Franssen stond, net zoals hij tijdens het gesprek in Zuid-Frankrijk een andere persoonlijkheid laat zien dan waarmee hij zich vroeger aan de buitenwereld toonde. Verdwenen is de wat ontevreden, kwajongensachtige toon. Hij zegt: ,,Het theater is heilige grond die je alleen mag betreden als je bereid bent onder stroom te staan. Toen me gevraagd werd de rol van Petruccio te spelen, de man die Katherine, de jonge feeks uit Shakespeares stuk, moet temmen, wilde ik aanvankelijk weigeren. Ik ben beslist geen macho die een vrouw kan dresseren. Toch lukte het me. Ik gebruikte een nieuw palet van verstilling, emotionaliteit, terughoudendheid. De vreemde ervaring was dat ik met die ingetogen stijl het wezen van Petruccio beter kon benaderen.''

In de jaren dat hij verbonden was aan de grote zaal kwam het kleine-zaalcircuit op.

De grote doorbraak voor Porgy Franssen was Mensch Maier van Franz Xaver Kroetz in het seizoen 1982-'83. De regisseur van het stuk, René Lobo, is zijn redding geweest. Franssen: ,,Hij leerde me dat je emoties, de ziel van je spel en de energie bij niemand anders dan bij jezelf moet zoeken. Hij brak iets in mij open. De tekst die je zegt moet afketsen op de bodem van je hart. Dan bereik je het publiek en kun je ontroering doorgeven. Ik leerde dat het aan mij is of ik een seconde stilte neem voordat ik een zin uitspreek of drie seconden. Dat kan een wereld van verschil uitmaken.'' Van Lobo leerde hij ook een speelstijl die zowel verstild als heftig is. Hij herinnert zich dat de regisseur met zijn mond op tien centimeter afstand van zijn gezicht stond en hem toeschreeuwde: ,,Jij houdt van dat meisje!'' Dat was hem in het grote zaal-toneel nooit eerder overkomen. Franssen zegt met iets van de aloude wrok in zijn stem: ,,Ik ben sindsdien allergisch geworden voor veel acteurs in vrije producties. Die spelen toneel alsof het helemaal niet moeilijk is, zo, met de handen in de zak. Ik vraag me dan af: `Wat doe jij toch, die ene avond in Doetinchem en daarna weer in Groningen? Wil je soms niet thuis zijn?' Tegelijk weet ik ook dat het de realiteit van het spelen is dat je wel op reis moet. Toneelkunst is meer dan welke kunst ook een gebonden vorm waarin je tegelijk streeft naar de grootst mogelijke vrijheid. Die tegenstelling is vaak verstikkend. Om kwart over acht moet je op, al sta je met bonkend hart tussen de coulissen. Je kunt niet zeggen: `Geef me nog even vijf minuten.' Het publiek zit er, wachtend op jou. Ik stel me vaak voor hoe dat gaat: mensen besluiten naar een voorstelling te gaan. Ze eten samen, betalen de kaartjes, maken misschien ruzie wie na afloop wel of niet mag drinken want wie weet komen ze met de auto. Dan gaan ze de zaal in, dat verdomde doek gaat open, de theaterlichten gaan aan.

,,Tot de fundamentele onzekerheid van het acteren behoort de angst het slechter te doen dan de avond ervoor. Het is een eeuwig gevecht met de herinnering aan die ene keer dat het goed ging, dat de vonken oversprongen, al het andere overheerst. Goed acteren is volledige vrijheid, alsof je een zweefvliegtuig bent dat losknapt van de lier. Acteren moet zo helder, transparant en eenvoudig mogelijk gebeuren. Het vreemde is dat weinig spelers dat simpele bereiken. Ik begeleid studenten aan de Amsterdamse Toneelschool. Zo vaak constateer ik ruis, dat ze van alles uithalen dat niets met de rol te maken heeft. Als een acteur in uiterste simpelheid kan zeggen: `Mooi weer vandaag', dan mag hij van mij door naar de volgende ronde.''

Paardrijden

Speelde Franssen Novecento op Terschelling in de schuur van Cupido's camping, deze avond in augustus brengt hij de monoloog op een kampeerterrein, dat van Lac de Veronne bij Monpazier. Hier wordt veel aan kunst gedaan. In het nabijgelegen kerkje van Marsalès treedt niet alleen Franssen op, maar er komen ook strijkorkesten. Broer Hein Franssen begeleidde er op zijn accordeon kinderen in musicals en zo is Porgy, gevraagd om iets aan de regie te doen, er terechtgekomen. Zijn vriendin Sofie rijdt paard en een naamgenote, studente aan het Conservatorium in Den Haag, zingt 's avonds een song uit Miss Saigon.

Regisseur Dirk Groeneveld streeft abstractie na en Franssen zuivere eenvoud. Op die augustusavond staat Franssen aan de rand van het kampeerterrein op een open plek in het bos. De laagstaande zon brandt als een schijnwerper in zijn gezicht. Hij komt in lange jas op tussen de bomen. De wind waait bijna de woorden weg, maar dat hoort erbij. Straks treedt hij met de toneelvertelling op in kleine theaterzalen overal in Nederland met een door Groeneveld bedacht decor achter hem waarop verglijdende kleuren zeeën, luchten en wolken aanduiden.

Het fictieve verhaal over de vondeling, die Novecento heet omdat hij in 1900 ter wereld kwam, gaat in wezen over de samenwerking tussen twee muzikanten. Trompettist Tim Tooney is de verteller. Wonderpianist Novecento is nooit van boord van het schip de Virginian geweest, officieel bestaat hij eigenlijk helemaal niet. Op de oceanen van de wereld speelt hij op geniale wijze jazz, ragtime en ook nooit eerder gecomponeerde muziek. Totdat er opeens een wending in zijn leven komt: hij wil rond zijn dertigste tóch naar het vasteland. In de haven van New York gaat hij op de loopplank staan, voet voor voet volgt hij de treden. Dan deinst hij terug. De wereld met zijn grootsheid aan wolkenkrabbers, wegen, mensen, vrouwen overweldigt hem. De beslotenheid van het schip van boeg tot achtersteven en de overzichtelijkheid van de piano met zijn 88 toetsen hebben hem voorgoed gevormd – en hem bang gemaakt voor de overvloed van het leven. Barricco schrijft en Porgy Franssen zegt met beheerste en ook verweesde stem: ,,Jezus, zag je al die wegen, het waren er duizenden, hoe krijgen jullie het daarginds voor elkaar om er één te kiezen, om één vrouw te kiezen.''

Na afloop zegt Porgy Franssen dat er een passage is waaraan hij telkens twijfelt, namelijk het cruciale moment: waarom wil Novecento opeens van het schip? Franssen zegt: ,,De auteur voert opeens een boer op, een boer met een beroerd leven, ook dat nog, die tegenover Novecento de loftrompet steekt over de zee. Maar ook dat is een vreemd ogenblik. Misschien moet ik het wel weglaten, van die boer. Voor mij gaat Novecento over de vriendschap tussen de trompettist en de pianist. De eerste voelt zich verraden door de pianist, die het scheepsbestaan plots dreigt te verlaten. Dat is de jongensvriendschap die ik herken uit Bij nader inzien. Als je samenwerkt heb je een diepe band, lijkt de vriendschap werkelijk. Maar op de laatste draaidag is iedereen al met zijn gedachten bij morgen en gaan we onze eigen gang.''

Novecento - pianist der oceanen door Orkater. Spel: Porgy Franssen. Première: 27/8 Nieuwe de la Mar Theater, Amsterdam. Tournee t/m 6/11. Inl.: 020-5305301; www.orakter.nl.

Ook: Uitmarkt Amsterdam, De Verleiding, 28/8 Nieuwe de la Mar Theater, 12u en 19u.

Allessandro Baricco: Novecento. Vert. Manon Smits. Uitg. De Geus, 95 blz. Prijs €9,95.