De beesten maken alles stuk

In een serie over heruitgegeven klassieken deze week Tennessee Williams' `Het glazen meisje' (vertaald door Peter Abelsen. Contact, 191 blz. euro 19,90)

In zijn inleiding bij Het glazen huis, een bundel met veertien verhalen van Tennessee Williams, stelt Nanne Tepper dat Williams een vergeten schrijver is die alleen vaag wordt herinnerd als bedenker van de films A Streetcar Named Desire en Cat on a Hot Tin Roof. Blijkbaar gaat Tepper nooit naar het theater, want anders had hij geweten dat Williams een nog altijd veelgespeelde toneelschrijver is, algemeen erkend als een van de grote drie van het Amerikaanse drama, naast Eugene O'Neill en Arthur Miller.

Als verhalenschrijver echter, op dat punt heeft Tepper wel gelijk, is Williams onbekend. Toch schreef hij in zijn leven zestig verhalen, bijna allemaal verzameld in Collected Stories uit 1988, met een voorwoord van zijn vileine vriend Gore Vidal. Het glazen huis, uitstekend vertaald door Peter Abelsen, is onlangs verschenen in de Amerikaanse Bibliotheek van uitgeverij Contact.

Het leven van Thomas Lanier Williams (1911-1983) werd getekend door drank, pillen en depressies. Hij was homoseksueel in een tijd waarin dat iemand in de Verenigde Staten grote problemen opleverde. Zijn jeugd in het verarmde, door racisme en onverwerkte nederlagen verknipte Zuiden werd getekend door armoede en huiselijk geweld. Zijn grote successen had hij in de jaren veertig en vijftig. Vanaf begin jaren zestig werd zijn werk minder interessant. Na de dood van zijn levensgezel Frank Merlo in 1961 raakte Williams in een jarenlange depressie. In 1983 stikte hij in een pillendoosdeksel. Volgens sommige bronnen was het een flessendop. Volgens zijn broer Dakin werd hij vermoord.

Veel kenmerken van de drama's uit zijn persoonlijk leven zijn in verhevigde en meer expliciete vorm aanwezig in zijn verhalen: in Williams' zuidelijke steden heerst eeuwig de bedwelmende hitte, de broeierige sfeer waarin de dierlijke lusten van mensen moeilijk te onderdrukken zijn, seks, geweld, sadomasochisme en homoseksualiteit, het liefst in een dodelijke combinatie. Williams laat zich in zijn verhalen kennen als de meest duistere en seksbeluste schrijver in de Southern Gothic traditie. Zijn personages zijn vaak gevoelige vrouwen en homo's die ten onder gaan in een harde wereld, vaak door tegen een meedogenloze jongen aan te lopen; bloedmooie, wrede beestmensen à la Stanley Kowalski in A streetcar named Desire (1947). De gevoeligen zoeken bevrijding maar vinden alleen maar meer pijn en vernedering. Decadentie versus het primitieve. Gedegenereerde cultuur versus gezonde, harde natuur. Individu tegen maatschappij. Biografisch gezien is Williams' beestmens gemakkelijk terug te voeren op zijn vader, een gefrustreerde schoenenhandelaar die zijn kinderen sloeg. Het type van de sensitieve vrouw is te herleiden naar Williams' moeder, een verwende Southern belle. De gevoelige homo in zijn werk is meestal een verkapt zelfportret.

Wat de duistere roes betreft gaat Williams het verste in het verhaal `Begeerte en de zwarte masseur', waarin een zwarte masseur een merkwaardige relatie aangaat met een blanke kantoorklerk: tot wederzijds genoegen martelt hij hem dood en eet hij hem op. Doorgaans zijn Williams' beestmensen blank; door hem in dit verhaal zwart te maken legt hij een onaangenaam verband met het racistische stereotype van de primitieve, gevaarlijke zwarte zoals die in het Zuiden leeft. Dat Williams' beestmensen vaak arbeiders zijn, berust natuurlijk ook op een stereotype.

Sommige verhalen zijn directe voorlopers van zijn toneelwerk. `Zevenentwintig wagons vol katoen', `De nacht van de leguaan', `Het glazen meisje', en `Het aardse koninkrijk' zijn voorstudies voor de gelijknamige toneelstukken. Williams stipt in de verhalen de thema's aan die hij in zijn drama verder uitwerkt. Vaak lijken ze daarom samenvattingen van de toneelstukken. Maar het ruwe, beknopte heeft ook een voordeel: de verhalen hebben niet het symboolzware, uitleggerige tevéél van Williams' theaterwerk.

Het glazen meisje, basis voor The Glass Menagerie (1945), is in dit verband het interessantste, ook als schakel tussen toneelstuk en Williams' biografie. In verhaal en toneelstuk portretteert hij een gevoelig, in zichzelf gekeerd zusje dat onder zware druk van haar dominante moeder aan een volkse jongen wordt gekoppeld. De personages lijken sprekend op Williams' eigen familieleden. Hij had een zonderling zusje, Rose, die een zenuwinzinking kreeg na door haar vader te zijn aangerand (zo beleefde zij het in ieder geval), waarna haar ouders toestemming gaven voor lobotomie, het verwijderen van een stukje hersens. Volgens Williams was het lot van zijn gevoelige zus – vernietiging van haar individualiteit – van groot belang voor zijn schrijverschap.

In zowel het verhaal als het toneelstuk (en de film) verzamelt het meisje op haar kamer glazen beeldjes; symbool voor een fragiele, transparante, schone binnenwereld. In het verhaal krijgt de verzameling slechts tien regels, in het drama speelt het glas een prominente rol. Na het vertrek van de beoogde vrijer van de zus dooft het verhaal als een nachtkaars. Het drama kent een veel duidelijker climax; de broer slaat de beeldjes kapot.

Nog sterker dan in zijn dramawerk schreef Williams zijn verhalen in een bonte, lyrische stijl die mooi contrasteert met de groezelige ellende. Dat de `miskende' Williams als verhalenschrijver een plaats naast Willam Faulkner verdient, zoals Nanne Tepper beweert, lijkt me overdreven. Maar buitengewoon zijn de rauwe, obsessieve verhalen zeker.