Dat het nergens naar toe gaat

De achtentwintig gedichten in het dunne bundeltje Fietser naar niets van Ad Zuiderent vertonen een opmerkelijke thematische en stilistische eenheid: ze zijn eigenlijk allemaal hetzelfde. De dichter zal ongetwijfeld de bedoeling hebben gehad een boeiend palet van verscheidene klanken, kleuren en onderwerpen bijeen te brengen, maar na lectuur van de bundel als geheel moet je vaststellen dat de afzonderlijke gedichten niet als zelfstandige kunstwerken in je geheugen staan gebrand.

Dit heeft twee oorzaken.

Ten eerste begint het vrij snel op te vallen dat de dichter zich bedient van een aantal vaste patronen en stramienen. Het is niet moeilijk uit deze gedichten het recept te destilleren voor het typische Zuiderentgedicht. Het bevat de volgende ingrediënten. Om te beginnen wordt erin gefietst. Wellicht in samenhang hiermee, is het van belang te refereren aan het onontgonnen Hollandse landschap. Maar dat landschap beschrijf je niet zozeer, je laat namen vallen, waarbij je de keuze hebt uit Dordt, de Zinkweg, Leimuiden, Ouderkerk, Nes, Uithoorn, Vrouwenakker, de Drecht, het Braassemer meer, de Gruttoweg in Diemen, de Langeraarse plassen en nog zo wat idyllische oorden. In ieder geval moet er veel water in het gedicht.

Een ander onontbeerlijk ingediënt is een verwijzing naar salonfähig cultuurgoed. Ook hier is het voldoende namen te laten vallen, bijvoorbeeld Messiaen, de Comedian Harmonists, Nijhoff, Debussy, Edmondo de Amicis, Rob Schouten, Les Murray of Erasmus. Omdat het er voornamelijk om te doen is de gedichten te kruiden met eruditie, is het niet noodzakelijk dat deze kunstenaars al te veel relevantie hebben voor het gedicht waarin ze worden genoemd. Een zeer cruciaal onderdeel van het typische Zuiderentgedicht zijn de relativerende tussenzinnetjes, zoals: `Ja, en nu?', `Maakt het uit', `En?...', `Wat wil je', `Zoiets', `Ja, dat zal wel', `Dus wat wil je', `Zoiets was het.' Deze frasen dienen ertoe het gedicht een zweem van diepzinnigheid te geven. Ze geven het gedicht iets prettig ongeveers en suggereren dat de dichter over het een en ander heeft nagedacht.

Dit alles dient te worden gecombineerd met een accumulatieve stijl, die op het eerste gezicht een virtuoze indruk wekt, omdat heel erg lange zinnen over de versregels zijn uitgesmeerd, gearticuleerd door een ware overdaad aan leestekens, maar die bij nadere beschouwing voornamelijk opsommend is. Zuiderent heeft een voorkeur voor de zogenaamde `dat-zinnen', een typische dichterstruc. Dat je een zin begint met `dat' zonder de hoofdzin te geven. Dat je naar Bommel gaat om de brug te zien. Dat je een god bent in het diepst van je gedachten. Dat je op deze manier kunstmatige onzekerheid creëert over de status van je uitspraken, wat reuze-dichterlijk is. Tenslotte vertoont het Zuiderentgedicht een grote voorkeur voor cyclische structuren. De titelreeks van de bundel begint met `weg.' en eindigt vele pagina's later met `Man, ga toch', zonder punt uiteraard.

De tweede reden waarom al deze gedichten op elkaar lijken, is dat ze allemaal over hetzelfde gaan, namelijk nergens over, zoals de titel van de bundel terecht suggereert. Dat hoeft op zich geen probleem te zijn, als de gedichten maar wel glorieus flamboyant nergens over zouden gaan, in een zinderende stijl vol klotsende beelden. Maar wat Zuiderent biedt, is een soort intellectualistisch gedub en getwijfel dat in een volslagen vlakke stijl wordt geregistreerd: `Het was niet niets, het was / afwezigheid van iets, zoiets was het', luidt de conclusie van een cyclus van elf gedichten over Pinksteren. Het is om van te gaan schoppen uit pure ergernis. Laat hij ons eerst elf gedichten lang mijmerend over Murray en Erasmus door godverlaten polders fietsen en wat schieten we ermee op? De tijd dat dichters de handen nog op elkaar kregen voor dit soort interessantdoenerig minimalisme ligt al een paar decennia achter ons, zo die tijd er ooit is geweest. `Alleen wat in je opkomt, schrijf dat op.' Het klinkt zeer wel doordacht, maar het is nonsens, dat je je bij het schrijven zou moeten beperken tot wat in je opkomt. Iets schrijven wat niet in je opkomt, dat zou pas wat zijn.

Wat voor Zuiderent pleit, is dat hij zich ervan bewust is dat hij in feite niets te melden heeft. Hij formuleert zijn poëtica als volgt: `Of het stoort? Maakt het uit. Je wist wel / ik wil geen fixatie, geen statement / dan in het gedicht dat geen hand / uitsteekt, maar vanzelf in een richting, / fietser naar niets.' Zo is het precies. Dit is poëzie die niets wil en nergens naartoe op weg is. En dat is precies ook het belangrijkste euvel van deze gedichten: ze zijn niet alleen het product van een poseur die niets te melden heeft, maar ontberen daarenboven elke urgentie. Ze zijn zonder enig ander doel geschreven dan dat de dichter, om zichzelf dichter te mogen noemen, af en toe iets moet schrijven dat er van een afstandje uitziet als een gedicht.

Ad Zuiderent: Fietser naar niets. Querido, 48 blz. €16,95