Dan maar praten over asperges

Rachel Seiffert (Oxford, 1971) houdt niet van overbodige woorden. ,,De bijvoeglijke naamwoorden gaan er als eerste uit'', zei ze ooit in een interview. En ze worden op de voet gevolgd door het bijwoord, het persoonlijk voornaamwoord en het werkwoord. `Zomer en de derde dag van Martins veldwerk,' luidt bijvoorbeeld de openingszin van Veldwerk, Seifferts tweede boek en de opvolger van The Dark Room (2001), waarmee ze de shortlist van de Booker Prize haalde.

Je zou de verhalen die bijeengebracht zijn in Veldwerk bijna schouderophalend aan je voorbij laten gaan. Veel spectaculairs gebeurt er niet. Een gezinnetje gaat verhuizen, maar zoonlief reageert zo stuurs, dat vader en moeder overwegen het project af te blazen. Een moeder weet niet wat ze met haar spijbelende dochter aan moet vangen. Een architect verliest zijn baan en durft dat niet aan zijn vader te vertellen. Maar het is de merkwaardig precieze, kortgewiekte, uitgeklede, antisentimentele telegramstijl van Rachel Seiffert die beklijft. Alsof ze met een grasmaaier over haar al zinnen is gegaan, totdat er een ding overblijft: de uitgeklede emotie die ten grondslag ligt aan het verhaal. Een mengeling van schaamte en schuld, dat is de emotie waar Seiffert literair `veldwerk' naar doet. Die emotie blijft ook lang na het lezen van een verhaal voelbaar, en het geeft deze verbluffend mooie bundel eenheid.

Het titelverhaal `Veldwerk' gaat over de jonge onderzoeker Martin. Hij neemt proeven op een onbepaalde locatie in het oosten, waar het water misschien vervuild is omdat er een chemische fabriek staat. Hij ziet een vrouw en haar zoon spelen in het water en wil hen waarschuwen. De vrouw, Ewa, denkt dat hij haar probeert te versieren en dat maakt hem boos. Wanneer het tot haar doordringt dat hij haar probeerde te waarschuwen, nodigt ze hem uit om te komen eten. Dan valt hij voor haar charme, en probeert hij haar aan te raken. Ze lacht en wijst hem af. De uitslag van de testen komen, het water blijkt schoon. Martin vertrekt, en daar eindigt het verhaal: met Martins rode wangen van schaamte, terwijl hij de grens passeert.

Omdat veel verhalen zich op een niet nader bepaalde locatie afspelen, en omdat personages geen namen krijgen, maar gewoon `vader', `moeder' of `zoon' heten, ligt er een suggestie van algemeenheid in de verhalen besloten. De personages worden in de eerste plaats gedefinieerd door hun positie in de familie en door een gevoel van `dislocatie', het gevoel niet ergens thuis horen en hun zoektocht naar de plek waar ze wel een thuis kunnen vinden. In een van de beste verhalen, `Dimitroff', keert Seiffert terug naar het thema uit The Dark Room. Die roman bestond uit drie novellen over drie gewone Duitsers die worstelen met hun ambivalente gevoelens van `Duits-zijn' na de Tweede Wereldoorlog. Hannah probeert te begrijpen waarom haar man zijn vader niet meer wil zien en hem een `bijkomstigheid' in zijn leven noemt. Het enige wat ze van hem weet is dat hij communist is, en dat hij, volgens haar man, na de val van de Muur hardnekkig aan zijn idealen is blijven vasthouden. Hannah slaagt erin haar man over te halen hem in Berlijn op te zoeken. Met haar schoonvader bezoekt ze Berlijn, en tot haar verbazing haalt hij op de Danziger Strasse een straatnaambordje van karton uit zijn tas waarmee hij demonstratief onder het naambord gaat staan: Dimitroff Strasse, de Oost-Duitse naam van de straat, die sinds 1995 weer Danziger Strasse heet. Hannah aanschouwt de woedende reacties in de omgeving, voelt zich buitengesloten van de geschiedenis, schaamt zich, maar is ook opgelucht: ze is `niet Duits'.

Mooi en ontroerend is ook het slotverhaal `Tweede keus' dat opnieuw gaat over de Poolse Ewa en haar zoon Jacek. Jaceks vader vertrok op een dag zomaar naar Berlijn voor een betere toekomst, en liet nooit meer iets van zich horen; Ewa, die de kost verdient met asperges steken, probeert de vader van haar zoon op te sporen. Ze vindt hem en ze gaan uit eten. Het gesprek dat volgt, verloopt stroef en geeft blijk van het onvermogen van twee mensen om met elkaar te communiceren. Ze praten over eten. Ewa bestelt asperges. `Ik steek al weken asperges, ik wil ze wel eens eten.' Samen met het eerste verhaal vormt het een miniroman.

Seiffert heeft meer dan eens te kennen gegeven dat schrijven niet haar roeping is. Als ze schrijft wil ze `woorden eruit halen', meer nog dan `iets op papier zetten'. Bovendien wil ze niet in het middelpunt van de aandacht staan en ambieert ze een baan als leraar op een middelbare school. Om die reden is ze in de Britse pers getypeerd als een `unwriterly writer'. Maar of ze wil of niet, de aandacht richt zich terecht op haar: in 2003 stond ze op prestigieuze Granta-lijst van beste schrijvers onder de veertig. En met Veldwerk bewijst Seiffert opnieuw dat ze een bijzondere, eigen stem in de Britse literatuur heeft.

Rachel Seiffert: Field Study. Pantheon, 224 p. €16,99. Vertaald door Mea Flothuis als Veldwerk, De Arbeiderspers, 179 blz. €16,95