Afrikaanse kunst

De idées reçues over autonomie en conceptualisme van de kunst behoren tot de waandenkbeelden van het modernisme. Eigenlijk begon de ware westerse kunst niet bij Giotto, maar pas bij Marcel Duchamp of beter nog bij Andy Warhol of Joseph Beuys. Nu wijst Pieter Kottman (Cultureel Supplement, 6 augustus) in zijn interessante artikel over hedendaagse Afrikaanse kunst op een ontwikkeling waarbij de niet-westerse kunst zich – in museale context – meer en meer aan het bevrijden is van haar `exotisme' en haar plaats als `l'art pour l'art'-kunst begint in te nemen op de westerse podia. Nog afgezien van het feit dat veel Afrikaanse kunstenaars al jaren in New York, Parijs of Amsterdam wonen en doorkneed zijn in alle westerse artistieke canons en de zwarte gaten daarvan (dat wil zeggen: de prikkelende charme van een aan de westerse smaak aangepast exotisme) tot in alle uithoeken hebben verkend, denkt ook Kottman dat kunst pas kunst is als ze nergens naar verwijst. Zijn artikel draagt als titel: `Uit een aparte la' en wil de veranderende houding van het westen ten opzichte van de kunst achter de eigen horizon onder de aandacht brengen. Onbedoeld bracht het mij echter juist aan het twijfelen over die zogenaamd veranderende houding. Want wat Kottman eufemistisch `De moderne opvattingen' noemt (namelijk die van autonomie en conceptualisme) zijn niet anders dan recente westerse opvattingen, die pas op de voorgrond traden in een fase waarin de westerse kunst volop in crisis belandde en gretig op zoek ging naar nieuwe impulsen. Voorlopig blijf ik die museale belangstelling voor `exotica' dus maar beschouwen als een uit armoede geboren consumentisme of als een vaderlijke vorm van McDonald-imperialisme of nog gewoner als snobisme.