Het nieuws van 20 augustus 2004

Negorij

Na twee weken heb ik eindelijk een bezoek gebracht aan het olympisch dorp, waar de sporters verblijven. Nou ja bezoek, als verslaggever mag je met een speciale gastenkaart die je krijgt uitgereikt tegen inlevering van je accreditatie, in de internationale zone verblijven. In het dorp zelf kom je niet, tenzij je bent uitgenodigd door het olympisch comité van jouw land. Het bezoek stemde mij niet vrolijk en ik vroeg me af of de sporters het er wel naar hun zin hebben. Ze zeggen altijd van wel, maar mij bekroop het gevoel dat je het bungalowpark na twee weken wel kruipend wilt verlaten. Het dorp ligt in the middle of nowhere met als gevolg dat het zonder auto met vereiste accreditatie een logistieke onderneming is om er te komen. Het grote hek en de bewaking geven je eerder het gevoel in een kazerne in plaats van een levendig dorp te verblijven. Al wandelend door de internationale zone, waar je naast de kapper ook een bloemist aantreft, probeerde ik in de huid van een sporter te kruipen. Als ik drie weken werd opgesloten in dit dorp zou ik me doodongelukkig voelen. De Griekse sfeer is ver te zoeken en zou je die willen opsnuiven dan is er geen metrostation in de buurt en moet je met de auto een half uur rijden om het stadscentrum te bereiken. Even een wandelingetje maken is er niet bij, net zo min als een terrasje pikken in Athene. Als ik deelnemer aan de Spelen zou zijn, wilde ik dagelijks de Akropolis kunnen zien en niet ergens in de negorij worden weggestopt. Dat doe je nog niet met zwerfhonden, laat staan met atleten.

Afrikaanse kunst

De idées reçues over autonomie en conceptualisme van de kunst behoren tot de waandenkbeelden van het modernisme. Eigenlijk begon de ware westerse kunst niet bij Giotto, maar pas bij Marcel Duchamp of beter nog bij Andy Warhol of Joseph Beuys. Nu wijst Pieter Kottman (Cultureel Supplement, 6 augustus) in zijn interessante artikel over hedendaagse Afrikaanse kunst op een ontwikkeling waarbij de niet-westerse kunst zich – in museale context – meer en meer aan het bevrijden is van haar `exotisme' en haar plaats als `l'art pour l'art'-kunst begint in te nemen op de westerse podia. Nog afgezien van het feit dat veel Afrikaanse kunstenaars al jaren in New York, Parijs of Amsterdam wonen en doorkneed zijn in alle westerse artistieke canons en de zwarte gaten daarvan (dat wil zeggen: de prikkelende charme van een aan de westerse smaak aangepast exotisme) tot in alle uithoeken hebben verkend, denkt ook Kottman dat kunst pas kunst is als ze nergens naar verwijst. Zijn artikel draagt als titel: `Uit een aparte la' en wil de veranderende houding van het westen ten opzichte van de kunst achter de eigen horizon onder de aandacht brengen. Onbedoeld bracht het mij echter juist aan het twijfelen over die zogenaamd veranderende houding. Want wat Kottman eufemistisch `De moderne opvattingen' noemt (namelijk die van autonomie en conceptualisme) zijn niet anders dan recente westerse opvattingen, die pas op de voorgrond traden in een fase waarin de westerse kunst volop in crisis belandde en gretig op zoek ging naar nieuwe impulsen. Voorlopig blijf ik die museale belangstelling voor `exotica' dus maar beschouwen als een uit armoede geboren consumentisme of als een vaderlijke vorm van McDonald-imperialisme of nog gewoner als snobisme.