Roemeens turngoud is mirakel

De Roemeense turnsters werden gisteren opnieuw olympisch kampioen in de landenwedstrijd. Dat was een klein wonder, omdat het de ploeg aan routine ontbrak.

Op het oog wekte de uitslag van de landenwedstrijd bij het vrouwenturnen gisteravond geen verbazing. Roemenië werd bij de Spelen in Athene olympisch kampioen en prolongeerde zijn titel van Sydney. In werkelijkheid voltrok zich in de Griekse hoofdstad een klein mirakel, omdat de Oost-Europeanen pas sinds vorig jaar weer met een team bij de grote toernooien verschijnen. Maar Roemenië blijft Roemenië: een onuitputtelijke bron van turntalent.

Hoe tegenstrijdig kan een beeld zijn. Twee jaar geleden liep de Roemeense bondscoach Octavian Belu er op Griekse bodem nog verloren bij, omdat hij met maar één turnster (Ioana Petrovshi) naar de Europese kampioenschappen in Patras was gekomen. Beschamend voor een land dat grote kampioenen als Nadia Comaneci, Ecaterina Szabo, Daniela Silivas, Simona Amanar en Andrea Raducan heeft voortgebracht en een reputatie heeft op te houden.

Als de rijzige coach destijds naar de oorzaak van die absentie werd gevraagd, antwoordde Belu minzaam dat het even iets minder ging, omdat de twee jaargangen na de Spelen van Syndey te weinig turnsters met internationale potentie hadden opgeleverd. Maar dat hij zich geen zorgen maakte, omdat zich bij de junioren weer een aantal grote talenten aandiende. Het zou allemaal goed komen, bezwoer de Roemeen. En als Belu dat zegt is er geen reden voor twijfel, want hij staat al meer dan twintig jaar aan het hoofd van het vermaarde nationale turncentrum in Deva.

Maar toch, Roemenië afwezig bij een landenwedstrijd van een titeltoernooi; het was bijna niet voor te stellen. De wereld leek in Patras op zijn kop te zijn gezet, want in plaats van Roemenië streed Nederland destijds met het machtige Rusland om de hoofdprijs. Nederland verloor het duel, maar ervoer de tweede plaats geenszins als een nederlaag. Het was zelfs groot feest, omdat Verona van de Leur en Renske Endel bij elkaar ook nog eens vijf individuele medailles wonnen.

De Nederlandse turnsters leken in Patras rijp voor de volgende stap: plaatsing voor de Olympische Spelen. En omdat zij na de EK toch vanuit Athene moesten terugvliegen, werd alvast een bezoekje gebracht aan de olympische turnhal. Om sfeer te proeven. Hoe kunnen omstandigheden veranderen, want gisteravond was er in diezelfde hal geen Nederlandse turnster te bekennen en danste Belu kort voor middernacht met een stel jonge meiden in het rond, omdat Roemenië de gouden medaille had gewonnen. Een tafereel dat vanaf de tribune in de hal met verbittering moet zijn gadegeslagen door de Nederlandse oud-bondscoach Frank Louter.

Waar de kleinschaligheid van het turnen Nederland zou opbreken toen Van de Leur, Endel en anderen wegens blessures uit de nationale selectie wegvielen, kon Roemenië terugvallen op zijn brede basis van veel clubs, goede trainers, een nationaal turncentrum, maar vooral een groot aantal meisjes dat er veel voor over heeft om topturnster te worden.

In de olympiade tussen de Spelen van Sydney en Athene moest Roemenië zijn nieuwe hoop vestigen op turnsters die geboren zijn in de jaren 1985, 1986, 1987 en 1988. Van de lichting '85 en '86 braken alleen Silvia Stroescu en Ohana Ban door, maar in Athene speelde alleen de kleine Ban met drie oefeningen een vooraanstaande rol in het team. Het jaar 1987 was vervolgens wel `vruchtbaar' toen zich Alexandria Eremia, Monica Rosu en Catalina Ponor aandienden. Uit de lichting van 1988 kwam daar later Nicoleta Daniela Sofronie nog bij.

Hoe evident de kwaliteiten van de nieuwe namen ook zijn, zo kwetsbaar leek de Roemeense ploeg qua leeftijdsopbouw. Waar de Russen en Amerikanen geroutineerde twintigers in de olympische ploeg opnamen, moest Roemenië noodgedwongen vertrouwen op vier relatief onervaren zestien- en zeventienjarigen. In de praktijk viel dat verschil evenwel weg, want uitgerekend de achttienjarige Ban tekende met 9.187 op brug voor de laagste Roemeense score. Het jonge grut bleef mentaal fier overeind en legde daarmee de basis voor scores die niet onder de 9.387 kwamen. Traditioneel boekten de Roemenen hun winst op balk; zij waren weer veruit het stabielste op het meest wankele toestel.

Waar de Roemeense jeugd geen krimp gaf, verloor de Verenigde Staten de strijd om goud omdat hun jongste turnster Carly Patterson op brug en sprong twee foutjes maakte. Haar scores waren wel ruim boven de negen, maar net te laag om het verschil met Roemenië goed te kunnen maken; er werd net iets te veel gevraagd van de zestienjarige zeer getalenteerde Amerikaanse.

Eenzelfde situatie deed zich bij Rusland voor met het grote talent Anna Pavlova, die heel goed was op sprong en vooral balk maar geen vlekkeloze vloeroefening afleverde. Het gevolg: een derde plaats en voor de grote Svetlana Khorkina een afscheid zonder grandeur van het Russische team. Haar vertrek uit de turnsport na de Olympische Spelen stopt Khorkina kan alleen nog op de individuele onderdelen met de waardigheid van een gouden medaille worden omgeven.