Hulp door militairen is vaak funest voor hulpverleners

Militairen in conflictgebieden krijgen steeds vaker civiele taken. Dat kan leiden tot een gevaarlijke verwarring van rollen, vindt Saskia Kouwenberg, mede doordat de situatie in oorlogen steeds onoverzichterlijker wordt omdat er zoveel partijen bij betrokken zijn.

Terecht stelt Linda Polman (Opiniepagina, 5 augustus) de vraag of hulporganisaties neutraal (kunnen) zijn in hedendaagse conflictgebieden, maar zij onderschat de gevolgen voor hulpverleners - en daarmee voor de lokale bevolking – van de trend dat militairen zich steeds vaker en verder begeven op het gebied van hulpverlening en wederopbouw.

Er is een scala aan redenen waarom hulpverleners vandaag de dag meer gevaar lopen in (post)conflictgebieden dan vroeger. Vroeger was het (vaak) behoorlijk overzichtelijk. Herkenbaar leger A vocht tegen herkenbaar leger B op plek C, en als er gewonden vielen, kwamen herkenbare mensen met een Rood Kruis het slagveld opsnellen om de gewonden af te voeren. Die tijden zijn voorbij. Tegenwoordig zijn er nog steeds relatief eenvoudige oorlogen waar zowat niemand naar toe gaat, maar in de 'hype'-conflictgebieden is het een drukte van jewelste geworden. Daarmee is ook het overzicht van wie welke rol speelt, verleden tijd. Er zijn nu meestal geen twee maar meerdere, vaak onherkenbare – en soms van kant verwisselende - elkaar bestrijdende partijen. De slachtoffers zijn niet 90 procent militairen, maar 90 procent burgers. Naast het Internationale Rode Kruis zijn er honderden hulpverlenende buitenlandse non-gouvernementele organisaties (NGO's) in `het veld', maar daar blijft het niet bij. Er zijn ook vaak militairen van tientallen verschillende buitenlandse krijgsmachten aanwezig, al dan niet onder VN-vlag; als kool groeiende stromen vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven; regionale instellingen (Europese Unie, Organisatie voor Afrikaanse Eenheid); de VN met tal van politieke en hulpverlenende poten; groepen uit de diaspora die terugkeren en van alles ondernemen; privé-beveiligingsbedrijven (alias huurlingen, alias particuliere militaire ondernemingen); burgerspecialisten op elk denkbaar gebied uit westerse overheden en onderwijsinstellingen; en, niet te vergeten, de zwermen journalisten, net als NGO's vaak in kuddes van ongeveer 300 stuks. Intussen is het basisprincipe van een oorlog niet veranderd: de strijdende partijen willen winnen. Daarom beoordelen zij alles wat gedurende het conflict gebeurt, op de vraag of deze activiteit in hun voordeel of hun nadeel is.

Hulpverleners zijn erin geslaagd om een speciale plek in te nemen en gezien te worden als – relatief – onafhankelijk, neutraal en onpartijdig, maar dat lukt steeds minder goed. De veranderde strategieën in een asymmetrische oorlogsvoering, waarvan Polman voorbeelden geeft in Afghanistan, doen hun duit in het zakje. Het desastreuze Bush/BinLaden adagium `je-bent-vóór-of-tegen-ons' doet hier nog een behoorlijke schep bovenop. Ook hulpverleners worden óf in eigen kamp óf in het kamp van de vijand ingedeeld.

Polman heeft daarom gelijk met haar stelling dat NGO's zich moeten bezinnen op hun neutraliteit. Maar recht overeind blijft staan dat hulporganisaties – ook Artsen zonder Grenzen dat Afghanistan verliet – er uiteraard naar streven om alles binnen hun mogelijkheden te doen om zo onafhankelijk, onpartijdig en zo neutraal mogelijk te zijn. Anders kunnen ze hun werk – het redden van mensenlevens, het verlichten van lijden – niet doen. Daarin moeten ze zoveel mogelijk actief worden gesteund door anderen, met name door de politiek en door militairen in het veld.

Het tegenovergestelde gebeurt echter: activiteiten van militairen in conflictgebieden dragen steeds meer bij aan rolverwarring, waardoor iedereen doelwit wordt. Als Amerikaanse militairen in Afghanistan dreigen met stopzetting van hulp als hulpverleners niet meewerken aan het uitleveren van Talibaan, gaan ze hun boekje ver te buiten. Als ze dan ook nog eens in burgerkleding inentingscampagnes uitvoeren en meewerken aan structurele opbouwactiviteiten, wordt het al snel onmogelijk voor de bevolking en voor strijdende partijen om uit elkaar te houden wie wie is en worden alle buitenstaanders in het vijandige kamp gezet. En wordt iedere buitenstaander doelwit. Dat is voor militairen niet prettig, maar dat is hun beroepsrisico. Zij zijn eraan gewend dat ze zelden of nooit door de betrokken strijdende partijen en de burgerbevolking als onpartijdig worden gezien. Voor hulpverleners echter is het funest: zij kunnen hun werk niet meer doen.

De centrale vraag is waarom de taakverschuiving van militairen plaatsvindt. Er zijn veel mogelijke redenen aan te voeren:

Eigenbelang. Sinds het wegvallen van traditionele verdedigingstaken (na het einde van de Koude Oorlog) en de angst voor inkrimping van de defensiebudgetten en het daarmee gepaard gaande verlies van werkgelegenheid en prestige is de krijgsmacht op zoek naar nieuwe taken om het huidige niveau van paraatheid te kunnen handhaven.

Tijd. Het verzekeren van veiligheid is bij een aantal vredesmissies (in tegenstelling tot `vroegere' oorlogen) geen dagtaak en er blijft (veel) tijd over voor andere taken.

Militair-strategisch belang. Deel-

name aan noodhulp en wederopbouwactiviteiten geven een toegang tot informatiekanalen (zowel inwinnen als verspreiden) die voor militairen anders moeilijk te verkrijgen is. Contacten met NGO's dienen hetzelfde doel: NGO's hebben meer gedetailleerde kennis over onder andere de situatie ter plaatse.

Public relations. Een `tegenoffensief' tegen het slechte imago komt goed over op de achterban thuis voor de buis.

Humanitaire overwegingen. Daar waar menselijk lijden kan worden verminderd, willen militairen uit menselijke overwegingen assistentie verlenen. De militair wil gewoon alles doen om de situatie voor bevolking te verbeteren en noodhulpactiviteiten zijn goed voor het moreel van de soldaten.

Veiligheidsoverwegingen. Het leger begeeft zich op het terrein van noodhulp en wederopbouw om goede relaties op te bouwen met de lokale bevolking (hearts and minds strategie). De achterliggende gedachte daarbij is dat de kans een stuk kleiner wordt dat je wordt aangevallen door diegenen die je van voedsel en andere steun voorziet. Politieke overwegingen. Dat is mogelijk de belangrijkste reden achter de taakverschuiving van militairen. Onder neoliberalen doet de redenatie opgeld dat een geïntegreerde militair-civiele aanpak, waarbij NGO's nauwelijks of geen rol spelen, de voorkeur verdient.

Verschuiving militaire analyse. Amerikaanse militaire strategen, onder wie Binnendijk & Johnson (US War College) zijn van mening dat de grote fout in het conflict om Irak is geweest dat er na de snelle militaire `overwinning' niet meteen een `leger' van civiele actoren aan het werk is gegaan om het verzet in de kiem te smoren en zo de stabiliteit te bewerkstelligen. In Transforming for Stabilisation and Reconstruction Operations verdedigen ze een geïntegreerde civiel/militaire aanpak. Onder civiel verstaan zij bedrijfsleven en overheden op alle niveaus. In hun verhaal komen organisaties voor ontwikkelingssamenwerkings nauwelijks voor. Naast embedded journalism gaan we daarom in de richting van embedded aid & reconstruction.

Het komt politieke machthebbers dus beter uit als militairen in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven noodhulp en wederopbouwtaken gaan verrichten. Op de krijgsmacht hebben ze tenslotte veel meer invloed (wat betreft tempo, hoeveelheid, doelgroep en inhoud van de hulp) dan op de `onafhankelijke', eigengereide en weerbarstige NGO's. Hierin past ook de visie dat ontwikkeling in `onderontwikkelde' landen efficiënter kan worden aangepakt door het bedrijfsleven dan door do-gooders zoals noodhulp- en ontwikkelingsorganisaties (zie bijvoorbeeld analyses zoals van Fareed Zakaria).

Bij dit alles komt het ook heel goed uit dat veel militairen (ook Nederlandse militairen) zeer kritisch staan ten opzichte van het functioneren van NGO's in (post)conflictgebieden. Natuurlijk moet onderscheid gemaakt worden tussen motieven van Nederlandse en Amerikaanse militairen, maar de overeenkomsten zijn niet gering. Eigenlijk hebben we het hier over – bij gebrek aan een betere term – een nieuwe vorm van kolonialisme.

Deze ontwikkeling maakt de cruciale vraag over de (on)mogelijkheid van neutraliteit van hulporganisaties in conflictgebieden nog complexer dan Polman die beschrijft. Hulpverleners zoals Artsen zonder Grenzen moeten zich inderdaad buigen over de neutraliteitsvraag en ze moeten ook zonder meer de hand in eigen boezem steken, maar als het gaat om de gevolgen van de verschuivende taak van militairen, moeten politici aan het werk en militairen geen civiele opdrachten geven.

Saskia Kouwenberg is mensenrechtactiviste en medewerker van het Nederlands Expertisecentrum Alternatieven voor Geweld (NEAC).