De boze minister en de nullijn

Minister De Geus zet de relatie met de vakbonden onnodig op scherp en wil terug naar acherhaald staatsdirigisme, meent Sweder van Wijnbergen.

Het is weer zover met minister De Geus (Sociale Zaken en Werkgelegenheid). Waar ministers als Zalm (Financiën) en Hoogervorst (Volksgezondheid) moeizame onderhandelingen meestal min of meer vreedzaam weten af te wikkelen, eindigt het bij De Geus steevast in confrontaties en afgebroken gesprekken. WAO-hervormingen, VUT/prepensioen, de affaire-Joustra, en nu dan weer de nullijn annex AVV'en, het door de overheid verbindend verklaren van op sectorniveau gemaakte afspraken tussen werkgevers en vakbonden.

De oorzaak van de laatste rel is De Geus' dreigement CAO's waar de nullijn geschonden wordt, niet langer algemeen verbindend te verklaren. Dit is vloeken in de polderkerk, dus is Nederland in rep en roer.

In het gekrakeel is een aantal belangrijke punten onderbelicht gebleven. Om te beginnen, als De Geus het AVV'en afschaft, zou dat dan erg zijn? En ten tweede, schaft hij het eigenlijk wel af? En punt drie, is die nullijn echt zo belangrijk?

Allereerst het AVV'en. Nederland kent al jaren een systeem waar loononderhandelingen indirect worden gevoerd, door vakbonden en werkgeversorganisaties in plaats van door de direct betrokkenen. Dit heeft onder andere als voordeel dat vandaag op het scherp van de snede kan worden onderhandeld zonder dat dit morgen tot verstoorde verhoudingen op de werkvloer leidt. Maar dat delegeren van de onderhandelingen gaat gepaard met niveauverhoging: de onderhandelingen worden gevoerd door vertegenwoordigers van grote groepen werkgevers en werknemers, anders komt die afstand tot de werkvloer er niet echt. Hoewel een aantal echt grote bedrijven zoals Philips en AKZO hun eigen CAO-onderhandelingen voeren, speelt de meerderheid van de onderhandelingen op sectorniveau, zoals de metaal of de grafische sector.

Bij deze laatste groep speelt het AVV'en. Alleen bedrijven die bij een werkgeversvereniging zijn aangesloten, worden in die onderhandelingen betrokken. Het gaat hier om de organisatiegraad van de werkgevers, en niet om die van de werknemers. Omdat vooral kleine bedrijven lid worden van zo'n werkgeversvereniging te veel rompslomp vinden, heeft de overheid besloten de sectorresultaten van de CAO-onderhandelingen toch aan bedrijven op te leggen die niet van zo'n vereniging lid zijn: de CAO wordt algemeen verbindend verklaard. Met de organisatiegraad van de werknemers heeft dit dus niets te maken, dus waarom dit als een aanval op de vakbonden wordt gezien is eigenlijk niet duidelijk. En verder gaat het over betrekkelijk weinig mensen: alle algemeenverbindverklaringen bij elkaar brengen ongeveer 7 procent van de Nederlandse werknemers onder de paraplu van de sector-CAO's. De rest zit er al onder.

Economen zijn zich in toenemende mate gaan afvragen of de voordelen van gedelegeerd onderhandelen op sectorniveau nog wel opwegen tegen de nadelen. Onderhandelen op sectorniveau betekent namelijk een verlies aan flexibiliteit: als het merendeel van de economische schokken zich op bedrijfsniveau voordoen in plaats van op macro- of sectorniveau, dan kunnen onderhandelaars niet meer inspelen op de meerderheid van de schokken waaraan bedrijven onderhevig zijn. Je koopt dan vrede op de arbeidsmarkt, maar tegen een hoge prijs: verstoring van de markt.

Een voorbeeld is het Groningse bedrijf SMEAD. Om zijn Nederlandse vestiging te redden, wilde SMEAD naar een 40-urige werkweek en werd het daarover eens met zijn werknemers, maar vervolgens mocht dat niet vanwege de afspraken op sectorniveau.

Er valt dus best een serieus debat te voeren over het AVV'en, je hoeft helemaal niet rechts te zijn om te vinden dat de kosten in moderne marktomstandigheden groter zijn dan de voordelen van dit mechanisme.

Maar minister De Geus schaft het helemaal niet af, hij wil het automatisme eruit halen. Markt is prima, zolang die markt maar doet wat de minister wil. Doet de markt dat niet, dan grijpt de minister, met zijn kennelijk superieure inzicht, gewoon in. Nu heeft hij daar een instrument voor: hij kan een loonmaatregel uitvaardigen. Maar dit zwaar geschut wil de minister nu ook weer niet in stelling brengen met alle wettelijke procedures vandien. Hij dreigt gewoon het AVV'en af te schaffen, althans voor CAO's waar de nullijn geschonden wordt. Dat brengt overigens loonmatiging niet dichterbij. De desbetreffende CAO blijft gewoon geldig, maximaal ongeveer 7 procent van de werknemers valt er buiten en je moet maar afwachten of die werknemers individueel op lagere dan wel juist hogere afspraken uit zullen komen. Deze houding van De Geus lijkt dan ook meer op die van een verwend jongetje dat zijn zin niet krijgt en zijn adem inhoudt tot hij blauw ziet. Moederlief wordt dan misschien zo bezorgd over de schadelijke gevolgen dat ze maar toegeeft.

Het probleem lijkt te worden dat ook Lodewijk de Waal zijn adem inhoudt en wil zien wie de langste adem heeft. Slachtoffer zijn dan de werkgevers die met onnodige arbeidsonrust te verduren krijgen.

Verder doet De Geus hier iets structureels: hij brengt in feite de overheid terug aan de loononderhandelingstafel, precies zoals na de Tweede Wereldoorlog tot laat in de jaren '60. Toen zat de overheid ook aan tafel, met duidelijke richtlijnen over hoe ver de partijen konden gaan. Die rol van de overheid was wel te begrijpen vanuit de situatie van de jaren '50. Toen moest een precair evenwicht gevonden worden tussen enerzijds instandhouding van voldoende koopkracht om de interne vraag te laten opkomen, en anderzijds de noodzaak om de echte motor van de groei, de export, niet door te hoge lonen uit de markt te prijzen. Het paste in het verregaande dirigisme dat het economisch beleid na de Tweede Wereldoorlog in alle westerse landen kenmerkte. Naarmate de voltooiing van de wederopbouw naderde, botste het dirigisme in toenemende mate met de flexibiliteit die nodig is voor het goed functioneren van een markteconomie. Vandaar dat de overheid zich nu al weer enige decennia niet meer mengt in de directe onderhandelingen over lonen. Die worden sinds 1968 door vakbonden en werkgevers gevoerd. De markt moet het zelf doen.

De Geus draait dat proces nu weer om. Door gedetailleerde beperkingen op te leggen aan de onderhandelende partijen, worden de werkelijke onderhandelingen in feite gevoerd tijdens het najaarsoverleg tussen vakbonden, werkgevers en de overheid en zijn we terug in de tri-partiete wereld van de naoorlogse jaren.

Dat dit lijnrecht ingaat tegen het hele hervormingsproces van de afgelopen 35 jaar, schijnt niet tot hem door te dringen. De Geus vindt gewoon dat hij gelijk heeft en wil dat krijgen, zonder oog voor de institutionele schade die hij aanricht.

Heeft hij eigenlijk wel gelijk, is een nullijn in de CAO's dusdanig van algemeen belang dat een directe interventie gerechtvaardigd is? Het antwoord daarop is duidelijk nee. Hoewel het bon ton is om Nederland de afgrond in te praten, valt het wel mee hier. Het is net als met het Nederlands elftal: winnen we een keer (de bovengemiddelde groei onder Paarse kabinetten), dan worden we kennelijk meteen kampioen en reist de minister van Sociale Zaken de wereld rond om het poldermodel uit te leggen. Verliezen we een keer (sinds twee jaar groei beneden het EU-gemiddelde), dan moet bij voetbal de bondscoach meteen weg. Maar dat laatste gebeurt natuurlijk nooit in de politiek – het pluche is te leuk om afscheid van te nemen – maar dan is wel meteen de hele economische structuur blijvend fout.

Net zoals bij het voetbal zijn de paniekreacties overdreven. De wereldeconomie trekt weer aan, in de VS al een paar jaar, maar zelfs in Duitsland, ondanks het onvermogen van de Duitse regering om haar economische regelgeving en instituties aan te passen aan de moderne tijd.

Nederland loopt wat achter, omdat minister Zalm, vrijwillig of onvrijwillig, dat weten we natuurlijk niet, een beleid voert van te veel uitgeven in goede jaren en te weinig in slechte jaren, waardoor hij de conjunctuurgolf een extra zwieper meegeeft. Maar uiteindelijk gaat 60 procent van onze nationale productie naar het buitenland en zullen we meeliften met het economisch herstel aldaar. Het CPB gaf al aan voor volgend jaar hogere groei te verwachten dan enige maanden geleden. De cijfers wijzen ook al in die richting: de arbeidsproductiviteit groeit nu weer goed met 2 procent, terwijl de werkloosheid afvlakt. De bedrijvigheid neemt dus weer toe en zal alleen maar harder gaan. Om tegen die achtergrond voor twee jaar de nullijn te eisen, en daarmee vanwege de verwachte inflatie van tegen de 2 procent een reële loonsverlaging van bijna 2 procent per jaar, is onzinnig. Zelfs met dat soort CAO-afspraken zal dat toch niet gebeuren. Als volgend jaar de arbeidsmarkt aantrekt, kun je een verlaging van de reële lonen toch niet vasthouden, wat je ook afspreekt.

Het loslaten van de nullijn wil natuurlijk niet zeggen dat alle remmen los kunnen, maar vasthouden aan een reële loonsdaling voor twee jaar terwijl alle signalen voor het ecomisch herstel op groen staan, zal domweg niet effectief zijn. Om dan, uit puur onbegrip of eigenwijzigheid, toch door te zetten, met als prijs het nodeloos op scherp stellen van de relatie met de vakbonden en daarbij de economie terug te voeren naar het dirigisme van de jaren '60, is ronduit onverantwoordelijk beleid. Er moet nog veel gebeuren in de Nederlandse arbeidsmarkt. VUT, gesubsidieerd prepensioen, de bovenmatige ontslagbescherming, het is allemaal niet meer van deze tijd. Maar een centraal opgelegde nullijn met het daarbij behorende staatsdirigisme is dat ook niet meer, noch conjunctureel noch structureel.

Dr. S. van Wijnbergen is hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam en oud-secretaris-generaal van het ministerie van Economische Zaken.