Collega's Peruaanse expert voelen zich misleid

Collega's van de Peruaanse deskundige die voor het Joegoslavië-tribunaal stukjes bot verzamelde in Kosovo en Bosnië zijn kwaad en ongerust. Ze willen niet mede-verantwoordelijk zijn.

Forensische experts die in de zomer van 2000 in Kosovo voor het Joegoslavië-tribunaal werkten, wisten dat er stukjes bot werden gehaald uit de lichamen van oorlogsslachtoffers. Ze werkten er zelfs aan mee, want in hun protocol stond dat er botmonsters verzameld moesten worden om vast te stellen hoe oud de slachtoffers waren. Maar ze wisten niet, zeggen ze nu, dat die stukjes – van het schaambeen, de borstrib en het sleutelbeen – bewaard werden en dat er wetenschappelijk onderzoek mee werd gedaan. ,,Ik heb er nog naar gevraagd'', zegt de Canadese forensisch patholoog Peter Markesteyn telefonisch vanuit Winnipeg. ,,Maar ik kreeg alleen te horen dat het een goede database zou opleveren. Ik heb er geen moment aan gedacht dat de botten niet zouden worden teruggegeven. Want die worden altijd teruggegeven.''

Afgelopen zaterdag bevestigde de Peruaanse forensisch antropoloog José Pablo Baraybar dat onder zijn leiding, en met goedkeuring van het tribunaal, vanaf 1998 botmonsters van slachtoffers uit Bosnië en Kosovo zijn verzameld, zonder toestemming van de nabestaanden. In 2002 zijn de stukjes bot naar de universiteit van Tennessee gebracht. Met de verzameling zal geprobeerd worden een standaard te maken voor leeftijdsbepaling van slachtoffers op de Balkan. Tot nu toe werd daarvoor de Amerikaanse standaard gebruikt, maar volgens Baraybar is die niet toe te passen op Bosniërs en Albanezen uit Kosovo.

Baraybar, die nu hoofd is van een VN-commissie in Kosovo, was werknemer van het tribunaal. De meeste andere forensische onderzoekers, uit veel verschillende landen, werkten op ad hoc basis mee aan het onderzoek naar bewijsmateriaal van oorlogsmisdaden. Zij gingen er, zeggen ze, vanuit dat de stukjes bot nodig waren voor de identificatie van slachtoffers. Pas begin dit jaar drong het tot hen door wat de bedoeling was geweest. Tijdens een bijeenkomst van de Amerikaanse `Academy of Forensic Sciences' in Dallas werden papers gepresenteerd over het onderzoek. De forensische experts waren kwaad, maar ook ongerust. Zij hadden meegewerkt aan het verzamelen van de botmonsters, maar ze voelden zich niet verantwoordelijk voor wat er nu mee werd gedaan. Het Finse ministerie van Buitenlandse Zaken heeft er in juni via de ambassadeur in Den Haag contact over opgenomen met het VN-hof. De Finnen lieten weten dat hun experts er vanuit gingen dat de botmonsters begraven zouden worden, of dat ze op een waardige manier werden vernietigd.

Baraybar zelf zei vorige week, door de telefoon vanuit Kosovo, dat alle forensische deskundigen die met hem samenwerkten wisten wat er met de verzameling zou gebeuren. Hij zei dat hij er ,,bijna honderd procent'' zeker van was dat het onderzoek werd genoemd in het protocol waarmee de experts in Kosovo hebben gewerkt. Een van zijn vroegere collega's faxte daarna het protocol naar deze krant. Er staat in dat de monsters verzameld werden omdat die ,,noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de leeftijd''. Er staat ook in dat ze aan ,,aan José'' moesten worden gegeven. Er staat niet in dat ze werden gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek.

Baraybar zei vervolgens dat hij het zijn collega's in ieder geval had verteld. Waarom zeggen ze dan nu dat ze van niets wisten? ,,Ik heb geen idee. Vraag het aan hen.''

De forensische experts hebben ethische bezwaren tegen de manier waarop de botmonsters zijn verzameld, maar twijfelen ook aan de wetenschappelijke waarde ervan. Het is niet zeker dat de identificatie van de lichamen foutloos is verlopen, en als de leeftijd van de slachtoffers niet vaststaat kan er met de stukjes bot geen standaard worden opgesteld die specifiek is voor de bevolking in ex-Joegoslavië.

De plaatsvervangend hoofdaanklager van het tribunaal schreef in 2001 over het onderzoek dat geen toestemming was gevraagd aan nabestaanden omdat de identificatie gebrekkig was verlopen. Baraybar zelf zegt dat de identiteit van ,,een aantal'' lichamen vaststaat en van ,,een aantal'' niet. Hij verwijst naar de universiteit van Tennessee, in Amerika. Daar kunnen ze volgens hem uitleggen waarom het materiaal tóch kan worden gebruikt voor het opstellen van een standaard.

Het hoofd van de vakgroep antropologie van Tennessee, Andrew Kramer, zegt dat het tribunaal de lichamen heeft geïdentificeerd. Maar hij is er niet helemaal zeker van. Kramer verwijst naar de antropoloog Richard Jantz die meedoet aan het onderzoek.

Jantz zegt dat de lichamen zijn geïdentificeerd, maar ook hij weet het ,,niet helemaal honderd procent zeker''. ,,Ik zou eerst de andere onderzoekers daarover moeten consulteren en de studenten die met het materiaal hebben gewerkt. Maar die zijn er nu niet.''

Jantz gaat ervan uit dat er nog een paar maanden met de botmonsters wordt gewerkt. Daarna wordt de verzameling teruggegeven aan het tribunaal, zegt hij. ,,Ik heb gehoord dat het dan teruggaat naar de familie.''