Bestuur LPF richt tweede vereniging op

Sinds een week bestaan er twee politieke partijen met de naam LPF die worden bestuurd door dezelfde drie personen. Het bestuur van de Lijst Pim Fortuyn (LPF) leidt nu ook de nieuwe politieke vereniging LPF.

Dat blijkt uit een inschrijving bij de Kamer van Koophandel in Den Haag. De drie bestuursleden van de LPF hebben een week voor hun gisteren door de rechter geweigerde faillissementsaanvraag een nieuwe vereniging opgericht: de Vereniging LPF, gevestigd op het huisadres van huidig LPF-voorzitter H. Fabius.

Als omschrijving geldt: politieke partij. Er zijn geen statuten gedeponeerd. Het huidige bestuur ging er daarbij van uit dat de `oude' LPF zoals bedoeld failliet zou worden verklaard. Ook de Tweede-Kamerfractie kon zich vinden in deze aanpak, zoals fractieleider Herben eerder verklaarde. De druk van de schuldeisers was volgens hem te groot geworden. De Nijmeegse hoogleraar J. van Hees noemt het ,,knullig'' dat het bestuur hiervoor geen mandaat van de leden heeft gevraagd.

De Lijst Pim Fortuyn drijft op twee forse leningen van de Haagse vastgoedbazen Maas en Thunnessen, maar er liggen volgens de betrokkenen ook nog rekeningen voor ruwweg 250.000 euro. Omdat de LPF de rekening niet betaalde, heeft een van de schuldeisers beslag laten leggen op de bankrekeningen van de partij. Zowel de LPF-fractie als het bestuur maakte de afgelopen dagen in verklaringen duidelijk dat het faillissement niet uitsluitend bedoeld was om van de schulden af te komen. De nieuwe vereniging zou ook kritischer zijn bij het inschrijven van leden.

Bestuur en fractie kwamen aan het eind van de morgen bij elkaar om zich te beraden op de rommelige situatie. ,,Dit heeft toch een hele impact voor je organisatie'', zegt een woordvoerder. Het bestuur zal om het faillissement alsnog door te laten gaan nu een ledenvergadering moeten uitschrijven. Daar zal vervolgens weer protest worden aangetekend tegen het plan, onder meer door oud-bestuursleden.

De faillissementsdeskundige Van Hees spreekt van ,,een unieke situatie'', het komt immers niet vaak voor dat een partij failliet wil. Over de weigering van de Rotterdamse rechtbank zegt hij: ,,Rechters willen bij zaken en verenigingen zeker weten dat het aanvragen van een faillissement geen akkefietje is van het bestuur. Bij een BV moet er daarom instemming zijn van de aandeelhouders, bij een vereniging komen de leden eraan te pas''.

Nadat het faillissement is vastgesteld zal de vereniging volgens Van Hees ,,van rechtswege worden ontbonden''. Of de fiscus ook akkoord gaat met deze aanpak en bij het schrappen van de forse leningen de belastingaanslag wegens schenkingsrecht laat lopen staat volgens hem niet bij voorbaat vast.