Op reis

Vlak na de oorlog was Ameland heel ver weg. Twintig jaar later was een weekje Parijs het summum. Nu is een tripje naar Shanghai heel vanzelfsprekend.

,,Ik móét even naar Shanghai'', zegt mijn zoon, ,,daar ontkom ik niet aan!''

,,Daar is het nu vijftig graden in de schaduw'', werpen wij tegen.

,,Het kan niet anders!''

Nee, hij is met zijn aanvallige vierentwintig lentes geen snelle zakenman geworden die een vertraagde partij T-shirts, dvd's of Viagrapillen wil gaan lospraten bij zijn Chinese handelspartner, maar hij heeft samen met een vriend een filmscenario geschreven, waarvan zich een paar scènes in Shanghai afspelen. Nu de film in september daadwerkelijk – volgens een strak schema – geproduceerd gaat worden, heeft hij zich in de positie gemanoeuvreerd dat de Shanghai-shots tegen die tijd klaar dienen te liggen. Dus samen met de cameraman moet hij het klusje eind augustus geklaard hebben.

Het budget voor het project voorziet helaas niet in leuke tripjes. Kan dat fragment niet vervallen of in de Binnen Bantammerstraat worden geschoten, opper ik nog. Tsss... natuurlijk niet, wat een onnozele opmerking!

Gelukkig heeft de jonge filmer een vader die veel vliegt en over een fikse hoeveelheid Flying Dutchman-punten beschikt! Zou het heel misschien mogelijk zijn (alleen als je ze zelf niet wilt gebruiken, hoor) die punten voor het goede doel aan te wenden, met andere woorden: een cadeau-retourtje Shanghai op de kop te tikken? Ja? Te gek, hartstikke bedankt! Een zorg minder. En opgelucht verlaat de door geld- en organisatietrivialiteiten geplaagde kunstenaar het vertrek, ons zeer middelbaar achterlatend.

Toen ik vierentwintig was, was een weekje Parijs of Rome het summum. Daar leefde je naartoe en was je er eenmaal, dan bevond je je in de wereld van Godard en Truffaut of Pasolini en Visconti. Voor de generatie van mijn zoon hebben China en Japan – plus aanverwante cinema – de rol van Frankrijk en Italië overgenomen. Iedereen moet, liefst zo vaak mogelijk, naar Azië, want daar gebeurt het. Mijn zoon was vorig jaar een maand in het als een mierennest krioelende Tokio (ik zag hem daar in gedachten steeds lopen met zijn 1,95 meter), en verzucht sindsdien met een nostalgie die ik van mijn leeftijdgenoten slechts ken als het over de Cycladen gaat, dat hij daar ,,eigenlijk'' wil gaan wonen. De namen van Chinese, Japanse, Taiwanese en Zuid-Koreaanse filmers die ik steeds maar vergeet, door elkaar haal en verhaspel, vloeien hem moeiteloos uit de mond.

Voordat wij zelf op vakantie vertrekken – een paar weken doodrustig in een bedaagd Spaans dorp – ga ik bij mijn moeder op bezoek en vertel over de reisplannen van haar kleinzoon. Nadat we besproken hebben hoe betrokkene daar koel moet blijven, of hij wel goed zal eten, of zijn mobiel zal werken en of hij überhaupt op het idee zal komen eens naar zijn ouders te bellen, wordt mijn moeder weemoedig en schenkt een glas port in.

,,Toen ik vierentwintig was, ging ik voor het eerst met pappa naar Ameland'', zegt ze.

Ik ken het verhaal. In 1947 was ze verloofd met mijn vader en had ze een tante en oom die in de zomer naar Ameland gingen zover gekregen het jonge paar uit te nodigen mee te gaan. Als verloofd stel ongechaperonneerd op vakantie gaan was uitgesloten, daar was mijn grootmoeder heel streng in. ,,Nee, hoor'', placht die te zeggen bij elke gelegenheid dat de aanstaanden probeerden alleen te zijn, ,,de paarden piesen nog niet voor het stadhuis!'' De oom en tante bleken hun begeleidende taak buitengewoon luchtig op te vatten; mijn moeder had het natuurlijk niet voor niets aan hen gevraagd.

Iedereen tevreden dus, en toen mijn ouders trouwden, liet mijn grootmoeder op de bruidstaart spuiten: `Thans piesen de paarden' – dat is mij, als kind bij mijn grootouders logerend, door de banketbakker van het dorp nog menigmaal verteld. ,,Dat vond ik al ver weg'', zegt mijn moeder. ,,Een eind met de trein en dan nog met de boot oversteken. Enig was het! Later namen we jou mee, in een weekendtas.''

En als we het glas heffen en op de zomer toasten, roept ze spontaan uit: ,,Kind, wat ben ik blij dat ik niet naar Shanghai hoef!'' ,,Misschien moeten we eens een keer samen een Rijnreisje maken'', zeg ik.

En giechelend als vierentwintigjarigen morsen we de port over de bank.