`Milosz had de moed om onafhankelijk te zijn'

In een Pools schrijvershuis halen zijn collega's herinneringen op aan de zaterdag overleden Nobelprijswinnaar Czeslaw Milosz.

In het schrijvershuis van Konstancin, vlakbij Warschau, gaat het gesprek weer over Czeslaw Milosz. En dat gaat het al vijftig jaar.

Na de oorlog ging het hier over zijn prachtige gedichten, in 1951 over zijn vlucht naar het westen, in 1980 over zijn Nobelprijs, in 1989 over zijn terugkeer naar Polen na jaren van ballingschap. En vandaag gaat het gesprek in het Huis voor Creatief Werk, zoals het schrijvershuis officieel heet, over zijn dood, afgelopen zaterdag, op 93-jarige leeftijd.

,,Milosz streed tegen obscurantisme in het Poolse denken'', zegt de 78-jarige Jacek Bochenski, auteur van onder meer de klassieker Goddelijke Julius (1961), een van de leidende figuren in de anti-communistische oppositie en tot voor kort de voorzitter van de Poolse PEN-Club. ,,Hij had een haast fysieke afkeer van Pools nationalisme, zeker in combinatie met religieuze kwezelarij. En hij kon daar zo prachtig over schrijven.''

,,Tot op zijn laatste dag had Milosz de moed om de Polen een spiegel voor te houden'', zegt de 80-jarige Jozef Hen, auteur van het verfilmde boek Toast (1964), vertaald in het Nederlands als De wet en de vuist. ,,Het belangrijkste dat een schrijver moet hebben is moed, moed om onafhankelijk te zijn'', zegt Hen, die vroeger bij de publicatie van zijn ruim veertig boeken veelvuldig werd gedwarsboomd, maar nu in Polen een van de best verkopende auteurs is, met een roman over de laatste Poolse koning, de tragische figuur Stanislaw August II Poniatowski.

Hen en Bochenski zijn al jaren vaste klanten van het schrijvershuis, eigendom van de schrijversbond. Hier ontsnappen ze aan hun kleine appartementen in Warschau en het stadskabaal. In Konstancin werken ze in alle rust, in een eigen kamer, met uitzicht op het bos en drie maaltijden per dag. Het is een uitstervend fenomeen, maar voor een hele generatie Poolse schrijvers was dit huis een toevluchtsoord, om te werken en de laatste roddels op te vangen.

Na zijn verdwijning naar het westen schreef Milosz een boek over de wijze waarop schrijvers in zijn land in de valkuilen van het marxisme waren gestapt. De geknechte geest (1953) maakte veel los in de Poolse schrijversgemeenschap. ,,Het was onthullend'', zegt Bochenski. ,,Na de oorlog geloofde ik in het marxisme, ik had er aan bijgedragen. De geknechte geest maakte een rebellie in mij wakker die de rest van mijn leven zou duren.''

Bochenski was in 1977 medeoprichter van Zapis, het eerste onafhankelijke en illegale Poolse `literair-sociale' magazine, en zette zijn naam onder talrijke aan de communisten gerichte open brieven. Zijn boek Goddelijke Julius gaat over de wijze waarop leiders hun onderdanen met brood en spelen onder de duim houden, wat zeker ook op Polen van toepassing was.

Op Jozef Hen maakte De geknechte geest geen grote indruk. ,,Ik maakte jacht op alles wat Milosz in het westen schreef en hier illegaal binnenkwam. Maar dit boek kon ik nooit te pakken krijgen. Ik las het pas twintig jaar later en toen vond ik het wat gedateerd. Bovendien was mijn geest niet geknecht.'' Hen is nooit lid geweest van de communistische partij en was een van de weinigen in Polen die Milosz' vlucht publiekelijk verdedigde.

Hen was wel diep onder de indruk van het gedicht Campo de' Fiori, dat Milosz tijdens de oorlog schreef. In het gedicht wordt de vrolijke bloemenmarkt van de Romeinse Campo dei Fiori afgezet tegen de brandstapel elders op het plein waar in 1600 de `ketter' Giordano Bruno aan zijn gruwelijke einde kwam. Vervolgens zet Milosz in het gedicht de joodse opstand in Warschau uit 1943 af tegen een kermis die op dat moment in het niet-joodse deel van de stad wordt gehouden. De mensen in het reuzenrad kunnen zien hoe de joden aan de andere kant van de muur worden afgemaakt. De kermismuziek overstemt alles op deze mooie herfstdag.

Milosz legde met Campo de' Fiori de vinger op een voor veel Polen pijnlijke plek: het antisemitisme, vooral van de katholieke kerk. Wat Hen betreft, die als joodse jongen de oorlog overleefde, schroomde Milosz daarmee niet om de Polen te confronteren met een zwarte bladzijde uit hun doorgaans heroïsche geschiedenis. ,,Hij schreef over Poolse problemen, op een moralistische toon en met een soort boerenwijsheid'', zegt Hen. ,,Literatuur ís moreel. Daarvan ben ik overtuigd. We exploiteren de menselijke tragedie, onze tragedie.''

Milosz bleef altijd kritisch. Enkele jaren terug stelde hij droogjes een anthologie samen van anti-joodse krantenartikelen die vóór de oorlog in Polen waren verschenen. De mythe van het interbellum, toen alles zogenaamd koek en ei was in Polen, werd daarmee onderuit geschopt. En eerder dit jaar sprong de stokoude Milosz nog op de bres voor Poolse homoseksuelen, wie het niet was toegestaan een gay parade in Warschau te organiseren en die tijdens een parade in Kraków werden belaagd door katholieke extremisten.

Het is die kritische zelfreflectie die Polen node zal missen. Hen en Bochenski missen de spiegel van Milosz nu al.

Met dank aan Piotr Perczynski