Als een baksteen naar beneden

Synchroonspringen past in de trend om meer flitsende sporten tot de Spelen toe te laten. Het IOC presenteert bij voorkeur mooie mensen met strakke lichamen en lachende gezichten.

Sporten lijken pas tot de Olympische Spelen te worden toegelaten als ze vet, cool en gaaf zijn. En de deelnemers moet er goed uitzien; het plaatje moet immers verkocht worden aan sponsors en televisiestations.

Het is geen toeval dat trendy sporten als mountainbike en beachvolleybal, in tegenstelling tot bijvoorbeeld langeafstandszwemmen, aan het programma zijn toegevoegd. En synchroonspringen, dat door het Internationaal Olympisch Comité hip genoeg werd bevonden om vier jaar geleden in Sydney te debuteren. Een opvallend snelle acceptatie van een sport die vijf jaar daarvoor pas door de internationale zwemfederatie (FINA) werd opgenomen in het wereldbekerprogramma. Daarvoor was het vooral entertainment als onderdeel van duikshows en waterballetten.

Wie gaat kijken bij het synchroonspringen begrijpt waarom deze sport met de tijdgeest is besmet. In een finale strijden acht duo's, die het programma in sneltreinvaart afwerken. Binnen een uur is de winnaar bekend en het volkslied gespeeld. Wat wil het IOC nog meer dan een flitsend programma met spectaculaire beelden van mooie mensen met strakke lichamen en lachende gezichten. En de deelnemers nemen door het geringe aantal weinig ruimte in het olympisch dorp in, zodat ze niet bijdragen aan het gigantisme van de Spelen, dat IOC-voorzitter Jacques Rogge wil tegengaan.

Synchroonspringen mag een sport voor incrowd zijn, het is spectaculair en trekt bij de Spelen veel publiek. De zwemhal in Athene was gisteravond volledig gevuld bij het torenspringen (10 meter) van de vrouwen en het plankspringen (3 meter) van de mannen. Het merendeel zal stipjes hebben zien zweven, want alleen van tribuneplaatsen in de nabijheid van de springtoren is de wedstrijd goed te volgen. En dan nog is het opletten, want de deelnemers duiken met de snelheid van een pelikaan in het water. Wie gelijktijdig met een sprong even een andere kant opkijkt, ziet alleen opspattend water.

De kunst van het synchroonzwemmen is de timing; het is cruciaal om gelijk te beginnen. Individueel ontlopen de olympische deelnemers elkaar nauwelijks in kwaliteit, omdat ze vrijwel allemaal als solist zijn begonnen. Een duo ontstaat doordat de springers elkaar zelf opzoeken of omdat een trainer overeenkomsten ziet. Het is vervolgens een kwestie van op elkaar ingespeeld raken en volgens afgesproken codes oefeningen tot in de finesses uitvoeren. Neem het torenspringen. Daar nemen de springers voor elke sprong met militaire precisie pas voor pas hun afzetplaats in, waarna ze zich op een afgesproken teken wentelend en schroevend als een baksteen naar beneden laten vallen.

Als de sprong gaat zoals die al duizend keer is geoefend, komen beiden gelijktijdig verticaal in het water, zo min mogelijk spetters veroorzakend. Dat lukt op olympisch niveau doorgaans heel goed.

Het zuiverste synchronisme en de minste doodsverachting bij het torenspringen voor vrouwen werd gisteren gedemonstreerd door het Chinese duo Ting Li en Lishi Lao. De wereldkampioenen wonnen met een grote puntenvoorsprong de gouden medaille.

Rond de drie-meterplank bij de mannen werd een uitbundig Grieks feest gevierd, omdat het duo Thomas Bimis en Nikolaos Siranidis de eerste gouden medaille voor het organiserende land won. De schaamte van de Grieken over de van doping verdachte sprinters maakte gisteravond in de olympische zwemhal even plaats voor trots.