Wees niet te laconiek over een DNA-databank

De Tweede Kamer holt te hard mee in de hype die in Nederland is ontstaan over de veiligheidsproblematiek, meent Sander Janssen.

Bij de Eerste Kamer ligt het wetsvoorstel voor de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Dit wetsvoorstel beoogt een nationale databank te vullen met het DNA-materiaal en het daaruit gewonnen profiel van veroordeelden, met het oog op opsporing en berechting in strafzaken.

In de Tweede Kamer en ook in de media is de nodige aandacht besteed aan dit wetsvoorstel. Daarbij is echter niet altijd sprake van een even genuanceerde of zelfs maar juiste weergave. Zowel in de parlementaire stukken als in de media wordt steevast gesproken over `zware misdrijven', `ernstige delicten', `zware criminelen'.

Gevolg van deze consequente woordkeuze is dat niet alleen de burger, maar ook de parlementariërs zich niet of nauwelijks lijken te realiseren dat ook veel minder ernstige misdrijven binnen het wetsvoorstel vallen. Een winkeldiefstal, het bezit van een xtc-pilletje, betrokken (aanwezig) zijn bij een vechtpartij, enzovoorts: tenzij alleen een geldboete wordt opgelegd, volgt in alle gevallen na veroordeling door de strafrechter het bevel van de officier van justitie tot het afnemen van DNA.

Na inwerkingtreding van de wet zal bovendien ook van alle personen die voor zo'n feit op dat moment een gevangenisstraf (gaan) uitzitten, DNA worden afgenomen. Dat een veroordeelde hoger beroep instelt, en het veroordelend vonnis dus nog helemaal niet onherroepelijk is, staat afname niet in de weg. Het moge duidelijk zijn dat dit betrekking zal hebben op heel veel mensen en dat voor veruit de meerderheid van hen de definitie `zware crimineel' niet opgaat.

Ten tweede de beslissing tot afname. Deze ligt volledig bij de officier van jusititie, die daartoe zelfs min of meer verplicht is, behoudens een enkel zeer uitzonderlijk geval. DNA zal in de praktijk dan ook standaard worden afgenomen. De veroordeelde wordt hierover niet gehoord, maar kan wel een bezwaarschrift indienen. Maar in afwachting van een beslissing zal het DNA toch worden afgenomen. Bovendien krijgt de officier van jusitite in het wetsvoorstel een heel scala aan nieuwe bevoegdheden wanneer de afname niet helemaal soepel verloopt, van aanhouding, huiszoeking en inbeslagnemingen tot het maximaal 21 uur vasthouden van de persoon in kwestie.

Gelet op de formuleringen van deze bevoegdheden is misbruik daarvan, om bijvoorbeeld zonder inachtneming van de bestaande waarborgen iemands huis te doorzoeken, bepaald niet denkbeeldig.

Het is ook zeer de vraag of de officier van justitie wel de meest aangewezen persoon is om te beslissen over de inzet van dit dwangmiddel. Dat het openbaar ministerie onder de grote politieke en maatschappelijke druk om misdrijven op te lossen, de belangen van de verdachte nog wel eens uit het oog wil verliezen, mag genoegzaam bekend worden verondersteld.

Maar zou het niet veel logischer en ook nog eens veel efficiënter zijn om de beslissing tot afname door de rechter ter zitting te laten nemen? De officier van justitie kan zijn vordering daartoe vooraf aan de verdachte kenbaar maken. De verdediging kan dan op de vordering van de officier reageren, waarna de rechter tegelijk met het vonnis een beslissing over afname neemt. De aanzienlijke administratieve kosten die gepaard gaan met de procedure zoals beoogd in het wetsvoorstel, vallen nagenoeg geheel weg als alle relevante momenten – vordering, reactie, toetsing en beslissing – samenvallen met reeds bestaande momenten. Wanneer vervolgens de vordering alleen kan worden ingediend in een zaak bij de meervoudige kamer (drie rechters in plaats van één), wordt de afname ook veel eenvoudiger (en dus goedkoper). De verdachten zitten dan vaak immers in voorarrest en het gaat dan ook om het soort ernstige(re) zaken die de afname van DNA rechtvaardigen. De nieuwe bevoegdheden zijn dan veel minder (vaak) nodig. Bovendien past deze gang van zaken beter in het bestaande systeem: de officier van jusitite vordert, de verdachte reageert, en de rechter beslist.

De meerderheid van de Nederlanders reageert veel te laconiek op het vooruitzicht dat er op grote schaal DNA zal worden afgenomen én opgeslagen: ,,Ik heb toch niks te verbergen.'' Men moet zich echter realiseren dat het met de voortschrijdende techniek nog maar de vraag is of binnenkort uit DNA niet informatie kan worden gehaald, waar behalve de eigenaar niemand iets mee te maken heeft. Daarbij moet niet alleen worden gedacht aan gebruik van die informatie door derden (bijvoorbeeld verzekeringen), maar met name ook aan gebruik door de overheid voor andere doelen dan strafrechtelijke. Het geeft te denken dat behalve het profiel dat uit het DNA kan worden gewonnen, óók het materiaal zelf wordt opgeslagen. Hoe de wetgeving er over twintig jaar uitziet, is niet te voorspellen, maar duidelijk is wel dat de ontwikkelingen elkaar in een zeer hoog tempo opvolgen. Wat enkele jaren geleden onbespreekbaar was, is nu al onderwerp van circulaires en wetsvoorstellen, zoals het voorstel om het `uitlezen' van uiterlijke kenmerken mogelijk te maken.

De regering lijkt met de opslag van het materiaal op die ontwikkelingen vooruit te lopen. Tel daarbij de fouten op die nog altijd met een zekere regelmaat worden gemaakt bij opslag en profilering, het risico op het `planten' van DNA-materiaal door gewiekste criminelen, de officieuze omkering van de bewijslast, de gebrekkige controle op het opgeslagen materiaal en het nalaten opdracht te geven tot vernietiging wanneer dat behoort te gebeuren, en het wordt duidelijk dat een meer kritische houding ten aanzien van dit onderwerp op zijn plaats zou zijn.

Zo bezien is de rol van de Tweede Kamer bij dit wetsvoorstel bedroevend. De bovenstaande kanttekeningen zijn bij de behandeling, op een enkele uitzondering na, in het geheel niet aan de orde geweest.

Sterker nog, er zijn meerdere voorstellen gedaan om het wetsvoorstel nog verder aan te scherpen, zoals van het CDA dat zonder tussenkomst van de rechter óf van de officier van justitie DNA standaard wenst af te nemen bij de intake in een penitentiaire inrichting of bij het begin van een taakstraf.

De politieke partijen willen kennelijk om strijd laten zien dat zij staan voor méér veiligheid, voor een harde lijn, voor repressie, door, kortom, om het hardst mee te hollen in de hype die in (politiek) Nederland is ontstaan over de veiligheidsproblematiek in het algemeen en het strafrecht in het bijzonder. De discussie over terrorismebestrijding, over hogere wettelijke strafmaxima en de recente hysterische reacties inzake tbs'ers zijn andere voorbeelden van hetzelfde zorgwekkende verschijnsel.

Het is te hopen dat de EersteKamerleden hun verantwoordelijkheid serieuzer nemen en zich minder laten leiden door scoringsdrang en de waan van de dag. De vragen die de minister diende te beantwoorden bij zijn Memorie van Antwoord van 7 juli jl. stippen in ieder geval enkele van de hier genoemde punten aan, maar of die het tij nog kunnen keren, is zeer de vraag.

S.L.J. Janssen is advocaat bij Cleerdin en Hamer Advocaten te Amsterdam.