Profeet van de Polen

,,God is niet dood, hij leeft, hij is negentig jaar oud en woont in Polen, in de buurt van Kraków.'' Zo begon Karol Lesman, vertaler uit het Pools, drie jaar geleden een artikel ter gelegenheid van de negentigste verjaardag van Polens grootste dichter, Czeslaw Milosz. God is nu dus toch overleden, op 14 augustus in zijn woonplaats Kraków. In Polen had Milosz een bijna goddelijke status. Al sinds zijn Nobelprijs, in 1980, werd hij er beschouwd als een wieszcz, een profeet, een Messias en hoeder van de Poolse cultuur en taal. Het kan dan ook geen toeval zijn geweest dat hij zich in de jaren voorafgaande aan deze hoge staat steeds meer tot de religie had gewend, Hebreeuws en Grieks had geleerd en aan een vertaling van een aantal bijbelboeken was begonnen die in Polen nog steeds als onovertroffen geldt.

In het voorwoord bij zijn vertaling van Job schreef hij: ,,Nog voor mijn literaire roeping zich aftekende, stuitte ik op mijn voornaamste probleem, het enige dat me raakte: het kwaad van de wereld, de pijn, de lijdensweg van levende wezens als argument tegen God.'' Het kwaad in de wereld en de vraag waar het vandaan komt, dat is het hoofdthema van zijn oeuvre. Milosz is de dichter van de religieuze en de eschatologische (op het einde der tijden gerichte) verbeelding. Niet dat hij een Apocalyps voorziet, maar wel is zijn poëzie doortrokken van de gedachte aan de ondergang, ondergang van alles en iedereen, van de cultuur, de geschiedenis, het individu. In zijn lange leven had hij ruimschoots de gelegenheid gehad het kwaad in vele vormen te observeren.

Milosz werd geboren in 1911, in het Litouwse plaatsje Šeteiniai, dat toen deel uitmaakte van het tsaristische Rusland. Het gezin leefde geruime tijd in Rusland. De revolutie maakte Milosz mee in een landhuis aan de Wolga. In 1918 kwam zijn geboortestreek bij Polen. Hij ging naar school in Wilno, de huidige Litouwse hoofdstad Vilnius, die toen eveneens Pools was. Hij studeerde er rechten en kreeg een baan bij de radio, die hij in 1937 moest verlaten wegens een hetze van de conservatieve katholieken tegen hem om zijn vermeende communistische sympathieën. Ondanks de soms verstikkende katholieke provinciale atmosfeer heerste er in Wilno, dat een vrij geïsoleerde Poolse enclave was, omringd door Litouwen en de Sovjet-Unie, een zeer origineel en levendig cultureel klimaat dat Milosz in zijn autobiografische Geboortegrond met veel liefde heeft beschreven.

Wilno was de bakermat van een Poolse avant-garde die zijn weerga niet kende.

Van zijn jeugdjaren in de Litouwse bossen heeft Milosz in de autobiografische roman Het dal van de Issa een beeld gegeven.

Na zijn ontslag bij de radio verhuisde Milosz naar Warschau waar hij eveneens bij de radio werk krijgt. Hier werd hij lid van een literaire groepering die in navolging van Oswald Spengler de ondergang van de beschaving en een kosmische catastrofe tot hoofdthema had. De eerste catastrofe kwam al snel. In de oorlog schreef Milosz ondergronds en was hij lid van het verzet.

Een bundel die hij vlak na de oorlog, in 1945, gepubliceerd wist te krijgen, maakte zoveel indruk op de nieuwe communistische machthebbers dat zij hem een post in buitenlandse dienst aanboden. Van 1945 tot 1951 was Milosz diplomaat voor de Poolse volksrepubliek in Frankrijk en de Verenigde Staten. In zijn memoires vertelt hij dat hij tot een uur of vier 's middags als diplomaat werkte, dan naar huis ging en een uurtje sliep ,,om alle onzin van zich af te zetten'' en vervolgens aan het schrijven ging. Zijn faam als dichter en schrijver groeide in Polen gestaag. Het schandaal was dan ook groot toen hij in 1951 politiek asiel zocht in Frankrijk. Van dat ogenblik af was zijn werk in Polen taboe.

Milosz' eerste internationale succes, de studie De geknechte geest die hij schreef in 1953, werd in deze krant ,,een tijdloze en briljante uiteenzetting over de verhouding tussen schrijvers en despotisme'' genoemd. Het boek geeft een haarscherpe analyse van hoe veel intellectuelen zich stukje bij beetje door autoritaire regimes laten inpakken.

In 1960 aanvaardde Milosz een betrekking als professor in de Poolse literatuur aan de universiteit van Berkeley in Californië, waar hij tot zijn pensionering in 1978 bleef. In 1970 werd hij Amerikaans staatsburger. In zijn Californische jaren schreef hij zijn nog steeds gezaghebbende The history of Polish literature.

Door de Engelse vertalingen die Milosz vaak in samenwerking met anderen van zijn eigen poëzie maakte, kreeg hij langzamerhand als dichter bekendheid in de Verenigde Staten en daardoor ook in de rest van de wereld. Ondanks talrijke publicaties in het Engels bleef hij de Poolse taal echter trouw. Naar eigen zeggen was dat de taal waarin hij `woonde'. In het gedicht Mijn trouwe taal zegt hij, in de vertaling van Gerard Rasch: ,,Mijn trouwe taal./ Ik heb je gediend./ Elke nacht zette ik mijn schoteltjes met kleuren voor je neer,/ zodat jij de berk, de sprinkhaan en de vink zou hebben,/ bewaard in mijn geheugen.// Dat duurde vele jaren./ Jij was mijn vaderland, er was geen ander.''

Maar helaas een vaderland dat sterk aan bederf onderhevig was, want het gedicht vervolgt: ,,Want je bent een taal van verloederden,/ een taal van redelozen, die misschien meer/ zichzelf dan andere volkeren haten,/ een taal van verklikkers,/ een taal van geesteskranken,/ ziek van hun eigen onschuld.// Maar wat ben ik zonder jou?''

Zijn visie op het leven en de wereld werd er in de Verenigde Staten niet optimistischer op. Van hippies en flower power, zo rijk vertegenwoordigd in het Californië van de jaren zeventig, moest Milosz niet veel hebben. Het thema van het kwaad en de ondergang bleef in zijn werk dominant.

Na zijn Nobelprijs in 1980 kreeg Milosz ook in Polen officieel weer de erkenning die hij verdiende. Na de val van het communisme is hij naar zijn vaderland teruggekeerd.

Milosz' zeer omvangrijke oeuvre is geen gemakkelijke kost. Zijn poëzie is meestal beschouwelijk, filosofisch, en bovenal ernstig, een indruk die nog wordt versterkt door de over het algemeen lange dichtregels. Het leed van de wereld laat geen plaats voor spelletjes. Toch is zijn werk niet zonder humor, want net als elke grote schrijver weet hij dat echte ernst niet zonder een tegenwicht kan.

,,Hoe het in de hemel hoort te zijn weet ik, want ik kwam er vaak.'' Zo begint een gedicht uit 1986 over het paradijs van zijn kindertijd en de onsterfelijkheid die daarbij hoort. Onsterfelijk is zijn lichaam uiteindelijk niet gebleken, maar zijn werk maakt een goede kans.