Vruchtbare verhalen

Er bestaat een populaire theorie dat `het verhaal' de centrale vorm van het menselijk denken zou zijn. Een Canadese psychologe heeft nu eindelijk gekeken naar het nut van verhalen voor kleuters: ze worden beter in wiskunde.

`VOORLEZEN' is het moderne opvoedingsdevies. Maar waarom eigenlijk, behalve dat vrijwel alle kinderen houden van verhalen? De beroemde en inmiddels stokoude ontwikkelingspsycholoog Jerome Bruner (geboren in 1915) lanceerde in de jaren zeventig de theorie dat het `verhalende bewustzijn' voor de mens zeker zo belangrijk is als het `informatieverwerkende bewustzijn' – zo niet belangrijker. ``Het menselijk vermogen om onze ervaringen uit te drukken in verhalen is een instrument om betekenis te creëeren dat een groot deel van het leven domineert'', aldus Bruner in zijn boek Acts of Meaning (1990).

Maar deze grote woorden hebben eigenlijk nooit geleid tot veel onderzoek. In een recensie van Bruners laatste boek Making stories (2003) kan de Britse filosoof Galen Strawson deze `narratieve ideologie' dan ook vrij gemakkelijk afdoen als `utter nonsense'. ``De succesvolle ontwikkeling van een persoon kan net zo goed worden vergeleken met een gedicht'', schreef Strawson sceptisch.

Hoe dat ook zij, over het directe `mentale nut' van verhalen voor kinderen bestond tot nu toe slechts een handjevol onderzoeken onder jonge schoolkinderen met leerachterstanden. Uit sommige daarvan blijkt dat bij deze kinderen een talent voor verhalen vertellen inderdaad samenhangt met een hogere kans op schoolsucces (vooral leesvaardigheid). Maar andere onderzoeken vonden nauwelijks een effect van talent voor verhalen vertellen.

De psychologe Daniela O'Neill van de Canadese universiteit van Waterloo heeft nu voor het eerst het effect van verhalen vertellen onderzocht bij nog jongere kinderen, zonder leerachterstanden (First Language juni). ``Ik wil weten hoe vroeg verhalen al belangrijk zijn voor de mentale ontwikkeling'', zo zegt ze door de telefoon. ``Met behulp van verhalen leren kinderen de wereld om hen heen te begrijpen. Ze leren communiceren, problemen oplossen èn, heel belangrijk, de wereld door de ogen van een ander te zien: perspectiefwisseling.''

spontaan

Het onderzoek leverde een vrij precieze uitkomst op. De complexiteit en uitvoerigheid van de verhalen die de drie à vierjarige kinderen spontaan vertelden (dus zonder aandringen of leiding van volwassenen) bleek samen te hangen met een relatief hogere prestatie op een `wiskundetest' twee jaar later. In die test werd eenvoudige rekenvaardigheid gemeten (6+2=) maar ook kennis van `groter dan' `vierkant of rond', `derde in de rij' enzovoorts. De verschillen in wiskundeprestaties hingen voor ongeveer 16 procent samen met de verhalende prestaties twee jaar eerder (r = 0,4).

Aan het feit dat de verhaaltechniek van de kleuters (41 in totaal) twee jaar later niet samen bleek te hangen met andere vaardigheden, zoals leesvaardigheid, hecht O'Neill overigens niet veel waarde: ``Eigenlijk waren de kinderen met zes jaar nog te jong om dat goed te meten. In feite gaat het dan om letterherkenning. Als je tekstbegrip kunt gaan meten, verwacht ik ook daar een positief verband met verhalen vertellen.''

Maar ook voor het feit dat verhalen vertellen al op zo'n jonge leeftijd zo'n duidelijke samenhang vertoont met zoiets onverwachts als wiskundige vaardigheden heeft O'Neill een verklaring. Ze verwijst daarvoor naar de ideeën van de wiskundige Keith Devlin, die weinig verschil ziet tussen redeneren over relaties tussen wiskundige objecten en redeneren over menselijke relaties tussen personen. Beide maken gebruik van abstrahering, logisch redeneren en het leggen van verbanden. O'Neill: ``Uiteindelijk komt het waarschijnlijk neer op een vermogen tot generaliseren en patroonherkenning. Maar dat moet allemaal nog onderzocht worden, hoor!''

Het verband tussen verhaaltechniek en latere mentale ontwikkeling werd onderzocht met behulp van een voor de kinderen nieuw prentenboek over een jongetje en zijn kikker die naar een restaurant gaan en daar allerlei avonturen beleven (Frog goes to dinner, door Mercer Mayer). Eerst werden de twaalf pagina's met in totaal 19 tekeningen samen met de kleuter doorgenomen, door telkens te vragen: `wat gebeurt er hier op het plaatje?' – dus zonder verdere inhoudelijke vragen. Vervolgens haalde de experimentator een pop te voorschijn (Ernie of Pino uit Sesamstraat), die het verhaal graag wilde horen. De pop werd met klittenband aan de tafel tussen het kind en het boek geplakt, zodat hij vanuit hetzelfde perspectief als het kind kon `meekijken'. O'Neill: ``Uit eerder onderzoek blijkt dat kinderen aan zo'n pop veel spontaner en vollediger vertellen dan aan een volwassene. Aan zo'n pop vertellen is wèl leuk. In feite is benader je zo de manier waarop een kleuter een verhaal aan een ander kind vertelt.''

vijf testen

Twee jaar later werden dezelfde kinderen een vijftal cognitieve testen afgenomen (algemene kennis, een paar leestesten, `wiskunde' en spelling). Voor antwoorden op de vragen van de volwassene werd overigens géén effect op latere prestaties gevonden, vandaar dat O'Neill in haar conclusies nadruk legt op het `vrije vertellen'.

De elementen uit het verhaalvertellen op drie- en vier jarige leeftijd die voorspellende waarde hadden voor de uitkomst van de wiskundetest waren het gebruik van voegwoorden (zoals `maar' en `omdat'), verhaalinhoud (hoeveelheid elementen uit het prentenboekverhaal), vermeldingen van mentale toestand (`hij is boos') en `perspectiefwisseling'. De maat voor perspectiefwisselingen, speciaal ontwikkeld door O'Neill, lijkt heel simpel: als het kind eerst iets vertelt over de kikker en vervolgens over de muzikant in wiens toeter de kikker springt, dan geldt dat als een perspectiefwisseling. O'Neill: ``Er zaten echt kinderen bij die alléén maar over de kikker vertelden. Hij sprong erin en hij sprong er uit. Dat die muzikant daarvan schrikt en achterover in de trom valt negeren ze. In feite missen ze zo het hele verhaal.''

Directe adviezen voor ouders hoe het verhaalbewustzijn bij hun kinderen te versterken wil O'Neill niet geven. ``Het belangrijkste is waarschijnlijk dat de ouders ook verhalen vertellen. Dan pikken kinderen al heel veel op. En het moet leuk blijven. Geforceerd verhalen vertellen heeft waarschijnlijk geen zin.De dagelijkse praktijk is het belangrijkst.''