Ongekozen wortel

Onder de kop `De ongekozen wortel' stelt Rob van den Berg dat de regels voor meerderheidsbesluitvorming van het nieuwe grondwettelijke Verdrag voor Europa oneerlijk zijn (W&O, 24 juli). Een wiskundige analyse wijst namelijk uit dat `kleine landen' zoals Polen, Spanje en Nederland minder invloed krijgen, en `de grote landen, zoals Frankrijk en Duitsland', juist meer. Ik wil tegen de strekking van dit verhaal een aantal zaken inbrengen.

Het nieuwe grondwettelijke Verdrag moet worden vergeleken met het Verdrag van Nice, dat op 1 november van dit jaar in werking treedt. Tegen die achtergrond is het verwarrend om Spanje en Polen tot de kleine landen te rekenen. Het Verdrag van Nice heeft deze landen (met 40,7 mln respectievelijk 38,2 mln inwoners) immers tot de `bijna-groten' gerekend door ze 27 stemmen toe te kennen, maar twee stemmen minder dan de grote vier (waaronder Duitsland, dat met 82,5 mln inwoners groter is dan Spanje en Polen samen). Daarmee zijn Spanje en Polen veel te royaal bedeeld. Voor die constatering is geen diepgaande wiskundige analyse nodig.

Daarnaast is het eerlijk om het verschil tussen `groot' (Frankrijk met 59,6 mln inwoners, het Verenigd Koninkrijk met 59,3 mln en Italië met 57,3 mln) en `grootst' (Duitsland met 82,5 mln) tot uitdrukking te laten komen. Dat doet het grondwettelijke Verdrag ook, door het aantal inwoners rechtstreeks als een van de twee sleutels voor de stemverdeling te nemen. Dat maakt het vreemd om, zoals Van den Berg doet, Frankrijk en Duitsland in één adem als winnaars te noemen. Frankrijk wint maar marginaal aan stemmacht; veel zwaarder weegt dat de pariteit met Duitsland wordt doorbroken.

Ook in andere opzichten gaat de tweedeling `de grote landen winnen en de kleine verliezen' niet op. Afgemeten aan de Banzhaf-index doen de middelgrote lidstaten – van Nederland (16 mln) tot Oostenrijk (8 mln) – weliswaar een stapje terug, maar de kleinste lidstaten, gerekend vanaf Letland (2,3 mln), winnen juist aan invloed. Dat is te danken aan de dubbele sleutel: enerzijds worden de stemmen verdeeld conform de bevolkingsomvang; anderzijds valt bij het bepalen van de meerderheid van het aantal lidstaten aan elke lidstaat, ongeacht de grootte, één stem toe. De invloed van de kleinste lidstaten berust juist op die tweede sleutel.

Het is prima dat Van den Berg aandacht vraagt voor de stemmenweging conform de formule van Penrose (geef elke lidstaat een aantal stemmen dat evenredig is aan de wortel van de bevolkingsomvang), maar het zou niet verstandig zijn om Penrose in te zetten om het grondwettelijke Verdrag af te schieten. Het stemregime van het grondwettelijke Verdrag is niet alleen veel eerlijker dan de huidige regels en die van het Verdrag van Nice, maar biedt ook weer veel meer ruimte voor het vormen van de gekwalificeerde meerderheden. Dat blijkt uit analyses van de gerenommeerde economen Baldwin en Widgrén (zie: http://hei.unige.ch/baldwin). Het was beter geweest om vast te houden aan de drempels voor de gekwalificeerde meerderheid die de Conventie heeft voorgesteld (50% van de lidstaten en 60% van de bevolking), maar dat vormt geen reden om het grondwettelijke Verdrag maar af te wijzen, in het bijzonder niet omdat de terugvalpositie de continuering, ook na 1 november 2009, van de regeling van het Verdrag van Nice is. Die regeling is evident oneerlijk en staat een slagvaardige besluitvorming in de weg.