`Onethisch en zonder waarde'

Wetenschappers bewaarden stukjes bot van slachtoffers van de oorlog in Bosnië en Kosovo. Een smet op hun vak, menen antropologen.

AUG. De Amerikaanse forensisch antropoloog Tal Simmons viel bijna van haar stoel toen ze hoorde dat er onderzoek werd gedaan met stukjes bot van slachtoffers uit de oorlog in Bosnië en Kosovo. Dat was in februari van dit jaar, tijdens een bijeenkomst in Dallas van de Amerikaanse `Academy of Forensic Sciences' (AAFS).

Daar werden drie lezingen gehouden over methodes om de leeftijd van dodelijke slachtoffers uit ex-Joegoslavië te bepalen, op basis van een standaard voor die bevolkingsgroep. Tot nu toe werden schattingen over hun leeftijd gebaseerd op Amerikaanse gegevens over botgroei en veranderingen daarin die met leeftijd te maken hebben – maar Amerikanen zien er anders uit en ze groeien misschien wel op een andere manier dan Bosniërs of Albanezen uit Kosovo.

De wetenschappers die de papers in Dallas presenteerden, waren van de Amerikaanse universiteit van Tennessee. Ook de naam van een forensisch antropoloog die voor het Joegoslavië-tribunaal had gewerkt, werd genoemd: de Peruaan José Pablo Baraybar. De verzameling van de stukjes bot – van schaambeen, borstrib en sleutelbeen van zeker achthonderd slachtoffers – was naar hem genoemd: de `Baraybar Forensic Skeletal Collection'.

Tal Simmons, hoofddocent aan de universiteit van Central Lancashire in Groot-Brittannië, wist toen al dat er monsters van stukjes bot waren verzameld en opgeslagen. Ze had in Bosnië en Kosovo gewerkt en ze had in autopsie-rapporten van het tribunaal gelezen dat delen van botten uit de lichamen werden gehaald. Ze wist óók al dat nabestaanden van de slachtoffers daar geen toestemming voor hadden gegeven. In juli 2001 had Simmons aan het tribunaal geschreven dat ze zich zorgen maakte over de verzameling die werd aangelegd. Door het ontbreken van de stukjes bot was het voor andere forensische onderzoekers lastig geworden de identiteit van slachtoffers vast te stellen of te bevestigen. Bovendien, schreef ze, wordt de opslag van menselijke resten ,,algemeen beschouwd als onethisch'' als die niet is bedoeld voor de bewijsvoering in een strafrechtelijk onderzoek.

Plaatsvervangend hoofdaanklager Graham Blewitt had teruggeschreven dat het tribunaal toestemming had gegeven voor het onderzoek omdat het voor de aanklagers belangrijk was de leeftijd van slachtoffers preciezer vast te stellen dan nu mogelijk was. De regering van Bosnië zou zijn geïnformeerd, Kosovo noemde hij niet, maar aan de nabestaanden was geen toestemming gevraagd ,,als gevolg van gebrekkige identificatie'' van de slachtoffers.

In de pauze van de bijeenkomst in Dallas praatte Tal Simmons met een van de betrokken wetenschappers. Ze zei: ,,Jullie hebben een gigantisch probleem. Óf deze mensen zijn geïdentificeerd en dan hebben jullie nagelaten hun familie om toestemming te vragen. Óf ze zijn niet geïdentificeerd, en dan is de verzameling wetenschappelijk gezien waardeloos.'' Want als de leeftijd van de slachtoffers niet bekend is, kan van de verzameling ook geen standaard worden gemaakt om ándere slachtoffers mee te vergelijken. Simmons had in Kosovo voor de OVSE een plan gemaakt voor het identificeren van slachtoffers. Ze wist dat de identificatie door het tribunaal, zoals Blewitt ook had geschreven, niet foutloos was verlopen.

Forenische onderzoekers die op ad hoc basis voor het tribunaal hebben gewerkt, zijn verontwaardigd over de manier waarop de verzameling nu wordt gebruikt. Volgens hoogleraar forensische antropologie Sue Black, van de universiteit in het Schotse Dundee, praten antropologen en pathologen die, net als zijzelf, op de Balkan hebben gewerkt liever niet in het openbaar over de verzameling van Baraybar. ,,Omdat het de integriteit in twijfel trekt van het forensische team van het tribunaal. Niemand zit erop te wachten dat advocaten van verdachten er vragen over gaan stellen of dat het onderzoek daardoor in elkaar stort. En dit betekent een smet op ons vakgebied.'' Maar het is, zegt ze, beter dat er nu openheid over komt. ,,José Pablo moet met zijn handen omhoog gaan staan en heel hard `het spijt me' roepen. Denk eraan wat dit betekent voor nabestaanden. Zij rouwen nog iedere dag.''

De Bosnische Munira Subasic, van de Beweging van Moeders uit de enclave Srebrenica en Zepa, zegt door de telefoon vanuit Sarajevo dat ze pas deze zomer ,,van iemand'' heeft gehoord over de verzameling van Baraybar. Een maand geleden heeft haar organisatie er een e-mail over gestuurd naar hoofdaanklager Carla Del Ponte. ,,We willen weten wie hiervoor verantwoordelijk is. Het is een schande voor de hele wereld, na alles wat de moslims in de oorlog al is overkomen, dat iemand wetenschappelijk onderzoek doet met de resten van onze geliefden. We willen die lichaamsdelen terug.'' Del Ponte heeft nog niet gereageerd, zegt Munira Subasic. ,,We geven haar nog twee maanden. Als we dan niets hebben gehoord, gaan we ophef veroorzaken.'' Del Ponte is nu met vakantie. Haar woordvoerster zei vorige week dat ze niets over het onderzoek van Baraybar weet. ,,En als het niet openbaar is gemaakt, kan ik er geen commentaar op geven.''

Het onderzoeksmateriaal van Baraybar wordt sinds de zomer van 2002 bewaard op de universiteit van Tennessee. Volgens Baraybar zal het de komende maanden worden teruggestuurd naar Kosovo. Of dat ook voor Bosnië geldt, weet hij niet. Hij vindt dat het niet begraven moet worden, omdat het kan worden gebruikt als lesmateriaal voor de Kosovaren. Hoogleraar Sue Black noemt dat een ,,afschuwelijk idee'', een ,,belediging''. ,,Stel je voor dat je les krijgt met materiaal van mensen die nog maar zo kort geleden zijn omgekomen. Het kan van je vader, je opa of je broer zijn.''

m.m.v. Lidija Zelovic