Laveren tussen de grillen van Nippon

Wil van der Poel was tot enkele maanden na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 leidster van het gevangenkamp Lampersari in Indonesië. Ze was geliefd maar kreeg ook kritiek. Uit verslagen van ooggetuigen blijkt dat ze confrontaties met de Japanse bezetters niet uit de weg ging. `Er was niet goed gebogen en mevrouw van der Poel heeft klappen opgelopen.'

In 1942 blijft een Nederlandse onderwijzeres alleen achter op Java, Nederlands-Indië. Ze is veertig jaar en haar man is als krijgsgevangene van de Japanners naar de Birma-spoorlijn gestuurd. Als de Japanse Autoriteit beveelt alle Europese vrouwen en kinderen gevangen te zetten in onder meer `beschermde wijken', komt zij terecht in een commissie in Semarang die de internering voorbereidt. Vanaf oktober 1942 stromen de eerste vrouwen en kinderen binnen in een wijk in Semarang, die bestaat uit twee grote straten: Lampersari en Sompok. In de drie jaar die volgen zullen een kleine achtduizend vrouwen en kinderen het Lampersari-kamp gaan bevolken en worden ook de aangrenzende wijken in gebruik genomen voor het kamp.

Als jongetje van anderhalf kom ik op 28 december 1942 met mijn moeder en zusje in de wijk aan. Twee weken later gaan de poorten dicht en dan is Lampersari een echt gevangenkamp. De onderwijzeres, Wil van der Poel, die voor de oorlog Japans heeft geleerd tijdens een verblijf in Kobe, wordt hoofd van het bestuur. Tot augustus 1945 zal zij onder de Japanners leiding geven aan het kamp in Semarang. Dit portret is ontstaan uit interesse in een vrouw die van invloed is geweest op mijn eerste levensjaren. Ik baseer me op haar eigen aantekeningen en op wat getuigen over haar hebben verteld. Wil van der Poel heeft na de oorlog tot haar dood in 1989 over haar kampervaringen gezwegen.

Waschkommen

Tot 12 januari 1943 was het leven in het Lampersari-kamp zo slecht nog niet, zo blijkt uit een brief die mijn moeder op 6 januari schreef. `We hebben hier een uitstekende gaarkeuken. 's Morgens eet ik daar met de kinderen (brood met echte boter, elk een ei, nog wat pap en thee). 's Middags en 's avonds haalt de baboe het eten en er is geweldige afwisseling en altijd fruit toe. [...] Met een bus ben je voor 3 ct in de stad. Ik ben een keer geweest met Sietske naar de groote passar [markt] op Bodjong en heb van allerlei huishoudelijke artikelen nog gekocht (waschkommen, strijkijzer, theepot, ketel enz.) [...] De school is hier gisteren begonnen in het kamp, ongeveer 170 kinderen er is ook een kleuterschool. Alles is even goed in orde.'

Later dat jaar worden de omstandigheden slechter. In september wordt het onderwijs door de Japanners verboden. Een kind sterft en de familie mag het niet wegbrengen naar de begraafplaats buiten het kamp. Voorafgaand aan een kerkdienst voor het kind houdt mevrouw Van der Poel een toespraak. Ze gaat vaker voor in kerkdiensten om mensen een hart onder de riem te steken. Maar de kampbewoners krijgen via haar soms ook moeilijke berichten te verwerken. Zoals, in december '43, de aankondiging dat jongens van 15 jaar en ouder naar een apart kamp worden afgevoerd, en een jaar later dat jongens vanaf 10 jaar hetzelfde lot treft. In een schrift noteert Van der Poel dat een bepaalde jongen niet in 1934 maar in 1935 geboren is. Vermoedelijk heeft ze dit verklaard tegenover de Japanners en moet ze het onthouden. Het heeft deze jongen een jaar langer bij zijn moeder gelaten.

In haar nieuwjaarstoespraak van 1944 is ze somber. Dankzij een verstopte radio is ze goed op de hoogte van wat er in de buitenwereld gebeurt. `Vanmorgen gingen we luisteren naar de toespraak van mevrouw van der Poel', schrijven Boissevain en Van Empel in Vrouwenkamp op Java. `We gaan zoals ze zei, ongetwijfeld een moeilijk jaar beginnen. Inderdaad geloof ik niet, dat er iemand in het kamp is die niet met een bezwaard hart denkt hoe het straks moet gaan, als we op elkaar gepakt zitten met een verdubbeld aantal.' Toch is de voedselsituatie dan nog altijd redelijk. Er is zelfs een actie gehouden waarbij om een ei, een theelepel suiker en meel werd gevraagd om een taart te kunnen bakken voor Van der Poels verjaardag en die van een medebestuurslid.

Het bewonertal is opgelopen tot 3.662 en het kamp gaat over in militaire handen. Kampcommandant Ito maakt een hiërarchie van vijf lagen voor de kamporganisatie met voor iedere laag zijn eigen aantal rode en zwarte strepen. Aan het hoofd wordt mevrouw Van der Poel de `Kaicho' met drie rode strepen, aan haar is iedereen (volgens de kampcommandant) volstrekte gehoorzaamheid verschuldigd. Met onder haar als Fuki Kaicho twee vrouwen die over de vierkante meters gaan, een niet onbelangrijke taak als het kamp later volgestouwd wordt met nog eens vierduizend mensen. Van der Poel heeft daarnaast vier mensen onder zich die verantwoordelijk zijn voor respectievelijk de keuken, de voorraden, de winkel en de werkindeling. Ook het ziekenhuis en de medische verzorging vallen onder haar eindverantwoordelijkheid.

Verschillende getuigen beschrijven hoe Van der Poel optrad bij uiteenlopende problemen. Zo kreeg een van de bewoonsters in het kamp een baby van een Japanner. `Bezocht de Jap haar in haar kamer in het kamp, wat heel onplezierig was voor de medebewoners, dan ging mevrouw van der Poel er bij zitten tot ergernis van de Jap, zodat hij uiteindelijk zijn bezoeken staakte.' De getuige heeft dit verhaal van horen zeggen.

In februari 1944 proberen de Japanners in Lampersari troostmeisjes te ronselen.Volgens een getuige kwamen op een dag twee Japanners in burger het kamp binnen, die jonge vrouwen aanwezen om buiten het kamp te `werken'. `De moeders waren zo ontdaan, dat verscheidene van de groente tafel wegliepen met de messen nog in de hand. Mw van der Poel werd gewaarschuwd, liep naar de telefoon en belde linea recta de Commandant van Java op om te protesteren tegen het weghalen van de meisjes. Hij zegde toe, dadelijk een paar officieren te sturen om de indringers te verwijderen'.

Een van de kinderen die in het kinderziekenhuis was opgenomen schrijft in 2003:`In 1944 werd ik opgenomen in het ziekenhuis op de kinderafdeling. Ik had dysenterie en hoge koorts. 's Avonds als er op de zaal alleen een klein lampje licht gaf, kwam mevrouw van der Poel op de zaal om te zien en te vragen hoe het met de kinderen was. In mijn beleving kwam dan Koningin Wilhelmina langs (ze hadden dezelfde voornaam). Elke avond was ze er weer mijn `koningin'.'

Hans Wiessner schrijft in 1995 in Kawatberichten, het orgaan van de Vereniging Kinderen uit de Japanse Bezetting en de Bersiap, dat uit naoorlogse proces-verbalen niets dan lof blijkt over mevrouw Van der Poel. Toch was het bestuur niet bij iedereen even geliefd. `Ze waren gekozen door de Semarangers en de eigen mensen dweepten met hen, speciaal met mevrouw van der Poel. De nieuwe niet', schreven mevrouw A. Giesbers-Bloem en A. de Vries-Giesbers in antwoord op vragen van RIOD (nu NIOD) in 1947. `Toen de nieuwe groepen met klachten kwamen, heeft mevrouw van der Poel haar functie neer willen leggen, maar er was geen liefhebster voor en daarom is ze toen aangebleven.' In een getuigenverklaring in het rijksarchief in Den Haag, opgenomen op 20 maart 1946 op Ceylon (Sri Lanka), staat: `De leidster in Lampersari was mevr v.d. Poel, die over het algemeen geen goede naam had, wegens haar harde, koele houding. Persoonlijk heeft informante geen onaangename ervaringen met haar gehad, integendeel tegen informante is Mevrouw van der Poel altijd bepaald vriendelijk geweest en voorkomend. Doordat zij goed Japans sprak (zij leerde dit tijdens haar verblijf in Japan, waar haar man agent van Jacobson is geweest), kon zij goed met de Jap opschieten.'

Klappen

Maar, zo blijkt uit andere getuigenissen, Van der Poel ging confrontaties met de Japanners niet uit de weg. Na de finale van een hockeycompetitie, die in 1943 `toevallig' op 31 augustus, Koninginnedag, wordt gespeeld, houdt Van der Poel een speech. Zij eindigt met de uitroep `lang leve de koningin'. Het daarop losbarstende gezang wordt door de Japanners verboden.

Op 12 juni 1944 schrijft Lennie van Empel in haar kampdagboek: `Er was niet goed gebogen en mevrouw van der Poel heeft een paar klappen opgelopen.' In een getuigenverklaring opgenomen op Ceylon, lezen we: `Informant heeft ook meegemaakt dat bij aankomst van de vrouwen uit Bandoeng op 5 december 1944 deze zich voor de Jap moesten uitkleden om te worden nagekeken of zij iets op hun lichaam verborgen hadden. De Jap (naam onbekend) eiste toen van mevrouw van der Poel dat zij de vrouwen op de lijve onderzocht op geld. Zij weigerde dit en werd derhalve hevig geslagen. Noodgedwongen ging zij toen tot fouillering over, doch zei niets gevonden te hebben. Hierop deed de Jap het zelf en ontdekte het een en ander, waarop mevrouw van der Poel nogmaals werd afgeranseld.'

Het bestuur moest de strenge orders van de Japanners doorgeven en handhaven. Maar machtsmiddelen om overtredingen te bestraffen, ontbraken. `Tegen diefstal is niets gedaan', rapporteren twee getuigen in september 1947. `Een vrouw verkwanselde het eten van haar kind tegen sigaretten. Mevrouw van der Poel liet toen het kind op het kantoor eten opeten.'

Vaak ontdekte de Japanse kampbewaking zelf een overtreding van een van de voorschriften. Jan de Mepper (Yamamoto Zenya) wist hier wel raad mee; hij kreeg zijn bijnaam niet voor niets. In oktober 1944 verliest zuster Goedhart haar zelfbeheersing op het moment dat een medegevangene wordt geslagen en valt de Koreaanse kampbewaker Kanemoto aan. Ze wordt vreselijk afgeranseld op het kantoor en vervolgens met een gebroken onderarm zonder medische behandeling in afzondering opgesloten. Na vier weken krijgt ze op 3 november onverwacht gratie omdat de Japanse keizerin jarig is. Ze overleeft het maar net en ligt nog twee weken in het ziekenhuis.

Na de oorlog wordt dit incident gezien als de zwaarste terreurdaad die in het kamp heeft plaatsgevonden, schrijft W. Rinzema-Admiraal in Java, het laatste front. Van der Poel gaat de wijk in om de geschrokken bevolking te kalmeren. `Er ligt een nachtmerrie achter ons', schreven Boissevain en Van Empel. `Vanavond heeft mevrouw van der Poel ons toegesproken en ik kon haar woorden ten volle beamen toen ze zei: `God geve dat we zo'n dag nooit meer hoeven te beleven'.' Van der Poel zegt ook zuster Goedharts actie niet moedig te vinden, wat haar op scherpe kritiek komt te staan.

Het bestuur probeert de kampbevolking te informeren en zo nodig te waarschuwen met printah's, geschreven opdrachten en/of mededelingen, meestal gericht aan de wijkhoofden. Er waren printah's over het ten onrechte stoken van een vuurtje, het achterhouden van voedsel en over controle op de keuken. Op 25 december 1944 stuurt Van der Poel alle wijkhoofden een printah met een kerstwens. Een week later houdt zij op nieuwjaarsdag een serie `hagepreken' waarin ze de kampbewoners een hart onder de riem steekt. Ze besluit de redes met het veertiende couplet van het Wilhelmus dat eindigt met `'t sal hier haest zijn gedaen!'

In het laatste oorlogsjaar wordt een veld aangelegd buiten het kamp voor het verbouwen van groenten die eerder moesten worden ingevoerd. Desondanks wordt de voedselsituatie steeds nijpender. In een schrift van Van der Poel, bijgehouden in de laatste drie kampmaanden, zien we herhaaldelijk aantekeningen in telegramstijl van overleg hierover met de artsen: `Doktoren hulp verzocht [...] 1 Zelf: voorstel zachte rijst en pap – doktoren unaniem tegen – kamp blij met droge rijst en korrels 2 keuken verwerkte alles met olie – doktoren voor uitdeling – kamp is blij mee – psychologie van groote waarde'.

Eind mei, als het kamp al meer dan 7.600 inwoners telt, houdt ze in hetzelfde schrift bij wie extra rantsoenen moeten krijgen. Naast de extra melk voor ziekenhuis (55), kinderen (70) en attesten (23) is er ook een extra schep voor vitale diensten zoals keuken (250), verpleging en laboratorium (58), artsen (8) en het kantoor (15). Ze houdt zich actief bezig met de eerlijke verdeling van het beschikbare voedsel. Als een keukenploeg zichzelf meer voedsel toedeelt dan toegestaan, ontslaat Van der Poel twaalf mensen van de groentewasploeg.

Begin juli krijgt ze toestemming een Engelstalig telegram te sturen aan haar man, van wie ze bericht heeft ontvangen. `Working hard as head of very big camp', schrijft ze. `Many difficulties, but God helps.' Haar verjaardag gaat ook dat jaar niet ongemerkt voorbij. De wijkhoofden en haar medebestuursleden borduren op een witte doek met de laatst overgebleven borduurkleurtjes een boom met al hun namen. Op de stam staat `Kaicho'.

Achterdocht

Op 31 juli wordt Van der Poel onverwachts overgeplaatst naar het jongenskamp Bangkong in de buurt van het Lampersarikamp. De reden is onduidelijk. Op 1 augustus blijkt uit haar notities dat ze in Bangkong haar oude beroep van onderwijzeres weer heeft opgevat. In haar schrift verschijnen reeksen met namen (totaal 50) van jongens met geboortedatum (1930 tot 1935) en soms kampnummer, met datum en tijdstip van lessen. De groepen zijn niet groot; maximaal 10. Maar ze noteert achter iedere naam het huiswerk, meestal rekenen. Ze houdt bij hoe vaak ieder komt en bij een paar leerlingen zelfs resultaten. Dit duurt maar drie weken, want op 23 augustus dringt het nieuws van de Japanse capitulatie door tot het kamp en verdwijnen veel jongens snel naar de `moederkampen'.

Van der Poel keert terug naar Lampersari, waar ze op verzoek haar post van hoofd hervat. In een toespraak doet ze een beroep op het saamhorigheidsgevoel en waarschuwt ze dat de vrede nog niet is getekend. Terwijl het kamp na verloop van tijd begint leeg te lopen, blijft ze op haar post. Op 26 januari 1946 verlaat zij Semarang, als een van de laatsten van het kamp, om zich te herenigen met haar man.

Een neef van haar schreef mij dat beiden in later jaren maar zeer weinig over hun oorlogservaringen wilden vertellen. `Wel is ons duidelijk geworden dat het voor haar een ontzettend moeilijke en vaak vernederende tijd is geweest; voortdurende bedreigingen van de zijde van de Japanners, grote waardering van de zijde van de meeste Nederlandse vrouwen in het kamp, maar ook wantrouwen en achterdocht van een aantal andere vrouwen omdat zij als één van de zeer weinigen vloeiend Japans sprak.' Het meisje dat in het kinderziekenhuis in Van der Poel de koningin zag, kende die achterdocht niet. Zij noemde Van der Poel in 2003 `[...] een sterke vrouw, die in die tijd een grote verantwoordelijkheid had, die moest laveren tussen de grillen van Nippon en die voor de belangen van de kampmensen moest opkomen. Ze was ook een warme persoonlijkheid met een groot godsvertrouwen'.

De meeste kampdagboeken houden na de oorlog op. Bij de berechting van Japanse oorlogsmisdadigers voor de Temporaire Krijgsraad, vinden we voor het eerst een officiële getuigenis van Van der Poel zelf. Zij getuigt onder meer tegen Yamamoto Zenya (Jan de Mepper), geboren in Korea. Ze wordt, zo blijkt uit het vonnis van 27 januari 1947, als getuige à decharge door Jan de Mepper aangevoerd. Maar op zes aanklachten getuigt ze tégen hem. Toch oordeelt ze vermoedelijk objectief, want bij het vonnis wordt gesteld: `Overwegende, omtrent de op te leggen straf dat getuige van der Poel nopens beklaagdes optreden heeft verklaard, dat hij zich niet heeft gedragen als een Japanner die van alle gevoel was ontbloot, waarvan getuige voorbeelden geeft; dat hij er in het algemeen niet met volle kracht op los sloeg, doch zeker wel minder had kunnen slaan als hij gewild had; dat hij placht te slaan met de hand en een stuk hout, daarbij blauwe striemen makende; dat beklaagde tweede of derde man in het kamp, de straffen uitdeelde in opdracht van de kampcommandant; dat het daarentegen voor getuige dikwijls lastig was, om uit te maken of beklaagde sloeg uit vrees voor zijn chef of uit persoonlijk genoegen. De Raad wil als gronden voor strafverlichting wel doen strekken de enkele menselijke trekken in beklaagdes karakter, door getuige van der Poel ter sprake gebracht.'

Jan de Mepper krijgt een gevangenisstraf van tien jaar.