Generaal in schaapskleren

Na 11/9 is het islamitische Pakistan plotseling weer de trouwste bondgenoot van de Verenigde Staten in Azië. Generaal Musharraf beloofde Washington steun in de strijd tegen het terrorisme, en meldde eerder deze week dat `90 procent' van alle extremisten in zijn land zijn opgepakt. Maar wie is Musharraf werkelijk?

Pakistan is een land van mullahs en militairen. De islam was 57 jaar geleden de ideologische rechtvaardiging om zich af te scheiden van het seculiere, maar overwegend door hindoes bevolkte India. En de helft van de tijd dat Pakistan nu bestaat, hebben generaals er de dienst uitgemaakt.

Maar wie een blik werpt op de index van de beurs van Karachi, 's lands commerciële centrum aan de Arabische Zee, krijgt de indruk dat Pakistan ook een land is geworden van speculanten. Beleggers in de Karachi-index hebben de afgelopen vijf jaar een koerswinst geïncasseerd van meer dan 500 procent. De beurs van Karachi behoort tot de best presterende in de wereld.

Dit werpt een verrassend licht op een derdewereldland waar 55 op de 100 volwassenen niet kunnen lezen of schrijven maar dat wel over atoombommen beschikt. Met een jaarlijks inkomen van bijna 500 dollar per hoofd van de bevolking behoort Pakistan met zijn 150 miljoen inwoners tot de armste landen ter wereld. De Karachi-index bewijst dan ook dat de prestaties van een aandelenbeurs niet maatgevend hoeven te zijn voor de rijkdom van een land.

De Karachi-index laat ook zien dat goede beurskoersen niet per definitie samenvallen met democratie. Beleggers hebben meer belang bij stabiliteit dan bij democratisch gekozen regeringen. In Pakistan schoot de Karachi-index met 200 procent omhoog, nadat de huidige president van het land, de 60-jarige generaal Pervez Musharraf, de macht aan zich had getrokken. Dat was in oktober 1999.

Maar de echte sprong tot duizelingwekkende hoogte heeft de Karachi-index gemaakt na een historische dag die overal elders in de wereld de koersen deed wankelen. Dat was de dag dat gekaapte vliegtuigen de twee torens van het World Trade Center in New York en het Pentagon in Washington binnen vlogen, en Pakistan frontstaat werd in de oorlog tegen de Talibaan en Al-Qaeda in buurland Afghanistan.

Daags na 11 september 2001 kreeg president Musharraf het telefoontje dat hij kon verwachten. Als `generaals onder elkaar' sprak de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Colin Powell, tot de legerleider. Powell zei: ,,We hebben iemand nodig op onze flank die met ons meevecht.'' Powell en zijn onderminister Richard Armitage hadden een verlanglijstje van zeven punten opgesteld, waaronder het openstellen van het Pakistaanse luchtruim voor Amerikaanse gevechtsvliegtuigen, verstrekken van inlichtingen, en beëindiging van steun aan de Talibaan. ,,Musharraf zei tot verbazing van Powell dat Pakistan de Verenigde Staten op alle zeven punten zou steunen'', schrijft de Amerikaanse journalist Bob Woodward in zijn reconstructie Bush at War.

President Musharraf stond in eigen land dan ook met de rug tegen de muur. Hij besefte dat de pro-Amerikaanse ommezwaai zeer slecht zou vallen. Maar hij calculeerde in dat, ondanks luidruchtige straatdemonstraties in verscheidene steden, ook in fundamentalistische kringen van leger en islamitische partijen uiteindelijk begrip zou worden opgebracht voor het feit dat hij, `in het nationaal belang' geen andere keuze had. `Pakistan voor alles', is immers de leuze die het land verenigt. En hij realiseerde zich dat juist deze gedwongen keuze een gouden kans inhield, voor zijn land en voor hem.

Een week na het eerste telefoontje met Powell – er zouden er de afgelopen tweeëneenhalf jaar nog meer dan tachtig volgen, becijferde de minister onlangs – richtte Musharraf zich op radio en televisie tot de natie om zijn aansluiting bij de door Washington gewenste internationale coalitie te verdedigen. ,,De crisis waarmee we worden geconfronteerd is ontzagwekkend en zonder precedent. Als we de verkeerde besluiten nemen, kan dat tot zeer ernstige gevolgen leiden voor Pakistan. Aan de andere kant, als we de juiste beslissingen nemen, zullen de resultaten goed zijn'', sprak hij.

Zijn voorspelling is uitgekomen. Na zijn coup in 1999 werd Musharraf bejegend als een paria in de internationale arena. Pakistan kreeg nieuwe sancties opgelegd, na eerdere wegens kernproeven in 1998. Maar sinds de 11de september wordt in de Westerse hoofdsteden de rode loper voor hem uitgelegd. De Amerikaanse president George W. Bush prijst zijn ,,moed en visie'' in de strijd tegen terreur en ontving hem vorig jaar juni in het buitenverblijf Camp David. De komende jaren mag Pakistan opnieuw rekenen op miljarden dollars aan Amerikaanse steun, ondanks de publiekelijke bevestiging begin dit jaar van wat Amerikaanse en Britse inlichtingendiensten al jaren vermoedden, namelijk dat het land de grootste verspreider is van kernwapentechnologie in de wereld.

Ditmaal is geen sprake van `een gelegenheidshuwelijk' maar van een `duurzame relatie', zei Powell dit voorjaar bij zijn laatste bezoek aan Islamabad in een indirecte verwijzing naar het `verraad' in de beginjaren tachtig toen Pakistan aan zijn lot werd overgelaten. Geen wonder dat de Pakistaanse aandelenkoersen het zo goed doen. De Karachi-index is voor alles een graadmeter voor Amerikaans vertrouwen én geld.

Maar wie is eigenlijk die Zuid-Aziatische bondgenoot, op wie de Amerikanen hun kaarten hebben gezet in de jacht op Al-Qaeda en de bestrijding van moslimextremisme? Is Musharraf inderdaad, vanuit Amerikaanse perspectief, de `laatste zekerheid' in Pakistan? Is hij een visionair leider die Pakistan wil én kan omvormen tot ,,een tolerante, progressieve en dynamische islamitische verzorgingsstaat'', zoals hij heeft aangekondigd.

Of is hij door zijn militaire verleden zo verweven met de Pakistaanse praktijk om `terrorisme in te zetten als instrument om politieke doeleinden te bereiken' (in Afghanistan en Kashmir), dat hij ,,zowel onderdeel is van het probleem als van de oplossing'', zoals hoogleraar Timothy D. Hoyt van de United States Naval War College vorig jaar opmerkte in een hoorzitting van het Huis van Afgevaardigden.

Goed in sport

Eigenlijk is het gezien zijn immigrantenafkomst helemaal niet logisch dat generaal Pervez Musharraf is opgeklommen tot de positie die hij nu inneemt. Het Pakistaanse leger wordt traditioneel gedomineerd door officieren uit de grootste provincie van het land, de Punjab. Musharraf is geen Punjabi en ook geen Pathaan. Hij is een `mohajir', een `inwijkeling' die ten tijde van de bloedige deling met India (in 1947) naar Pakistan kwam. Hij was vier toen zijn ouders met de laatste trein vanuit Delhi veilig in Karachi aankwamen.

Musharraf komt uit een milieu dat vrienden en familieleden omschrijven als gematigd godsdienstig, modern en bijna seculier in maatschappelijke opvattingen. Zijn moeder studeerde Engelse letterkunde en werkte voor de ILO (International Labor Organization). Zijn vader, twee maanden na de machtsovername van zijn zoon overleden, was in India ambtenaar bij het Brits-Indische bestuur. Hij had een koffer met geld bij zich toen hij met zijn gezin de trein naar Karachi nam, bestemd voor de opbouw van de nieuwe Pakistaanse regering. Lang bleef het gezin niet in wat destijds de hoofdstad van de nieuwe natie was. Het grootste deel van zijn vroege jeugd, tussen 1949 en 1956, woonde Musharraf in Ankara waar zijn vader als diplomaat werd gestationeerd.

De twee broers van Musharraf waren betere studiehoofden dan hij. Zijn oudste broer Javed is landendirecteur bij het internationale fonds voor landbouwontwikkeling van de Verenigde Naties, IFAD, in Rome. Zijn jongste broer, Naved, woont al 25 jaar in de VS en is anesthesist in Chicago. Ook Musharrafs zoon Bilal is naar Amerika verhuisd; hij is beëdigd accountant in Boston. Dochter Ayla is wel in Pakistan gebleven: ze is architect en woont in Karachi.

,,Pervez is een man met seculiere opvattingen'', zei zijn broer Naved tegen een Amerikaanse journalist die daags na de machtsgreep in oktober 1999 om opheldering vroeg. ,,Hij gelooft in scheiding tussen staat en kerk.''

Net als veel andere Pakistaanse leiders bezocht Musharraf katholieke scholen, in Karachi en Lahore. Dat hij daarna koos voor de Militaire Academie, vindt zijn moeder achteraf niet zo gek gezien zijn sportieve aanleg. Een academische carrière zat er niet in, daarom moedigde ze hem aan in het leger te gaan, zei ze eerder dit jaar in de Pakistan Times.

Na zijn studie aan de Militaire Academie vocht de jonge officier in de oorlogen met India van 1965 en 1971 en werd hij onderscheiden voor betoonde moed. De afloop van beide oorlogen heeft diepe littekens achtergelaten in de Pakistaanse psyche. In 1965 lokte het leger een strijd uit om Kashmir, maar moest het al na enkele weken in het zand bijten door gebrek aan brandstof en munitie. Nog traumatischer was de afloop van de oorlog in 1971, toen het stiefbroederlijk behandelde Oost-Pakistan zich van het huidige Pakistan afscheidde als Bangladesh. Daarmee werd het blazoen van Pakistan (`Zuiver Land') als modelstaat voor moslims blijvend geschonden.

Humor

Musharraf heeft lange tijd gediend als vrijwilliger in de Special Services Group, de elite-eenheid van het Pakistaanse leger. Op ernstige momenten, als het nodig is gezag uit te stralen, vertoont Musharraf zich nog steeds bij voorkeur in het uniform van de commando's op persconferenties. Dat deed hij bijvoorbeeld bij het begin van de Amerikaanse bombardementen op Afghanistan in oktober 2001.

Op foto's uit zijn rekrutentijd is een magere jongeman te zien, met een bescheiden maar vastberaden blik in zijn ogen. ,,Hij is een zeer begaafd spreker, vol zelfvertrouwen, met overwicht en zeer duidelijk, en met een plezierig gevoel voor humor. De opmerkingen die hij maakte waren steeds weloverwogen en ter zake doende en vaak scherpzinnig'', staat in het getuigschrift dat brigadegeneraal P. Musharraf op 20 december 1990 meekreeg na afloop van zijn cursus aan de prestigieuze Britse Royal College of Defence Studies.

Negen jaar later was de tijd rijp om die kwaliteiten voor de natie te etaleren. Musharrafs coup, in de late avond van dinsdag 12 oktober 1999, was nummer vier in de Pakistaanse ge-

Vervolg op pagina 6

Vervolg van pagina 5

schiedenis. Het vliegtuig van vlucht PK 805 had nog maar voor enkele minuten brandstof aan boord toen het na enkele omzwervingen de landing inzette op het vliegveld van Karachi. De zittende premier Nawaz Sharif had de uitdrukkelijke opdracht gegeven het toestel niet toe te laten. Musharraf had eerder op dag in de Sri Lankese hoofdstad Colombo, waar hij een regionale top bijwoonde, te horen gekregen dat Sharif hem aan de kant wilde zette als legerchef. De generaal mobiliseerde onmiddellijk hem getrouwe officieren in het leger op het hoofdkwartier in Rawalpindi, stapte op de eerstvolgende vlucht naar huis en droeg de gezagvoerder op koste wat koste te landen in Karachi.

Musharrafs coup was binnen enkele uren beklonken en er vloeide geen bloed. ,,Mijn enige drijfveer is het welzijn van het land. (..) Broeders en zusters, uw gewapende strijdkrachten hebben u nooit in de steek gelaten en zullen u nooit in de steek laten, als God het wil'', sprak de couppleger midden in de nacht op de radio.

Nawaz Sharif, die in februari 1997 voor de tweede maal namens de Pakistaanse Moslimliga (PML) tot premier was gekozen, was bezig met een `civiele' coup. Hij had een constitutionele crisis uitgelokt door de president van het land tot aftreden te dwingen, en niet lang daarna de president van het Hooggerechtshof. Die had het gewaagd beschuldigingen wegens corruptie tegen hem in behandeling te nemen. Ook de verhouding met het leger werd steeds problematischer. In oktober 1998 trad legerleider Jehangir Karamat af nadat hij kritiek had geleverd op onder andere het economisch wanbeleid. Vervolgens benoemde Sharif Musharraf tot Karamats opvolger, omdat hij een – in zijn ogen – zwakke legerleider wilde. Maar direct na zijn promotie versterkte de generaal zijn machtspositie door loyale officieren op cruciale posten te zetten. En een jaar later betaalde het zich uit.

Hoog in het noordoosten, vlak over de bestandslijn in Kashmir met India, ligt Kargil. Daar, op een hoogte van ongeveer vijf kilometer, werd in het voorjaar en de zomer van 1999 het eindspel tussen Sharif en Musharraf ingezet. In februari nog had premier Sharif zijn Indiase ambtgenoot Vajpayee met ceremoniële erewacht onthaald. De `Verklaring van Lahore' luidde een historische détente in tussen de aartsrivalen Pakistan en India, jubelde de wereldpers. Maar terwijl de inkt van Lahore nog nauwelijks droog was, infiltreerden Pakistaanse soldaten en honderden `vrijwilligers' van islamitische milities diep in Indiaas grondgebied. Een nieuwe Pakistaans-Indiase oorlog om Kashmir stond op uitbreken; Indiase gevechtsvliegtuigen bombardeerden de stellingen van Pakistaanse infiltranten.

Blunder

Pakistan moest weer diep door het stof. En het was als snel duidelijk dat ditmaal legerleider Musharraf de vernedering zou moeten ondergaan. ,,Tactisch briljant maar strategisch een blunder'' oordeelden analisten achteraf over het Pakistaanse avonturisme bij Kargil.

Premier Sharif reisde af naar Washington. Op 4 juli zegde hij na een indringend gesprek met president Clinton publiekelijk toe dat Pakistan `concrete stappen' zou zetten om de bestandslijn te herstellen. Sharif liet doorschemeren dat de hele operatie eigenlijk niet zijn idee was geweest, maar van zijn legerleider. De Amerikanen liet hij vertrouwelijk weten dat hij twijfelde aan de loyaliteit van het leger. Zo werd de val van het `zelfzuchtige' bewind van Sharif bijna een onontkoombare noodzaak, schetste Musharraf in zijn korte toespraak, vlak na zijn machtsgreep. De afgezette premier trachtte de strijdkrachten, ,,het laatst overgebleven levensvatbare instituut voor de instandhouding van de stabiliteit, eenheid en integriteit van uw geliefde land'', op onduldbare wijze ,,te politiseren, te destabiliseren en onenigheid binnen zijn rangen te creëren.''

In al zijn toespraken tot natie heeft legerleider en `chief executive' Musharraf consequent gewezen op de jammerlijke toestand waarin Pakistan is komen te verkeren door toedoen van de achtereenvolgende regeringen van Banazir Bhutto en Nawaz Sharif. Zij waren weliswaar gekozen, maar waren uit op zelfverrijking en hadden geen oog voor het belang van het volk. Ik, zo verzekerde de nieuwe leider, zal Pakistan `echte democratie' brengen, de corruptie uitbannen en de economie revitaliseren.

Daarom schoot de Karachi-index eind 1999 voor de eerste keer omhoog. Maar anders dan beleggers heeft de advocaat Asma Jahangir, een bekend voorvechtster van mensenrechten in Pakistan, Musharraf nooit verwelkomd als de juiste man om een ommekeer in Pakistan teweeg te brengen. ,,Ik ben teleurgesteld dat mensen uit het democratische westen Musharraf nu opeens prijzen als voorvechter van een moderne staat'', zei ze in februari 2002 in deze krant. ,,Hoe kun je nu praten over een moderne staat als de spoorwegen worden bestuurd door militairen, de universiteiten, de rechtbanken, de economie.'' Dat was enkele weken nadat Musharraf zijn toespraak via radio en televisie hield waarin hij zijn blauwdruk van een moderne moslimstaat staat ontvouwde. De president lag onder vuur door de aanslag op het Indiase parlement in New Delhi door Pakistaanse terroristen. Voor India was dat aanleiding zijn troepen langs de grens te mobiliseren. Musharraf kondigde een exportverbod van islamitische terreur aan en de uitbanning van een aantal extremistische organisaties. Maar dit maakt Musharref nog niet tot een Pakistaanse `Atatürk', oordeelde Jahangir.,,Er zijn geen tekenen dat de militairen terugkeren in de kazernes. (...) De conservatieve krachten houden zich nu stil, maar ze zullen terugkomen.''

Het scenario dat Jahangir toen schetste, heeft zich inderdaad voltrokken. Meer dan welke legerleider voor hem heeft Musharraf zijn machtspositie en die van het leger grondwettelijk verankerd. In oktober 2002 mocht Pakistan een nieuw parlement kiezen, maar de twee grootse seculiere partijen van het land werden bij voorbaat op achterstand gezet. Hun leiders, de ex-premiers Benazir Bhutto en Nawaz Sharif, werden van kandidaatstelling uitgesloten wegens hun corruptie in het verleden.

Daarentegen behaalde Muttahidda Majilis-e-Amal (MMA), een alliantie van zes fundamentalistische partijen die de Talibaan steunen en fel protesteerden tegen Musharrafs steun aan de Amerikaanse aanvallen in Afghanistan, onverwachts groot succes. Die partijen vormen nu de regering in North West Frontier Province en in Baluchistan, de twee grensprovincies in het westen van Pakistan die het huidige jachtterrein op Al-Qaeda in de semi-autonome Pathaanse stammengebieden omsluiten.

De MMA-regering in Peshawar heeft na haar overwinning in de noordwestelijke provincie de invoering aangekondigd van de shari'a, de islamitische wetgeving. Dit staat haaks staat op Musharrafs blauwdruk van een progressieve staat, maar heeft de legerleider er niet van weerhouden zaken te doen met de fundamentalisten. Afgelopen december gaf de MMA, na lang onderhandelen, haar zegen aan een ingrijpend pakket constitutionele hervormingen die de legerleider had opgesteld. Volgens het akkoord, dat begin april in de Senaat werd bezegeld, moet Musharraf eind van dit jaar zijn generaalsuniform in de kast hangen. Maar de komende vier jaar mag hij aanblijven als president. In die functie heeft hij het recht om premier en parlement naar huis te sturen. Door de oprichting van een Nationale Veiligheidsraad, met hemzelf als voorzitter, is de rol van de militairen in 's lands bestuur geïnstitutionaliseerd. En, misschien ook niet onbelangrijk, volgens het grondwettelijke `amendement 17' kan Musharraf later niet alsnog veroordeeld worden wegens zijn coup en de daaropvolgende besluiten.

Zo onstaat het ongemakkelijke beeld van een dr. Jekyll die misschien wel een mr. Hyde is, zoals critici schetsen. Er is bijvoorbeeld nog steeds geen begin gemaakt met het registeren en controleren van de lesprogramma's van de duizenden koranscholen in het land. Drie van de terroristische organisaties die in 2002 werden verboden, mochten later onder andere naam weer tevoorschijn komen. Geen van hun leiders zijn voor de rechter verschenen en bekende sympathisanten van Al-Qaeda die hand- en spandiensten verrichten door leden van het terreurnetwerk te verbergen, worden ongemoeid gelaten.

Ook in Washington bestaan twijfels. De Amerikanen zijn bezorgd over ,,aanwijzingen van banden tussen Pakistaanse geheimagenten, wapendeskundigen en militante leiders'', zoals in maart nog werd opgemerkt in een rapport aan het Congres over `Terrorisme in Zuid-Azië'.

Dat neemt niet weg dat het Pakistan van Musharraf het voordeel van de twijfel houdt van Washington. Want de VS gaat het in Pakistan om terugkeer naar democratie, om gezond onderwijs als tegengif tegen fundamentalisme, om bestrijding van religieus geweld in dat land en, voor alles, om de jacht op Al-Qaeda. Om in de woorden te spreken van de commandant van het Amerikaanse Centrale Commando, generaal Abizaid: ,,Pakistan heeft meer gedaan voor de VS in de directe strijd tegen Al-Qaeda dan enig ander land''.

Computerexpert

Volgens het State Departement heeft Pakistan sinds de 11de september meer dan 550 vermoedelijke terroristen en hun sympathisanten gevangen genomen, en meer dan 400 aan de Amerikaanse autoriteiten overgedragen. Onder hen zijn belangrijke Al-Qaeda-verdachten als de Palestijn Abu Zubaydah, de Jemeniet Ramzi Binalshibh en de Koeweiti Khalid Sheikh Mohammed. De afgelopen maand kon een reeks nieuwe namen aan het rijtje worden toegevoegd, onder anderen van de Tanzaniaan Ahmed Khalfan Ghailani, verdacht van betrokkenheid bij de aanslagen op de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania in augustus 1998; en van de Pakistaanse computerexpert Mohammad Naeem Noor Khan. Diens informatie leidde de afgelopen weken tot verhoogde paraatheid in de VS en het oppakken van een man in Groot-Brittannië, verdacht van het beramen van een aanslag op Heathrow.

Zo blijft Pakistan een sleutelrol vervullen. ,,90 procent'' van de extremisten in Pakistan zijn nu opgepakt, concludeerde president Musharraf deze week. Mogelijk maakt de Karachi-index een nieuwe sprong als ook Osama bin Laden zelf aan het rijtje kan worden toegevoegd. Volgens de Britse krant The Guardian kwamen de VS en Pakistan in 2002 stilzwijgend overeen nog niet al veel haast te maken met de jacht op Osama. Een Pakistaanse klopjacht op hem zouden de protesten tegen Musharraf in eigen land alleen maar aanwakkeren.

Dat kwam toen nog niet goed uit, maar volgens het weekblad The New Yorker heeft Washington nu wel haast. Daarom kreeg – volgens het blad – Musharraf afgelopen januari de gelegenheid om zich openlijk te distantiëren van de `illegale' activiteiten van dr. A. Q. Khan die verantwoordelijk zou zijn geweest voor de verkoop van atoomgeheimen aan Iran, Libië en Noord-Korea. De afhandeling van de zaak – geen straf voor de `vader van de islamitische atoombom' – beschouwden de VS als een binnenlandse aangelegenheid. In ruil beloofde generaal Musharraf, met zijn kennis van het terreurnetwerk, zijn uiterste best te doen Osama in handen van de Amerikanen te spelen. Het liefst nog voor de komende Amerikaanse presidentsverkiezingen in november.