Frequenties 1 tot 20 kHz schaden walvis

Gestructureerd onderzoek heeft kwantitatieve gegevens opgeleverd over de hinder die zeezoogdieren (en vooral walvissen) ondervinden van seismisch onderzoek van de zeebodem (Geophysical Research Letters, 27 juli). Walvissen blijken vooral gevoelig voor geluidsgolven met frequenties van 1 tot 20 kHz.

Bij seismisch onderzoek wordt de zeebodem met een soort luchtgeweer vanaf schepen gepenetreerd, waarbij geluidsgolven worden opgewekt. Al lang was bekend dat veel zeezoogdieren hiervan hinder ondervinden; enkele strandingen van walvissen zijn toegeschreven aan desoriëntatie als gevolg van de geluidsgolven. De dieren moeten in ieder geval hinder ondervinden, want na een opgewekte geluidsgolf ontvluchten ze het gebied tot zo'n 10 km ver. Mede daarom nam de Verenigde Staten al in 1972 een wet aan die strenge beperkingen stelde aan seismisch onderzoek.

Weinig was echter bekend van de onderliggende problematiek. Omdat seismisch onderzoek steeds belangrijker wordt (er bestaan zo'n 100 schepen voor zulk seismisch onderzoek; dagelijks zijn daarvan 15 tot 20 actief), is het echter van groot economisch belang dat er geen zinloze beperkingen aan dit onderzoek worden opgelegd. Daarom is vanaf een onderzoeksschip waarop 20 `luchtgeweren' aanwezig zijn, onderzoek gedaan naar de hinder die de dieren ondervinden, afhankelijk van de geluidssterkte en de frequentie van het geluid, zowel in diep als in ondiep water.

Bij het onderzoek bleek onder meer dat de gevolgen van laagfrequente golven in diep water tot nu toe zijn overschat, en in ondiep water juist onderschat. Walvissen blijken verder erg gevoelig voor geluidsgolven met een frequentie van 1-20 kHz; de meeste `luchtgeweren' wekken een geluidsgolf op van 5-100 Hz. Boven die frequentie blijkt de sterkte van het geluid zeer snel te verminderen.