`Een neuroloog of internist vindt niks'

Slechts een klein deel van de militairen die in conflictgebieden hebben gediend, ontwikkelt een post traumatisch stresssyndroom. Misschien zijn zij gevoeliger voor stress dan anderen.

Psychiater Eric Vermetten kan zich er kwaad om maken: hoe er ,,gegeneraliseerd'' werd in de berichtgeving rond ex-marinier Paul S., die vorig jaar vier van zijn familieleden doodschoot.

S. diende begin jaren negentig in Cambodja. Hij zou daarvan nog steeds de psychische problemen ondervinden en lijden aan PTSS, post-traumatische stress-stoornis. De ex-marinier zou een `wandelende tijdbom' zijn. Dat het Pieter Baancentrum constateerde dat er geen verband was tussen de ervaringen van S. in Cambodja en de viervoudige moord deed er even niet toe.

,,Een tijdbom'', zegt Vermetten zacht. ,,Dat gaat héél ver.''

Vermetten, een kleine beweeglijke man, is een half uur te laat. De psychiater heeft het druk. De twee bedden van de kleine afdeling militaire psychiatrie op het Academisch Ziekenhuis in Utrecht zijn bezet.

In de zomer is er wel vaker meer aanloop, zegt Vermetten. Anderzijds heeft de afdeling zo onderhand enige bekendheid verworven onder de vele duizenden `jonge' veteranen, die vanaf 1979 hebben deelgenomen aan vredesmissies in Libanon, Eritrea, Bosnië of Afghanistan. ,,Gemiddeld'', zo zegt Vermetten, ,,duurt het negen jaar voordat veteranen met psychische problemen ons weten te vinden. Maar dat is gemiddeld. Veel Libanongangers stromen nu pas binnen.''

De nazorg voor de militairen die Defensie naar crisisgebieden stuurt, is het afgelopen decennium maar langzaam op gang gekomen. Pas in 1990 verscheen de eerste nota over veteranenzorg – toen nog over de soldaten die in Indonesië en Nieuw-Guinea hadden gediend.

Maar met het snel groeiende aantal missies na de Koude Oorlog kwam ook de nazorg voor `jonge' veteranen in de belangstelling te staan. Zo leed ongeveer 17 procent van de circa 2.500 militairen die hadden deelgenomen aan de VN-missie in Cambodja aan onverklaarbare vermoeidheidsverschijnselen. Deze leken verdacht veel op het `Golfsyndroom' onder de Amerikaanse en Britse militairen die in 1991 waren ingezet tijdens Desert Storm. Ook Nederlandse militairen die midden jaren negentig op een smerig fabrieksterrein in het Bosnische Lukavac waren gelegerd, vertoonden klachten. Verschillende onderzoeken naar `Cambodja' en `Lukavac' leverden niet veel concreets op.

Wel bepleitten de onderzoekscommissies onder leiding van D66-senatrix Tiesinga voor meer aandacht voor de psychische nazorg voor miltairen die terugkeerden van inzet in crisisgebieden. In 2001 zette Vermetten de eerste onderzoeksafdeling voor PTSS op voor een bescheiden budget: ruim twee miljoen euro voor een periode van vijf jaar.

De psychische nazorg voor militairen vertoonde nog grote tekortkomingen, zo constateerde de vroegere inspecteur-generaal der krijgsmacht, Cees de Veer, in een advies dat hij in juli aan staatssecretaris Van der Knaap aanbood. Zo hanteren landmacht, luchtmacht en marine ieder nog hun eigen werkwijze voor de begeleiding voor, tijdens en na een missie. Bovendien is ook de zorg na het verlaten van de dienst versnipperd. Huisartsen die worden geconfronteerd met ex-militairen met psychische problemen weten vaak te weinig van PTSS. Nog ernstiger is dat een `sluitend' registratiesysteem voor militairen die de dienst hebben verlaten, ontbreekt.

Mede daardoor, denkt Eric Vermetten, worden er onnodige kosten gemaakt. ,,Veel van die jongens komen eerst bij een neuroloog of een internist terecht. Die stoppen er een slang in, maar vinden niets.'' Het feit dat ze aan PTSS leiden ligt moeilijk bij de ex-mariniers, zegt Vermetten. ,,Ze vinden zelf niet dat ze aan een psychische stoornis leiden.''

De psychiater zou er graag meer onderzoek naar doen, zegt hij. De afdeling boekte al bemoedigende resultaten met zes Cambodja-gangers. Die werden in Utrecht ,,aan de rekstok'' gehangen. Met een programma dat vooral bestond uit fysiotherapie, zijn de klachten van de mannen toch flink teruggebracht. Met een eerdere diagnose en een ,,helder behandelprotocol'' zou die winst een stuk eerder kunnen zijn geboekt, denkt Vermetten.

De psychische problemen van militairen zijn al lang bekend, maar PTSS is een relatief `nieuwe' ziekte. Pas in 1980 werd de eerste omschrijving van de stoornis opgenomen in de internationale Encyclopedia of Mental Disorders. Sommige psychiaters vinden nog steeds dat de ziekte is verzonnen, en niet zozeer `ontdekt'. Maar medisch-biologisch onderzoek, onder meer van Vermetten zelf, heeft de laatste jaren uitgewezen dat bij PTSS-patiënten de structuur van de hersenen anders is. Uit de scans die Vermetten in Duitsland laat maken, is te zien hoe de hippocampus, een hersengebied dat verantwoordelijk is voor de aanmaak van stresshormonen, bij PTSS-patiënten duidelijk kleiner is dan bij `gewone' mensen.

Langdurige blootstelling aan stress heeft bij iedereen invloed op het lichaam, zegt Vermetten, maar bij sommige mensen wordt de stresshormonenhuishouding permanent verstoord. De afdeling militaire psychiatrie onderzoekt hoe dat komt.

Zo heeft Defensie groen licht gegeven om militairen te benaderen die binnenkort op missie gaan, bijvoorbeeld naar Irak. Vooraf zullen op vrijwillige basis bloed- en speekselmonsters worden genomen, waardoor de stressgevoeligheid van de militairen voorafgaand aan de missie kan worden bepaald. Na terugkeer zal de groep militairen over een periode van tien jaar worden gevolgd – zodat er een mogelijk verband gelegd kan worden tussen stressgevoeligheid en het ontwikkelen van PTSS. Het is het eerste `prospectieve' PTSS-onderzoek ter wereld.

Uiteindelijk, denkt Vermetten, zal onderzoek niet alleen betrouwbaarder diagnoses kunnen opleveren, maar ook kunnen voorspellen wie een grote kans heeft op PTSS en wie niet. Daarmee behoort het selecteren van PTSS-gevoelige rekruten tijdens de keuring tot de mogelijkheden.

Vermetten vindt dat Defensie de plicht heeft om dit te doen. Hij is dan ook blij met het advies van de oud-inspecteur-generaal De Veer, vooral met de aanbeveling om al het wetenschappelijk onderzoek naar PTSS in één expertisecentrum (in Utrecht) te bundelen.

,,De Veer zegt: doe dat nou, we hebben een achterstand in te halen. Dat vind ik ook. In 1970 of 1980 kwam je er misschien nog mee weg om geen gestructureerd onderzoek te doen. Nu niet meer.''