Zoek de enige echte dadaïst

The import of nothing beschrijft de geschiedenis van de avant-gardebeweging dada in Nederland en België. Dada ontstond tijdens de Eerste Wereldoorlog in Zwitserland en waaierde na 1918 uit naar onder meer Berlijn, New York, Barcelona en Parijs. Ook Amsterdam kreeg een klein staartje mee, maar de invloed van dada in Nederland en België is beperkt geweest.

Er is over de weinige Nederlandse en Belgische dadaïsten al het nodige geschreven, vooral over Theo van Doesburg, Paul van Ostaijen en de Franstalige Belg Clément Pansaers. De kracht van Van den Bergs boek ligt dan ook niet zo zeer in de revolutionair-nieuwe gegevens die hij boven water haalt, maar in het doorlopende verhaal dat hij maakt van wat tot dusverre her en der verspreid over dada bekend was.

De luidruchtigste Nederlandse dadaïst was Van Doesburg, die zich afficheerde als de `eenigster hollandsche dadaïst'. In modernistische kringen was dergelijk sabelgekletter schering en inslag. Van Doesburg raakte echter pas laat bij dada betrokken.

Het schildersechtpaar Otto en Adya van Rees maakte in Zürich weliswaar de geboorte van dada mee, maar bleven toch buitenstaanders, zodat de allereerste Nederlandse dadaïst waarschijnlijk de schilder Paul Citroen is geweest. Citroen, die tot de Berlijnse dadaïstische kunstscène had behoord, vestigde zich na de oorlog in Amsterdam als vertegenwoordiger van dada. Ook Citroen claimde de enige Nederlandse dadaïst te zijn. In zijn bijdrage aan de in 1920 in Berlijn verschenen Dada-Almanach noemde Citroen een Amsterdamse groep rond de schilder Erich Wichman en de componist Daniël Ruyneman, pseudo-dadaïsten. Zij waren echter wel degelijk de eersten die dada-achtige activiteiten in Nederland ontplooiden. Van Doesburg zou nog in januari 1923, wanneer hij met onder anderen de Duitse dadaïst Kurt Schwitters een dada-veldtocht langs Den Haag en andere steden houdt, beweren dat er slechts twee Nederlanders dadaïst waren, namelijk I.K. Bonset (Van Doesburgs dadaïstische pseudoniem) en de pianiste Pétro van Doesburg.

Niet alleen Nederlanders moesten het bij Van Doesburg ontgelden. Als Bonset kraakte hij in De Stijl bijvoorbeeld de bundel Bezette stad (1921) van Van Ostaijen. Slechts Pansaers vond in België genade in zijn ogen.

Van den Berg is op een aantal plaatsen in zijn boek verfrissend kritisch ten opzichte van het door de dadaïsten zelf geschapen beeld. Zo is hij onverbiddelijk in het fileren van de prententies van Pansaers, die beweerde dat hij al sinds 1916 in `dadaïstische' stijl schreef. Ook Van Doesburgs beweringen houdt hij met een gezonde dosis scepsis tegen het licht. Hij had wel wat strenger mogen zijn, want Van Doesburg is in het antedateren van zijn gedichten een meester geweest en zijn beweringen zijn vaak kritiekloos overgenomen. Van den Berg wijst er terecht op dat er nooit een specifiek lokale variant van het dadaïsme in Nederland of België heeft bestaan, maar dat beide landen slaafs de ontwikkelingen in het buitenland volgden.

The import of nothing heeft klaarblijkelijk een lange productietijd gehad, want Van den Berg negeert alle secundaire literatuur over het onderwerp die sinds 1997 is verschenen, zoals de memoires van de Belgische dadaïst Paul Neuhuys, publicaties over de dada-veldtocht, over Van Doesburgs verhouding met Schwitters of over opgedoken handschriften en brieven, die op belangrijke punten de geschiedenis van dada in Nederland en België aanvullen. Ook lijdt het boek aan een ontspoord notenapparaat. Niettemin geeft het voor het eerst een systematisch en chronologisch overzicht van dada in Nederland en België.

Hubert F. van den Berg: The import of nothing. How Dada came, saw, and vanished in the Low Countries (1915-1929). G.K. Hall & Co, 241 blz. €135,–