Voorspel

In het vroege voorjaar van elk vierde jaar vielen velen in de Griekse wereld ten prooi aan wat je gerust het olympische virus mag noemen. Als de speciale afgezanten van het Olympisch Comité, duidelijk herkenbaar aan een krans van olijftakken en een speciale herautstaf, zich aan de poorten van hun steden vervoegden om het begin van het olympisch jaar af te kondigen, werden ze er weer eens van doordrongen dat ze ondanks hun politieke geschillen religieus en cultureel ten nauwste met elkaar waren verbonden.

Alles stond nu in het teken van de naderende Spelen. De atleten werden door hun medeburgers liefderijk gekoesterd, want ze gingen niet slechts voor eigen eer strijden, ook de reputatie van hun stad stond op het spel. En dan was het moment van vertrek daar. Na een periode van harde, intensieve trainingen scheepten ze zich in. Ze wisten dat ze in Elis, de landstreek waarin Olympia lag, in een vredige sfeer de competitie met anderen zouden aangaan, want in de hele regio was een `godsvrede' van kracht; alle oorlogsgeweld was voor een periode van drie maanden uitgebannen. Niemand zou het wagen de atleten iets aan te doen, want Zeus, de god der wrake, stond garant voor hun veiligheid.

Een maand voor aanvang van de Spelen waren ze allemaal in Olympia gearriveerd. Wie zich te laat meldde werd van deelname uitgesloten, tenzij hij een geldige reden had. Niet-Grieken werden geweerd, want de Olympische Spelen waren een Grieks festival. Ze mochten zelfs niet als toeschouwer aanwezig zijn. Wie het toch waagde onder deze voorschriften uit te komen werd zwaar gestraft.

De laatste weken vóór de officiële opening liep de spanning op. De atleten (en hun trainers) bespiedden elkaar en probeerden de oefenstof en trucs van hun rivalen te doorgronden. Officials zagen er nauwlettend op toe dat alles ordelijk en sportief verliep. Ze zouden zelfs de diëten van de atleten hebben gecontroleerd op overmatig vleesgebruik. Of dat verhaal op waarheid berust of aan de fantasie van schrijvers is ontsproten doet er niet zoveel toe. Het feit alleen al dat het in de bronnen is opgenomen geeft aan dat alles was gericht op een eerlijke competitie. Niets werd aan het toeval overgelaten. De oppergod Zeus verwachtte ook niet anders.