Verbroederd in koppigheid

Martin Walser en Peter Handke: meer verschillend kunnen schrijvers niet zijn. De een bedient zich in zijn prozawerk van een aards realisme, de ander heeft een hang naar transcendentie en mystiek. De een interesseert zich vooral voor de mens, de ander meer voor de natuur. En waar de een de tijdelijke bewegingen van het gemoed ontrafelt, daar bezingt de ander de duurzame krachten van het universum. Toch hebben de twee grand seigneurs van de Duitse letteren één trekje met elkaar gemeen: hun eenzame vechtersaard.

Peter Handke oogstte hoongelach toen hij tijdens de oorlog in Joegoslavië het Servische volk verdedigde, waarvoor hij sprookjesachtige argumenten aanvoerde, zoals de eerlijke transparantie van de rivier de Drina en de nobele kleur van de lokale honing. Martin Walser maakte in 1998 bekend dat hij geen zin meer had in de verplichte herinnering aan de Duitse misdaden en Auschwitz; zijn boetekleed wilde hij voor eens en altijd bij het oud vuil laten. Daarmee haalde hij zich de woede op de hals van het goedbedoelende deel van de Duitse natie, een woede die hij nog eens aanwakkerde door vier jaar later in Tod eines Kritikers met antisemitische clichés om zich heen te slaan.

Walsers koppigheid vindt haar gelijke in die van Handke. Hoe uitzichtlozer zijn pro-Servische positie werd, des te verbetener schold hij de NAVO, de media en het complete Westen uit; hij gaf zijn Büchner-prijs terug en hamerde op zijn eigen, radicaal andere kijk op de wereld. Op zijn `gerechtvaardigde idiotendom', zoals hij het zelf eens noemde. Beide heren weten de aandacht van de door hen zo vervloekte media steeds weer naar zich toe te trekken en hun leeftijd – Walser is 77, Handke 61 – tast hun energie niet aan. Zojuist verscheen van ieder van hen een nieuw en vitaal boek. Dat van Walser heet Der Augenblick der Liebe, dat van Handke Don Juan (erzählt von ihm selbst).

Voor vrienden van het oude Joegoslavië staat het Verdrag van Rambouillet in maart 1999 voor het einde van het land en een opgelegde vrede door de NAVO. En vanuit Rambouillet worden, in Don Juan, bloeddorstige honden op de held losgelaten. Zo probeert Handke alsnog zijn gelijk te halen – maar al gauw kijkt hij niet meer naar de Joegoslavische kwestie om. Dan is Martin Walser toch vasthoudender. In het centrum van zijn boek staat een redevoering over schuld. Of, om precies te zijn, over de achttiende-eeuwse arts en filosoof Julien Offray de Lamettrie, voor wie lust en geluk het hoogst bereikbare was. Offray de Lamettrie streefde ernaar de menselijke soort van schuldgevoelens te bevrijden, houdt Walsers hoofdpersoon zijn gehoor voor. Maar de wetenschappers aan een Californische universiteit pikken zijn boodschap niet. Een Duitser gebruikt hier De Lamettrie als voorwendsel om zijn volk vrij te pleiten, verwijten ze hem scherp. De spreker, door Walser in de indirecte rede geciteerd, reageert gepikeerd en cynisch: `Hij als Duitser moet er altijd aan denken dat hij in de eerste plaats Duitser is en, als zijn Een-Duitser-Zijn dat nog toelaat, pas daarna een mens.'

Zelfmedelijden

Schuld hebben bij Walser altijd de anderen. Verongelijkt laat hij zijn hoofdpersonen het onrecht ondergaan dat hem is aangedaan. Gottlieb Zürn in zijn nieuwe roman is nergens goed in, behalve in zelfmedelijden. We wisten het al, we kennen hem nog van Das Schwanenhaus en Die Jagd. Toen was hij respectievelijk eind veertig en halverwege de vijftig. Nu loopt hij tegen de zeventig, maar hij woont nog steeds met zijn Anna aan het Bodenmeer. Walser doet geen moeite om een vergelijking met hemzelf te voorkomen. Het huis aan het water, de vier dochters, de trouwe vrouw en het burgerlijke bestaan: wat Zürn heeft, heeft Walser ook. IJdelheid, uw naam is man.

Want met zoveel overeenkomsten ga je vanzelf vermoeden dat Zürns liefdesaffaire met een veel jongere vrouw ook Walser is overkomen. De `verschrikkelijk middelmatige' Gottlieb krijgt op een dag bezoek van een dame die tien jaar jonger is dan zijn jongste dochter en waarachtig, zij voelt zich net zo tot hem aangetrokken als hij tot haar; een hoofdstuk dat ineens vanuit het perspectief van deze Beate Gutbrod is verteld brengt de omvang van haar gesmacht nauwgezet in kaart. Intussen laaft Zürn zich aan haar verschijning: `Ze was niets dan jong. Borsten die steil naar buiten staken. Steile spitsen zag hij.' Door al die steilheid lijdt de stijl niet minder dan de hunkerende heer: `Schedeslempen. In het zwartrode donker van haar schedeslenk het dagheldere melkige zaad naarbinnen druppelen tot van alle randen en banden alleen nog maar lichte zaadslierten vloeien.'

Een man wordt wakker dankzij de bevrijdende kracht van De Lamettrie. Beate Gutbrod wil op zijn oeuvre promoveren en Zürn, geconverteerd van makelaar naar privé-geleerde, heeft twee studies over hem geschreven, dus dat komt mooi uit. De Lamettries oproep tot schuldeloos genot geeft Gottlieb een excuus om echt te breken en plotseling ervaart hij zijn aangename huwelijk als een gevangenis. Zijn hele leven trouwens. Heeft De Lamettrie niet gezegd dat opvoeding en moraal een mens verstikken? In de miskende filosoof herkennen Zürn en zijn auteur hun eigen lot. Ongewild legt Walser de kinderachtigheid van de held bloot, het puberale gedraai en gedreutel. Dit nieuwe boek ontbeert de zelfspot die ander proza van Walser soms zo leesbaar maakt. En zo ontstaat het beeld van een onrijpe, egocentrische man, een type dat ondanks zijn verlangen naar echtheid steeds maar doet alsof, geobsedeerd als hij is door de indruk die hij op de vrouwen wil maken.

Opstanding

Gek eigenlijk dat Walsers boek niet Don Juan heet. En dat het boek van Handke wél Don Juan heet. Want van de twee schrijvers is Handke verreweg de kuiste. Niet dat er geen vrouwen in zijn verhaal voorkomen. Vrouwen slagen er op het laatst zelfs in het huis van de verteller te omsingelen, en het zijn mooie vrouwen, die de man doen denken: `Zelfs ik, die me wat de vrouwen aanging allang als uitgerangeerd beschouwde, dacht [...] ter plekke: tel mij mee. Met deze vrouwen viel nog iets te beleven – God mag weten wat.' Vrouwen genoeg dus in dit werkje, dat net als Walsers nieuweling over een ontwaken uit een lange tijd van grote eenzaamheid gaat. Maar Handkes vrouwen zijn niet van vlees en bloed. En Handkes mannen ook niet. Meer dan in het lichaam leven zij in de geest; het is de ziel die hunkert in plaats van het geslacht, en de ziel van Handkes held verlangt naar niets minder dan naar de eeuwigheid in het ogenblik.

Daartoe bedacht hij de volgende fabel. Een herbergier die al jaren geen gasten meer heeft ontvangen krijgt ineens bezoek van Don Juan. In zeven dagen bericht de versierder over de zeven etappes van zijn lange reis; Don Juan is in Noord-Afrika geweest en in Nederland, in Noorwegen en in Damascus. Maar belangrijker dan al die oorden bij elkaar is voor Handke de streek die hij als zijn broekzak kent omdat hij er zelf woont, net als de herbergier: het landschap van Île de France. Hier probeert hij in praktijk te brengen waar hij sinds het vastlopen van de politisering van de literatuur heilig in gelooft.

Het is het geloof in het `sanfte Gesetz' van Stifter. Die Oostenrijkse schrijver uit de Biedermeiertijd hechtte meer waarde aan het groeien van het gras dan aan een oorlog of een politieke catastrofe; niet de grote dingen laten volgens hem de tijdeloze wetten zien maar de kleine dingen, de steeds terugkerende wondertjes in de door de eeuwen heen nauwelijks veranderde natuur. Stifter maakte van Handke een woudloper op zoek naar een openbaring, en zo begroet Handkes herbergier de paardenkastanjes, de raven en de rupsen, de wespen en de bessen als goddelijke tekens, die `stralen', `vibreren' of simpelweg `zoemen', al dan niet begeleid door het gebeier van klokken, want `het was in de dagen tussen Christus' Hemelvaart en Pinksteren.'

Tegenover de bedreigende beelden van de politieauto's op de wegen en de oefenende bommenwerpers in het luchtruim zet Handke de geruststellende beelden van het landleven, beelden die `feestelijkheid', ja zelfs `plechtigheid' moeten oproepen en die alleen kunnen bestaan door `ruimtelijk zien'. Dat vermogen, en niet z'n erotische kracht, bewondert de herbergier-verteller aan zijn gast Don Juan, en dat vermogen bewondert Peter Handke ook aan de Serviërs, die een `vredige blik' zouden bezitten waarmee ze de dingen (de rivieren! de potten honing!) prachtig laten stralen.

Walsers onschuld bestaat uit het afschuiven van verantwoordelijkheid. Handkes onschuld bestaat uit het vertellen van sprookjes. Toegepast op het nieuws, zoals de Joegoslavische oorlog, is Handkes visie het meest ridicuul. Maar toegepast op de literatuur brengt zij, naast een hoop pathetische onzin, ook ogenblikken van ware schoonheid voort. Die magie is bij Walser geen ogenblik aanwezig. De liefde heeft zijn blik verkitscht. Fijn voor de erotiek, jammer voor de Duitse taal.

Martin Walser: Der Augenblick der Liebe. Rowohlt, 254 blz. €24,90

Peter Handke: Don Juan (erzählt von ihm selbst). Suhrkamp, 159 blz. €21,–