Toekomstmuziek

De vroegste experimenten in de elektronische muziek vonden plaats in een natuurkundig laboratorium van Philips.

Op zijn sterfbed vertrouwde muzikant Tom Dissevelt (1921-1989) zijn echtgenote een geheim toe: onder zijn bezittingen bevond zich een `Philips-koffer', waarin hij al het materiaal bewaarde dat betrekking had op de korte periode waarin hij werkte voor deze electronicagigant. De koffer mocht nooit geopend worden; niemand hoefde te weten wat erin zat. Dissevelts weduwe respecteerde deze wens aanvankelijk, maar uiteindelijk won haar nieuwsgierigheid. De koffer onder het bed bleek leeg te zijn. Na haar dood in 2003 trof Ronald Dissevelt, zoon van het echtpaar, in de kelder van zijn ouderlijk huis een kist. Hij bevatte 33 geluidsbanden uit de vroegste dagen van de elektronische muziek, waarin zijn vader – die stierf als betrekkelijk anonieme muzikant – een pioniersrol vervulde. Doos van Pandora of historische schatkist, een deel van de inhoud ervan verschijnt nu op cd, in een verzamelbox met andere curiosa uit deze periode.

Ook in Eindhoven was, eind jaren vijftig van de vorige eeuw, de wederopbouw in volle gang, met snelle economische, sociale en technische ontwikkelingen. De ruimtevaartwedloop tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten was internationaal toonaangevend, en in Nederland vormden de fabrieken en laboratoria van Philips een brandpunt van economische groei en technologische innovatie. Op het gebied van elektronische geluidsweergave vonden hier belangrijke ontwikkelingen plaats: de transistor deed vanuit de VS zijn intrede, de eerste `High Fidelity'-versterkers rolden van de band en de stereoplatenspeler werd geïntroduceerd. Hiernaast verzorgde Philips geluidsinstallaties voor grote evenementen (Olympische spelen, internationale congressen) en locaties (van de Scala in Milaan tot het Amsterdamse Centraal Station). In de internationale grammofoonplatenindustrie ontwikkelde de N.V. Philips Phonographische Industrie zich tot een hoofdrolspeler.

Tij keren

Naast deze successen meende Philips ook een culturele, filantropische taak te moeten vervullen. Ondanks de technologische vooruitgang ervoer men een betreurenswaardig verval in de kunsten. Door een kruisbestuiving tussen deze twee hoopte men het tij te kunnen keren, waarbij de kunst zou moeten profiteren van de verworvenheden van de technologie. De onbegrensde mogelijkheden van de techniek leken de componist een combinatie van controle over het materiaal en totale artistieke vrijheid te bieden. De `bevrijding van het geluid' door een samenwerking van componisten en technologen, een droom die componist Edgard Varèse (1883-1965) al voor de oorlog had geformuleerd, lag binnen handbereik.

De eerste schreden op dit gebied waren al in het buitenland gezet. In 1948 had Pierre Schaeffer (1910-1995) in Frankrijk de aandacht getrokken met zijn Etude aux chemins de fer, een collage van elektronisch bewerkte treingeluiden. In studio's in Parijs en Keulen maakten componisten als Messiaen, Boulez en Stockhausen de eerste elektronische composities, gebaseerd op bestaande geluiden (`musique concrète') of elektronisch opgewekte klanken. In hun instrumentale werken uit deze periode streefden deze componisten naar exacte beheersing en eenheid van alle parameters van het toonmateriaal. In de elektronische muziek hoopten zij deze controle nog verder door te voeren: niet alleen melodie, ritme en structuur konden nauwkeurig worden vastgelegd, zelfs timbres lieten zich naar believen manipuleren.

In 1956 kreeg Henk Badings (1907-1987) van het Holland Festival de opdracht om elektronische muziek te verzorgen bij het ballet Kaïn en Abel. Badings had eerder experimentele elektronische geluidsfragmenten gemaakt, maar Kaïn en Abel zou zijn eerste volledig elektronische compositie worden. Voor de faciliteiten kon hij terecht bij het Natuurkundig Laboratorium (Natlab) van Philips, waar men vanwege het onderzoek naar nieuwe geluidstechnologie beschikte over de benodigde apparatuur en – in de persoon van ir. Roelof Vermeulen – kennis en welwillende experimenteerdrang. Voor Badings werd in Eindhoven de eerste Nederlandse studio voor elektronische muziek ingericht.

Kaïn en Abel was een groot succes. De muziek werd zelfs uitgebracht op single en internationaal verspreid door de Wereldomroep, maar de Nederlandse radio vond het te radicaal en weerde het. Badings liet zich niet uit het veld slaan: ,,Een van de eerste ontdekkingen door de mensen die zich met deze nieuwe kunstvorm bezighielden, was de duizelingwekkende overvloed aan nieuwe mogelijkheden die zij bood. Als gevolg hiervan is het muzikale probleem van onze tijd plotseling niet meer dat er zo weinig nieuwe mogelijkheden zijn in de muziek, maar dat het er zo veel zijn, zo ontelbaar veel dat we niet weten waar te beginnen.''

De studio waarin Badings Kaïn en Abel componeerde, bleef intact, en werd naast Badings door componisten als Ton de Leeuw en Rudolf Escher gebruikt voor het vervaardigen van elektronische composities. Edgard Varèse vervaardigde in zeven maanden in een nieuw ingerichte studio zijn Poème électronique. Philips wilde op de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel de show stelen met een paviljoen dat de bezoeker onderdompelde in een multimediaal Gesamtkunstwerk van architectuur, beeld, licht en geluid tezamen. Voor het ontwerp van het paviljoen werd Le Corbusier aangezocht, die het meeste werk overliet aan zijn assistent Iannis Xenakis, later bekend als componist. Le Corbusier stond erop dat Varèse wordt gevraagd voor de muziek. Het resultaat werd in Brussel door duizenden mensen bewonderd.

Intussen werd in Eindhoven de mogelijkheid van populaire elektronische muziek onderzocht. Technisch assistent Dick Raaijmakers (geb. 1930) kreeg de opdracht muziek te maken die commercieel interessanter was dan die van de `serieuze' componisten. Onder het pseudoniem Kid Baltan (lees ook achterstevoren) produceert hij in 1957 Song of the Second Moon, 's werelds eerste elektronische popmuziek. De titel van het futuristische nummer refereerde aan de ruimtevaarthype, die eind dat jaar een letterlijk hoogtepunt vond in de lancering van de Spoetnik. Samen met een arrangement van Kenneth Alfords `Colonel Bogey', het bekende fluitdeuntje uit de film Bridge over the River Kwai, werd het op een 45-toeren single geperst, maar copyrightperikelen met Alfords weduwe verhinderden dat het 's werelds eerste elektronische hit wordt. Raaijmakers, als enige van de componisten uit deze periode nog in leven, zou zich later ontwikkelen tot performancekunstenaar. De elektronica bleven in zijn werk een belangrijke rol spelen.

Actueel

Tom Dissevelt, de man van de Philips-koffer, kreeg de opdracht om, geassisteerd door Kid Baltan, de mogelijkheden van de nieuwe techniek te verkennen. Dissevelt had een status als progressieve jazzcomponist en -arrangeur. Hij produceerde voor Philips de platen Electronic Movements (1958) en, wederom in de geest van de space-age, Fantasy in Orbit (1963).

De belangrijkste werken die Dissevelt, Raaijmakers/Baltan en Badings in deze periode maakten zijn nu uitgebracht in een doosje met vier cd's en zeven begeleidende boekjes. De muziek laat zich nog goed beluisteren. De `serieuze' composities van Badings en Raaijmakers verraden enthousiasme en experimenteerdrift en de `populaire' werken van Baltan en Dissevelt bleven opvallend actueel. Electronic Movements had gisteren gemaakt kunnen zijn: de klanken, vooral de basloopjes en ritmes, beheersen tot op de dag van vandaag het idioom van de populaire elektronische muziek. Met wat goede wil kunnen voorlopers van ontwikkelingen als ambient en minimal music worden herkend. Het filmische karakter van deze muziek wordt onderstreept door filmcomposities van Badings en Raaijmakers. Een cd vol alternatieve versies, basis- en demonstratieklanken, onder meer afkomstig uit Dissevelts Philips-koffer, maakt de set af.

Popular Electronics: Early dutch electronic music from Philips Research Laboratories 1956-1963. Basta 30.9141.2 (4 CD).

Varèses Poème électronique is met andere historische en hedendaagse electronische composities te vinden op His Master's Noise, BVHaast cd-06/0701 (2 CD).