Nieuwe liefde, nieuwe planeet

In de stadsromans van Haruki Murakami, al jaren de Japanse kandidaat voor de Nobelprijs, zijn de eenzame vertellers opvallend gewoon. Maar onder die liefdevolle benadering van banaliteit, gaat een magisch universum schuil.

Een werkloze dertiger staat om half elf 's ochtends in zijn keuken spaghetti te koken terwijl hij naar een Italiaanse opera luistert. De telefoon gaat. Een onbekende vrouw vraagt hem om `elkaars gevoelens te begrijpen'. Hij vermoedt dat ze gestoord is en hangt op. Even later belt zijn eigen vrouw die hem vraagt hun weggelopen kat te gaan zoeken. Hij gaat de deur uit en zijn zoektocht naar het verdwenen huisdier leidt tot een merkwaardige ontmoeting met een een vroegwijs meisje waarmee hij een filosofisch gesprek voert over dierenliefde en mensenliefde, tot hij zich herinnert dat hij nog boodschappen moet doen.

Het is het begin van een kort verhaal uit 1986 van de Japanse succesauteur Haruki Murakami, dat later het openingshoofdstuk zou worden van de monumentale roman De opwindvogelkronieken (1994), die vorig jaar in een Nederlandse vertaling verscheen. Er zit veel in deze passage dat typerend is voor Murakami's verhalen en romans: een schijnbaar willekeurig verhaalverloop, vreemde verzoeken van onbekenden, verdwijningen, eindeloze gesprekken en een grote aandacht voor alledaagse bezigheden.

Dit verhaal biedt vooral een blik op het archetypische Murakami-personage: een wat eenzame man die zijn jeugd definitief achter zich heeft gelaten en die opvallend vaak benadrukt hoe `gewoon' hij is. Hij is het typische product van de Japanse middenklasse met `een typisch doorsnee huis, kleine tuin, Toyota Corolla', zoals de verteller verzucht in de duizelingwekkend goed verkochte roman Norwegian Wood (1987). Soms is de man getrouwd, maar het huwelijk doet weinig af aan de grootsteedse eenzaamheid van zijn bestaan.

Die stadse eenzaamheid wordt nog versterkt doordat Murakami's helden in de eerste plaats toeschouwer zijn. Niet zij leven intens en meeslepend, denken ze, maar de vrouwen en de enkele man die zij ontmoeten. Het gaat dan bijna altijd om figuren die zelf ook iets eenzaams hebben. Misschien is het wel daarom dat de vertellers zich emotioneel aan hen gaan binden: zij delen de verlatenheid van Murakami's archetype, maar laten zich daar niet door uit het veld slaan. Het is niet zo dat de `ik' in zijn romans leeft via anderen. Eerder is het zo dat het weefwerk van emoties en herinneringen van de ik-figuur rijker wordt na verlies. Want dat moet gezegd: opmerkelijk vaak verdwijnt er iemand in Murakami's romans, door zelfmoord (Norwegian Wood) of zomaar (De jacht op het verloren schaap en Ten zuiden van de grens), op weg naar het werk (De opwindvogelkronieken), of op een Grieks eiland (Spoetnikliefde). Die pijn van verlies lijkt al voorgebakken te zitten in de stille, bijna apathische genegenheid die Murakami's helden zo snel kunnen koesteren en die gepaard gaat met het onuitgesproken besef van de nog niet voltrokken, maar onafwendbare scheiding.

De eenzaamheid van Murakami's personages uit zich ook in de onvermoeibare aandacht voor dagelijkse bezigheden. Enkele pagina's nadat de spaghetti gaar is zal de man in detail beschrijven hoe hij zijn overhemden strijkt. Murakami's personages wandelen veel door de stad, halen bier uit de ijskast, lezen veel en luisteren naar muziek. Zijn werk is daarom vaak vergeleken met de korte verhalen van de Amerikaan Raymond Carver (1939-1988), die met ritmische, minutieuze beschrijvingen de stoïcijns gedragen verlatenheid van zijn marginale personages schetst. Murakami is een groot bewonderaar van Carver en heeft diens volledige werk in het Japans vertaald.

Deze liefdevolle benadering van het banale combineert Murakami met de voortdurende aanwezigheid van krankzinnige parallelle werelden. Of beter: de wereld in zijn romans lijkt herkenbaar maar is dat eigenlijk helemaal niet. De telefoon kan al toegang tot een verborgen universum bieden. De mysterieuze vrouw in de eerste pagina's van De opwindvogelkronieken blijkt een helderziende en de ikfiguur ontdekt dat hij door muren heen kan lopen. Dat magisch-realisme zat er bij Murakami al vanaf het begin in, maar hij pakte pas goed uit met zijn derde roman, De jacht op het verloren schaap (1982). Deze geweldig grappige en licht-melancholieke zoektocht naar een overleden jeugdvriend en een sprekend schaap op een niet-bestaande hotelverdieping, is gemodelleerd naar de romans noirs van Raymond Chandler over de privé-detective Philip Marlowe. Bizarre avonturen gaan ook hier hand in hand met een groeiend besef van verlies, soms nog voor vriendschappen en liefdes goed en wel begonnen zijn.

O ja, zijn romans spelen in Japan. Westerse critici klagen graag dat je daar niets van merkt. Het eten in zijn boeken, de boeken, de kleren van zijn personages (poloshirts en gymschoenen) en ook de muziek die zij beluisteren zijn westers. Sommige van zijn romans zijn zelfs naar westerse popsongs vernoemd: Norwegian Wood (The Beatles), Dance Dance Dance (The Dells), South of the Border, West of the Sun (Nat King Cole). Zijn debuutroman schreef Murakami eerst in het Engels en daarna pas in het Japans. Een cynische recensent van de New York Times merkte eens op dat hij graag zou hebben dat Murakami's personages eens wat minder tijd in McDonald's doorbrachten, minder Marlboro's rookten, naar Bruce Springsteen luisterden of naar Woody Allen-films keken. De ironie is natuurlijk dat al die culturele verschijnselen allang net zo goed onderdeel van het Japanse stadsleven uitmaken als van het Amerikaanse of het Nederlandse.

De nieuwe Nederlanse vertaling van Murakami's roman Spoetnikliefde (1999) bevat alle klassieke elementen van zijn werk, maar laat ook zien dat zelfs Murakami zijn mindere momenten kan hebben. Het is allemaal soms net iets te bekend. De ikpersoon K. is verliefd op zijn beste vriendin Sumire, maar zij is onbereikbaar, omdat zij weer verliefd is op haar bazin, de Koreaans-Japanse Mioe, die een wijnimportbedrijf heeft en haar liefde slechts beantwoordt met vriendschap. K. is de `sputnik sweetheart' uit de Engelse ondertitel van de roman: de minnaar-in-gedachten op onbereikbare afstand.

Het gevoel incompleet te zijn, is een constante bij Murakami. In deze roman werkt hij dat thema nadrukkelijker en letterlijker uit dan ooit tevoren. Zijn personages blijven geloven dat er ergens anders een plek bestaat waar zij `heel' kunnen zijn. Murakami's onvermogen slecht te schrijven redt de roman enigszins, maar zijn magisch-realisme vertoont dit keer soms bijna gênante trekjes. Zo heeft Mioe een hallucinerende ervaring waarin zij zichzelf op afstand waar kon nemen. Sindsdien leeft zij `in twee helften': `in deze kant' en `in de andere kant'. Wanneer de twee vrouwen op een Grieks eiland verblijven, verdwijnt Sumire spoorloos. K.'s conclusie: `Sumire was ,,aan de andere kant''.' Zo'n zin verdient geen schoonheidsprijs.

Ook in Spoetnikliefde strooit Murakami weer kwistig met merknamen. K. drinkt geen bier maar Amstel, hij leent niet zomaar een auto maar een Toyota HiAce. Na het squashen draagt Mioe `witte jeans met smalle pijpen. Op een hoekje van de tafel lag een helblauwe zonnebril. Op een stoel naast haar lagen een squashracket en een sporttas van Missoni.' De hoofdpersoon van Murakami's tweede roman Flipperen in 1973 (1980) noemt dit `het opsommen van trivia' en dat is een bewuste stijlfiguur. Oudere critici zien daar vooral een bewijs in van Murakami's oppervlakkigheid, maar die opsommingen zijn eerder een manier om de leefwereld van stedelingen te typeren waarin de aanwezigheid van `dingen' de afwezigheid van individuele eigenheid, diepe relaties of hogere doelen laat zien.

De schrijver werd in 1949 geboren in Kyoto en groeide op in voorsteden van het nabij gelegen Osaka en Kobe. Hij had de doorsnee jeugd van een jongen uit de Japanse middenklasse. Door Amerikaanse muziek en detectiveromans probeerde hij te ontsnappen. Ook in Japan kwamen de studentenonlusten van de jaren zestig tot volle bloei in de periode waarin Murakami studeerde aan de universiteit van Tokyo. Het milieu van studentenactivisme en de teloorgang daarvan vormt de achtergrond van zijn eerste twee romans en van Norwegian Wood. Na zijn studie dreef Murakami zeven jaar lang een bekend jazzcafé in Tokyo. Zijn doorbraak naar een groot publiek kwam met Norwegian Wood, zijn vertelling over een jonge man die tijdens de studentenrellen van 1968 verliefd wordt op een onbereikbaar meisje. Het grote succes, en het daaruit voortvloeiende verlies aan privacy, leidde ertoe dat hij Japan ontvluchtte. Hij woonde afwisselend in Italië, op een Grieks eiland en, tenslotte, aan de Amerikaanse oostkust. In 1995 keerde hij naar Japan terug.

Vóór alles is Murakami een verteller. Hij gelooft dat zijn verhalen snel het publiek moeten bereiken voor het maximale effect. `Romans hebben een impact in hun eigen tijd', zei hij ooit. `Er zijn romans die in hun eigen tijd gelezen moeten worden.' Van John Irvings A Prayer for Owen Meany vindt hij het rampzalig dat het boek pas tien jaar later in het Japans verscheen. Daarom lijkt het hem het niet zo erg dat sommige vertalingen van een deel van zijn boeken vertaalde vertalingen uit het Engels zijn. Liever dat dan dat zijn boeken pas jaren later gelezen kunnen worden. Omdat de kracht van zijn romans vooral komt uit het verhaal – en minder uit de subtiel verglijdende psychologische nuances van de personages in introspectieve romans als die van de Nobelprijswinnaar Yasunari Kawabata (1899-1972) – gelooft Murakami dat zijn werk de oversteek naar een andere taal kan overleven.

Hij heeft gelijk. Murakami's stijl kent drie essentiële ingrediënten die goed overeind blijven. Hij vindt dat zinnen zo kaal en licht mogelijk moeten zijn. Hij probeert zo min mogelijk betekenis in zijn zinnen te stoppen en ze zijn daardoor alles behalve ambigu. Daarnaast let hij erg op ritme. De vergelijking met muziek ligt voor de hand, al was het maar omdat zijn romans en verhalen zo van muziek doordesemd zijn. Tenslotte heeft Murakami een bijna on-Japanse droge humor. Dat zijn lezers hardop moeten lachen wanneer ze in de trein zijn boeken lezen, beschouwt hij als een groot compliment.

Het onvermogen van de stedeling authentiek te zijn én sociaal te functioneren, is het nadrukkelijkst uitgewerkt in Murakami's beste roman tot nu toe: Hard-boiled Wonderland en Het einde van de wereld. Deze opzichtig geconstrueerde roman speelt in twee parallelle werelden, die elkaar in veertig korte hoofdstukken afwisselen. Het Hard-boiled Wonderland is een licht futuristisch Tokyo, waar de ikfiguur de kost verdient met het `wassen' van geheime gegevens voor bedrijven, in opdracht van een organisatie die `het Systeem' wordt genoemd. Dat doet hij door de gegevens van zijn ene naar de andere hersenhelft heen en weer te spoelen. Na een operatieve ingreep in zijn brein zorgt deze handeling voor een onkraakbaar unieke codering. Deze ooit getrouwde vrijgezel ziet zijn leven overhoop gehaald door zijn onvermoede betrokkenheid bij een niets ontziende informatieoorlog. Centraal in de plot staan zijn contacten met een aantrekkelijk, strak-roze gekleed meisje en haar grootvader, een net-niet archetypische waanzinnige professor. In deze wereld staat macht gelijk aan de beschikking over informatie en de manipulatie daarvan.

De andere wereld in dit boek, Het einde van de wereld, is een ommuurde stad waarvan de verteller zich niet kan herinneren hoe hij er terecht is gekomen. De stad is een premodern aandoend universum, waar de bewoners hun schaduw buiten de stadsmuur moeten achterlaten in het gezelschap van treurige eenhoorns. De schaduwen zijn het laatste restant zelfbewustzijn dat iedereen moet vergeten. De stad blijkt zich binnen in het hoofd van de ikfiguur uit Hard-boiled Wonderland te bevinden en is opgebouwd uit filmfragmenten, televisiebeelden en oude mythen. In dit oneindig archief van versnipperde beelden – een `autistische wereld van simulacra' volgens een critica – trekt het ikpersonage zich uiteindelijk terug. Murakami heeft met dit boek de sciencefiction roman naar een existentialistisch niveau getild. Ruim vijftien jaar later keerde hij naar het thema terug. Zijn laatste, nog onvertaalde roman, Kafka op het strand (2002), is in zekere zin een vervolg. Ook daarin gaat het om twee parallelle werelden, in het bewuste en het onderbewuste.

Sommige Japanse critici, de gezaghebbende filosoof Kojin Karatani voorop, hebben nogal wat moeite met de beslissing van de ikpersoon van Hard-boiled Wonderland om in het Einde van de wereld te blijven. Zij zien dit einde van de roman als een beslissing om niet-maatschappelijk te zijn: het personage kiest ervoor zich over te geven aan zijn zelf verzonnen wereld. Die klacht is een echo van de kritiek van Nobelprijswinnaar Kenzaburo Oë (1935), die een jaar na het verschijnen van Hard-boiled Wonderland Murakami verweet dat hij geen blauwdrukken leverde voor de toekomst, maar de `anti-intellectuele' jeugd van Japan slechts leverde waarnaar ze verlangde. Deze ophef is moeilijk los te zien van de hardnekkige verdeling die er van oudsher in Japan bestaat tussen `pure' of `echte' literatuur en `massaliteratuur'. Dat iedereen vervolgens de moeite neemt wel om Murakami's romans van kritiek te voorzien, tekent zijn status in het literaire landschap van hedendaags Japan.

Ontegenzeggelijk is er een omslagpunt in Murakami's schrijverschap gekomen. In 1995 vonden zowel de Kobe-aardbeving als de gifgasaanslag in de metro in Tokyo plaats. Die twee rampen markeerden Murakami's terugkeer naar Japan na een jarenlang verblijf in het buitenland, waardoor hij al met nieuwe ogen naar Japan was gaan kijken. Hieruit kwam Murakami's voornaamste non-fictieboek Underground voort: een reeks interviews met slachtoffers van de gifgasaanval op de ondergrondse door Oum Shinrikyo (Sekte van de hoogste waarheid). De plotse wending die de levens van de slachtoffers hebben genomen, hebben zij gemeen met veel romanpersonages van Murakami. Ook zijn recente verhalen tonen een nieuwe betrokkenheid bij de persoonlijke gevolgen van rampen die zich in werkelijkheid voltrokken hebben, zoals de aardbeving in Kobe. De mannen en vrouwen in dit nieuwe werk zijn beduidend minder apathisch en hoewel het geluk nog steeds niet naast de deur ligt, lijkt loutering toch een mogelijkheid te zijn.

Murakami's internationale succes suggereert dat er werkelijk zoiets bestaat als `literaire globalisering'. Hij veroverde niet alleen een Japans miljoenenpubliek, maar ook andere Aziatische landen als China, Taiwan en Korea. Ook een deel van het het Westen raakte aan zijn werk verslaafd. Zijn weemoedige maar ook droogkomische schetsen van grootsteedse verlatenheid zijn inmiddels net zo universeel herkenbaar als de alomtegenwoordigheid van buitenwijken die over de hele wereld op elkaar lijken, en de pizzeria's die je overal tegenkomt. De herinneringen van Murakami's personages aan het contact met hun lotgenoten, dat er ooit was, maar nu voorgoed is verbroken, maken dat hij niet ten onrechte wel de `Proust light' voor onze tijd is genoemd.

Haruki Murakami: Spoetnikliefde. Uit het Japans vertaald door Elbrich Fennema. Atlas, 223 blz. €21,50