Nieuwe dageraad

Componist Thomas Adès (33) wordt `de redder van de eigentijdse muziek' genoemd. Deze maand repeteert de nieuwe ster met het Nationaal Jeugdorkest.

Het Sprengeloo College in Apeldoorn is geen sfeervol gebouw, maar voor de zomeracademie van het Nationaal Jeugdorkest is het functioneel. In de kantine waar straks de MBO-leerlingen van de `kaderberoepsgerichte leerweg' lunchen, klinkt nu het strijken, blazen, stemmen en kletsen van jonge musici uit 17 verschillende landen. De naam van het Nationaal Jeugdorkest zegt weinig over de samenstelling.

Op het programma staat dit seizoen onder meer het orkestwerk Asyla van de jonge Britse componist/dirigent/pianist Thomas Adès (Londen, 1971). Adès heeft het orkest deze week gecoacht bij de instudering van zijn muziek en dirigeert Asyla vanavond, morgen, zaterdag en zondag op concerten in Kootwijk, Nijmegen, Utrecht en Amsterdam, woensdag gevolgd door het slotconcert in Berlijn.

Na Wolfgang Rihm (2003), Louis Andriessen (2002) en György Kurtág (2001) is Adès de vierde componist die bij het Nationaal Jeugdorkest drie weken de rol van composer-in-residence vervult. Behalve het symfonieorkest coacht hij twee kamermuziekensembles, die zich buigen over Adès' Pianokwintet en strijkkwartet Arcadiana.

Met zijn gympen en spijkerbroek van een agressief hip merk lijkt Thomas Adès tussen de jonge musici van het zomerorkest goed op zijn plaats. De ongedwongen toon waarop hij met ze communiceert en af en toe een biertje drinkt, bevestigt die indruk. Maar op grond van zijn loodzware curriculum en komeetachtig verlopende carrière als `redder van de nieuwe muziek' (Frankfurter Allgemeine) is het eigenlijk een klein wonder dat Adès enthousiast inging op het aanbod van het NJO. Eerlijk is eerlijk, van een jeugdorkest en Apeldoorn gaat minder allure uit dan het Royal Opera House aan Covent Garden of het New York Philharmonic Orchestra in Carnegie Hall, waar Adès eerder zijn werken uitgevoerd hoorde. Maar zelf ziet hij dat niet contrast niet. ,,Ik heb altijd al graag andere muzikanten willen helpen met het instuderen van mijn composities'', zegt hij. ,,De musici hier zijn uitstekend, en daar komt bij dat dit een van de weinige zomercursussen is waar aandacht wordt besteed aan symfonisch repertoire én kamermuziek. Dat trok me zeer.''

Het lot van een composer-in-residence is aardser dan de titel doet vermoeden. Om van de ene repetitielocatie naar de andere te pendelen en tussendoor nog toe te komen aan een dubbele witte boterham met cervelaatworst (,,Voor de vitaminen'') maakt Adès dagelijks gebruik van één van de roze met blauw geverfde orkestfietsen.

Tekenfilmtoeter

Als geboren Londenaar is hij het fietsen niet gewend. Sturen en roken tegelijkertijd lukt nog helemaal niet, al trappend telefoneren nauwelijks. ,,Maar het is wel rustiek hè, hier in het groen'', wijst hij, terwijl zijn slingerend stuur bijna mijn ludieke leenfiets met oranje vlaggetje en tekenfilmtoeter omver haakt. ,,Ik woon zelf in Londen, in een ultra-urbane omgeving. Vanuit die optiek gaat van deze omgeving misschien wat weinig urgentie uit. Maar Paleis het Loo is mooi. Ik houd erg van paleizen.''

Over Adès voorkeuren verscheen inmiddels een gulle stapel complexe beschouwingen, waarin verbanden werden getrokken met het postmodernisme en het surrealisme – termen waarom hij zelf desgevraagd mild moet grijnzen. Wat moet een jonge componist met de klavecimbelwerken van Couperin? Wat heeft hij tegen het Achtste strijkkwartet van Sjostakovitsj (,,gewoon ontzettend slechte muziek'') of tegen de nieuw-spirituele tonen van Tavener (,,net zo droevig als psychiatrie voor honden'')?

Uit weerzin tegen journalisten die dergelijke opmerkingen uitleggen als `arrogantie' geeft Adès al vijf jaar nauwelijks interviews. Al lacht hij erom, het stoort hem wel degelijk dat critici zijn stilistisch bonte muziek `eclectisch' of `postmodern' noemen - termen waarin hij zijn werk niet herkent. Veeleer is het zo dat Adès de muziekgeschiedenis in zijn composities omarmt als onderdeel van het muzikale DNA. Hij refereert aan de bandoneon van Piazzolla (Powder her Face, 1995), de zwoele croon van Billie Holliday (Life Story,1994), stampende technomuziek (Asyla, 1997) Charles Ives (America: A Prophecy, 1999) en zet vijftiende-eeuwse Engelse koormuziek om in een nieuwe carol vol oude sfeer (The Fairfax Carol, 1997). Maar nooit door middel van muffe citaten. Adès transformeert het materiaal en incorporeert het in zijn eigen, eigentijdse klankwereld.

Ades: ,,Het zou onzinnig zijn te ontkennen dat ik door de muziek die ik dagelijks om mij heen hoor, muziekgeschiedenis en de componisten die ik bewonder ben beïnvloed - natuurlijk ben ik dat. Maar het is in mijn componeren niet zo dat er sprake is van een bewuste keuze voor het verwijzen naar bepaald materiaal. Het materiaal dringt zich aan me op; vaak in een veelvoud aan mogelijkheden. Wat ik uiteindelijk gebruik, gebruik ik omdat het de meest urgente mogelijkheid was, niet omdat ik daarvan een rationele afweging maak. Het is als het planten van een bloembol. Die komt uit of niet. Of alsof je wordt gebeten door een mug met een enge ziekte. Je kunt er niks aan doen. Alleen ermee leven – of niet.''

Als zoon van een taalkundige en een gerenommeerde kunsthistorica is Thomas Adès een typisch product van muzikaal en academisch Groot-Brittannië op zijn best. Als jong pianist won hij in 1989 `per ongeluk' een tweede prijs tijdens de BBC Young Musician of the Year-competitie. Vanaf dat moment besloot hij zich met zijn volle verstand aan het componeren te wijden, ,,maar dan goed''.

Na de Guildhall School of Music studeerde Adès in 1992 met de allerhoogste onderscheiding af aan King's College in Cambridge. Het zwarte gat tussen academie en concertpraktijk, waar veel jonge componisten voorgoed in verdwijnen, kwam voor Adès niet in zicht. Het Hallé Orchestra bood hem – toen 22 jaar – een aanstelling als `composer in association'. Twee jaar later maakte zijn muzikaal even bonte als meeslepende kameropera Powder Her Face, met de allereerste fellatio-aria in de westerse muziekgeschiedenis, hem tot de meest veelbesproken en veelgevraagde Engelse componist. Adès liet de Engelse componisten vóór hem – Harrison Birtwistle (70), Brian Ferneyhough (61), Oliver Knussen (52) – definitief achter zich.

Zijn officiële opus 1, de Five Eliot Landscapes, verscheen al in 1990. De liederen roepen onstuimige beelden op en laten de sopraan kwinkeleren als een zangvogel. ,,Die gedichten wilde ik al toonzetten toen ik een kind was'', zegt Adès. ,,Maar het duurde een tijdje voor ik mijn muzikale taal voldoende had ontwikkeld om de beelden te kunnen schetsen die me voor ogen stonden. Een persoonlijke muzikale taal moet je voortdurend ontwikkelen en opbouwen. Je kunt beginnen met iets extreem basaals. Daarin zie je dan de implicaties van je persoonlijke stijl weerspiegeld. Die elementen ontwikkel je weer verder. Enzovoorts.''

Wanneer je die ontwikkeling op zes cd's achter elkaar beluistert, is de flitsende technische virtuositeit en de kameleontische veelzijdigheid van Adès' muziek soms bijna griezelig briljant. De schreeuwerige krantenkoppen die hem na het recente wereldsucces van zijn eerste grootschalige opera The Tempest (2004) bij de Royal Opera omarmden als `redder van de eigentijdse klassieke muziek', `een nieuwe dageraad voor de Britse muziek', en `Messias van het componeren', lijken dan opeens zo gek nog niet. Adès reageert op die eretitels slechts met een gulle, relativerende hinniklach van zijn tuba-achtige basstem - een soort sonore variant van de giechel waarmee acteur Tom Hulce als Mozart geschiedenis schreef in de film Amadeus. ,,Het is niet mijn missie de muziek te redden”, zegt hij. ,,Ik componeer alleen voor mezelf.''

Daarnaast speelt hij nog steeds piano, dirigeert hij en is hij sinds 1999 bovendien artistiek leider van het toonaangevende Aldeburgh Festival, dat in 1948 werd opgericht door Benjamin Britten. ,,Het dreigt soms allemaal wat veel te worden. Daarom probeer ik me nu meer op het componeren te richten. Componeren is voor mij de essentie, oneindig veel belangrijker en persoonlijker dan mijn andere bezigheden. Componeren is niet iets wat ik doe, het is wat ik ben.''

Voor de repetitie van Adès' ritmisch hondsmoeilijke Pianokwintet zit het Nederlandse Matangi strijkkwartet (gemiddelde leeftijd: 26) met de Duitse pianist Michael Wendeberg klaar in een broeierig schoollokaal. De tafeltjes zijn opzij geschoven om de Yamaha-vleugel kwijt te kunnen. Het wachten is op Adès, die het kwartet gedurende drie dagen zal begeleiden bij het instuderen van zijn kwintet. De repetitie begint om half tien, Adès – berucht om zijn hekel aan het ,,overbodige dagdeel'' ochtend – arriveert om half twaalf met een gemompelde verontschuldiging.

Zijn Pianokwintet biedt geen lekkere speelmuziek. Maat voor maat eist het werk tellen, opletten, opnieuw tellen, inzetten. Het Matangi Kwartet baant zich zwetend en vloekend een weg door de estafette van metrische verschuivingen, en Adès kijkt met een sfynxenglimlach toe. Zijn met verzachtwoordjes (uhm, slightly, quite, somewhat) gelardeerde commentaar is vriendelijk, onderkoeld en alleen voor de oplettende toehoorder soms pinnig ironisch. ,,Uhm, ik heb misschien het gevoel dat jullie wellicht nog iets meer duidelijkheid zouden kunnen verlenen aan, uhm, de puls. En dat het nu misschien nog te veel berust op, uhm, gokwerk of toeval?''

Ondanks de bizarre metrische verschuivingen, bezit Adès' Pianokwintet een heldere, sonatevorm-achtige structuur. ,,Dat was ook precies de taak die ik mij had gesteld'', reageert hij droog. ,,Een klassieke structuur, uitgedrukt door strenge metrische processen, die van zichzelf juist de neiging hebben die structuur te vertroebelen. Ik vond het een hoogst interessante componeerpuzzel – een beetje alsof je zou willen bereiken dat een extreem onhandelbaar kind zich opeens braaf gedraagt. Overigens was het punt daarbij niet zozeer dat ik per se een klassieke structuur wilde, maar wel een heldere. Elke structuur die helder is, zal `klassiek' overkomen. Een `sonatevorm' is eigenlijk een vrij vaag begrip. Als er sprake is van een Socratische dialoog in de manier waarop je een stuk vormgeeft, mondt dat vanzelf uit in een soort sonatevorm.''

In Adès' oeuvre is het Pianokwintet een van de weinig puur abstracte werken zonder buitenmuzikale referentie – al roept zelfs dit werk in sterke mate beelden op. ,,Meestal werk ik bij het componeren inderdaad vanuit een beeld, of – zoals ik liever zeg – een `plaats', of een `thema'. Zo werkt mijn brein. Ik ben gevoelig voor omgevingsimpulsen, voor indrukken, voor sfeer. Sommige daarvan moeten muziek worden. Ik kies mijn thema's niet. Het is een kwestie van niet anders kunnen, van dwang. Terwijl ik aan een stuk werk, houd ik het `beeld' als doel voor ogen, maar het ontwikkelt zich naar mate het stuk vordert. Elke compositie is een levend organisme.''

Gekkenhuis

Een van de terugkerende thema's in Adès' muziek is het gekkenhuis. Het is letterlijk het onderwerp van het orkestwerk Asyla (1997); een internationale symfonische hit sinds Simon Rattle het selecteerde voor zijn openingsconcert als de nieuwe chef-dirigent van de Berliner Philharmoniker. Ook bij het Concertgebouworkest, waarvoor Adès overigens nog nooit een werk componeerde (,,Maar als ze me zouden vragen: volgaarne''), speelde Asyla eerder dit jaar onder leiding van Adès' lands- en leeftijdsgenoot Daniel Harding.

Asyla illustreert dat `hoge kunst' of `lage kunst' niet bestaat voor Adès, omdat hij die in uitbundig originele instrumentaties vloeiend in elkaar laat overlopen. Scheurende trombones en jazzy percussie monden uit in een klaaglijke bashobo, een Verdiaanse strijkerspassage in stomende en stampende techno.

,,Instrumentatie is een zeer abstracte, geestelijke dimensie'', vindt Ades. ,,Van Berlioz weten we op grond van zijn Grand Traité d'Instrumentation et d'Orchestration Modernes precies wat hij dacht, maar worden zijn fantastische instrumentaties daarom minder een mysterie? Ik denk het niet. Als je als componist een noot opschrijft, is die noot heel algemeen, maar je gevoel over die noot volstrekt persoonlijk. Het is de kunst de kleur te vinden die dat gevoel uniciteit verduidelijkt. Dat geldt ook voor de notatie. Waar schrijf je welke noot op, hoe leg je een akkoord neer? Je moet de juiste context creëren. Dat lukt alleen door heel goed te luisteren met je inwendige oor.''

In het geval van Asyla viel dat nog niet mee. Stijlen, beelden en associaties lopen in een duizelingwekkend geheel door elkaar. Het is alsof een gedreven muziekliefhebber gek wordt, en allerlei flarden uit zijn luisterend leven terughoort – ontdaan van hun reguliere context en overgoten met een beangstigende droomsaus. Dat Adès zelf bijna letterlijk zijn hoofd brak op het componeren van het derde deel (Ecstasio) en zich hyperventilerend meldde bij de eerste hulp, is gemakkelijk navoelbaar.

,,Ik componeer in een gesloten kamer met uitsluitend een piano, een kruk en enkele boeken'', reageert hij lachend. ,,Is dat een veilige haven, afgezonderd van alle informatiestromen, of is ook een beetje een gekkenhuis?

,,Weet je, het liefst zou ik elke dag beginnen met het spelen van de klavecimbelwerken van Couperin. Ik voel me erg thuis in de Franse barok – veel meer dan in de Duitse. Dat heeft te maken met de menselijkheid die ik voel in de achttiende-eeuwse Franse hofmuziek, vermoed ik. In Versailles draaide alles om persoonlijke relaties. Dat zie je ook terug in, bij voorbeeld, de schilderijen van Jean-Antoine Watteau. Die gaan allemaal over veel mensen in één ruimte en hun onderlinge relaties. Deels houden ze zich bezig met gekonkel, maar je ziet dat ze boven alles bezig zijn met de vraag: `Waarom ben ik eigenlijk hier?' Die houding is mij zeer sympathiek. Het antwoord vinden op die vraag – dat is precies wat ik als componist probeer te doen.''

Nationaal Jeugdorkest o.l.v. Thomas Adès. Programma: Adès, Asyla en Tsjaikovski, Symfonie nr.6.. Concerten op 13 (Nijmegen), 14 (Kootwijk), 15 (Utrecht), 16 (Amsterdam) en 18/8 (Berlijn). Inl.: www.njo.nl/concerts.

De werken van Adès verschenen op cd bij EMI. Inl.: www.emiclassics.com