Mijn beurt

Mijn Indiase collega is ook in Athene gearriveerd. Met een innemende glimlach, als altijd. We moeten altijd een beetje om elkaar grinniken. Hij om mijn oplagecijfers, ik om zijn hockeyploeg. Ooit een grootmacht (acht gouden medailles), maar sinds de introductie van het kunstgras (1976) wanhopig op jacht naar vergane glorie. Subramanyam Thyagarajan schrijft voor The Hindu en bedient een miljoenenpubliek. Daar kan ik slechts van dromen. Zoals hij slechts kan dromen van het medaillepotentieel van die postzegel aan de Noordzee. Subramanyam is traditiegetrouw met geringe verwachtingen neergestreken in Griekenland. India (bijna 1,1 miljard inwoners) is het op één na volkrijkste land ter wereld. Maar presteren, ho maar. Vier jaar geleden in Sydney bedroeg de oogst één schamele bronzen plak. ,,Helaas is cricket geen olympische sport.'' Dat ene zinnetje heeft Subramanyam al heel vaak uitgesproken. Vijf maanden geleden nog, toen hij rillend van de kou op de tribune zat bij een olympisch kwalificatietoernooi in Madrid. Het was een graad of zeven, maar mijn van top tot teen ingepakte collega waande zich op de Noordpool. ,,I'll see you in Athens, my friend'', grimaste hij. Woensdag gutste het zweet van mijn voorhoofd, toen we elkaar de hand drukten, en wat zei hij? ,,Welcome in Athens!'' Overmorgen staan de hockeyers van India en Nederland tegenover elkaar. Subramanyam vreest dat het dan mijn beurt weer is om te lachen.