Ligging maakt eilanden doelwit voor aanslagen

De bestrijding van terrorisme op Aruba en de Antillen komt nauwelijks van de grond. Zeer zorgelijk, vindt minister De Graaf, zeker omdat de eilanden serieuze risicogebieden zijn.

Deze week treedt in Nederland de Wet Terroristische Misdrijven in werking. In combinatie met het Europees Arrestatiebevel dat onderlinge uitlevering van verdachten in de Europese lidstaten mogelijk maakt, is de armslag in de terreurbestrijding op Nederlands grondgebied behoorlijk toegenomen. Maar hoe staat het met de maatregelen aan de zuidelijkste grens van het Koninkrijk der Nederlanden – de Antillen en Aruba? Daar, zo blijkt keer op keer uit onderzoek van verantwoordelijk minister De Graaf (Koninkrijksrelaties), zit nog een enorm hiaat in de terreurbestrijding.

Zowel Aruba als de Nederlandse Antillen gelden volgens De Graaf als serieuze risicogebieden voor terroristische aanslagen of de mogelijkheden om crimineel geld wit te wassen waarmee terrorisme kan worden gefinancierd. Maar afspraken met de verantwoordelijke autoriteiten ter plaatse om de risico's in te dammen, zijn voor het merendeel nog niet nagekomen, zo constateert minister De Graaf (Binnenlandse Zaken, D66) in de vierde voortgangsrapportage die vorige maand naar de Tweede Kamer werd gestuurd.

Potentiële doelwitten zijn er volop op de Antillen en Aruba. Cruiseschepen die de eilanden aandoen, militaire bases van de Verenigde Staten, het Amerikaanse consulaat, maar ook diplomatieke of commerciële Britse en Israëlische objecten. De ,,ligging van de eilanden en hun financiële infrastructuur'' vergroten volgens De Graaf het risico dat op de eilanden ,,ongewild terroristische groeperingen en personen worden gefaciliteerd.''

In de laatstverschenen rapportage wijst de Graaf opnieuw op de risico's van islamitisch-terroristische aanslagen op of via Aruba en de Antillen. Tegelijkertijd, zo schrijft hij, is anti-terreurbeleid ondanks gemaakte afspraken niet van de grond gekomen. ,,Vrijwel alle deadlines zijn verstreken, terwijl een groot deel van de actiepunten nog niet is afgerond.''

Nederland, Aruba en de Nederlandse Antillen spraken in november 2001 een gezamenlijke verklaring uit over te nemen maatregelen op het gebied van terrorismebestrijding. Om dat beleid te kunnen uitvoeren, kregen de Antillen en Aruba gezamenlijk 4,54 miljoen euro van Nederland.

Ruim anderhalf jaar later, vlak na het aftreden van het eerste kabinet-Ys en de installatie van het nieuwe kabinet-Louisa Godett, was al duidelijk dat de Antillen en Aruba het tempo niet konden bijbenen. Internationale verdragen inzake terrorismebestrijding waren nog niet geïmplementeerd, uitbreiding van de visumplicht nog niet afgerond, aanpassing van regelgeving voor betere controle op uit- en doorvoer van strategische goederen nog niet ingevoerd en ook maatregelen om witwaspraktijken te voorkomen hadden niet tot het afgesproken resultaat geleid. Najaar 2003 moest minister De Graaf concluderen dat het gros van de afgesproken maatregelen de deadline ruimschoots was overschreden.

Zomer 2004 is die situatie nauwelijks verbeterd. Het gevaar van terrorismefinanciering is er nog steeds. Zowel de Antillen als Aruba voldoen nog niet aan de criteria voor de bestrijding van witwaspraktijken van de Oeso, de groep van 29 industrielanden. De acht anti-terrorismeaanbevelingen die de Oeso op financieel gebied heeft gedaan, hadden uiterlijk in juli 2002 moeten zijn ingevoerd. Daaraan is nog niet aan voldaan, meldde De Graaf vorige maand aan de Kamer. Ook het VN-verdrag over financiering van terrorisme moet nog worden geratificeerd.

Aruba en de Antillen zijn ook onvoldoende voorbereid op een nucleaire, biologische of chemische (nbc-)aanslag, zo bleek uit een vorig jaar naar de Tweede Kamer verstuurd verslag van een zogeheten expertmeeting eind 2003. Zo is op de Antillen onvoldoende expertise beschikbaar voor het herkennen van gevaarlijke stoffen of explosief materiaal. Hetzelfde geldt voor apparatuur om radioactiviteit te meten of om biologische monsters te kunnen nemen. Chemische strijdgassen kunnen niet worden gedetecteerd. Gas- of chemiepakken en ontsmettingsmateriaal zijn onvoldoende aanwezig. Ook op Aruba is te weinig kennis aanwezig over de gevaren of bestrijding van een nbc-aanslag en kunnen chemische strijdmiddelen niet worden gedetecteerd.

In het verslag van de meeting zoals dat naar de Tweede Kamer is gestuurd, staat een waslijst met aanbevelingen om het mogelijke terrorisme beter te kunnen bestrijden. Zo werd er onder andere voor gepleit om ook op de Antillen en Aruba het openbaar ministerie meer mogelijkheden te geven om bijvoorbeeld telefoonverkeer af te tappen en om infiltranten in te kunnen zetten. Wat er met die aanbevelingen is gebeurd, is niet bekend – in de vierde voortgangsrapportage staat er althans niets over te lezen.

Het is overigens niet zo verwonderlijk dat Aruba en de Nederlandse Antillen het in 2001 afgesproken tempo van het gewenste anti-terreurbeleid niet kunnen bijbenen. Met name de implementatie van benodigde wetswijzigingen vergt ambtelijke capaciteit die daar onvoldoende aanwezig is. Eind 2001 was toenmalig premier Pourier van de Partido Antias Restrictura (PAR) al verwikkeld in een omvangrijk bezuinigings- en reorganisatieproces. Zijn opvolger en partijgenoot Ys (PAR) was te kort aan de macht om vorm te geven aan het afgesproken anti-terreurpakket. In augustus 2003 nam premier Louisa-Godett van de Frente Obrero Liberashon (FOL) gedurende negen maanden de macht over. Dat kabinet had nauwelijks belangstelling voor het onderwerp terrorismebestrijding, mede als gevolg van interne partijpolitieke strubbelingen.

Ook de slechte financiële situatie op de eilanden maakt slagvaardig optreden van de lokale autoriteiten niet gemakkelijk. Zo hebben de Antillen bijvoorbeeld Nederland gevraagd of het mogelijk was om pokkenvaccins voor de bevolking te leveren. De mogelijkheden waren er, was het Nederlandse antwoord, maar dan moest de Antilliaanse overheid wel betalen voor de kosten, het transport en de opslag voor die pokkenvaccins. Dat was niet haalbaar.