Het kernverschil tussen John Kerry en George W. Bush

Maakt John Kerry in het Witte Huis verschil? In één opzicht zeker, namelijk waar hij heeft beloofd het goede voorbeeld te zullen geven. Kerry heeft aangekondigd het door Bush begonnen onderzoek te zullen stoppen naar een nieuwe generatie kernwapens, zogenoemde mininukes ten behoeve van de preventieve oorlogvoering tegen `rogue states' en penetrerende `dieptebommen' voor het opblazen van ingegraven commandoposten en wapeninstallaties. Dergelijke activiteiten ,,ondermijnen (Amerika's) geloofwaardigheid bij het overtuigen van andere volken'' om het bezit van hun nucleaire arsenaal of het streven ernaar op te geven.

Zo'n stap zou ook betekenen dat een regering-Kerry de Comprehensive Test Ban Treaty, het verbod op alle atoomproeven, ter goedkeuring aan de Senaat zal voorleggen. Van belang is daarbij dat in november niet alleen het Witte Huis maar ook het Congres door de Democraten wordt veroverd.

Wat doel betreft is er geen onderscheid tussen beide kandidaten. Niet minder dan Bush is Kerry erop gespitst massavernietigingswapens uit handen van terroristen te houden, met de nadruk op nucleair wapentuig. De kans dat terroristen de beschikking krijgen over dergelijke vernietigingsmiddelen heeft Kerry betiteld als ,,de grootste dreiging waarmee we vandaag de dag worden geconfronteerd''. Daartoe wil hij de belangrijkste ingrediënten, hoog verrijkt uranium en plutonium, onder controle brengen. Voorraden van deze materialen dienen te worden beperkt en de productie ervan moet aan banden worden gelegd. Kerry: ,,Geen materiaal, geen bom, geen atoomterrorisme.''

In dit verband is nog een ander verdrag van betekenis, het Fissile Material Cutoff Treaty (FMCT), ofwel het verdrag dat, als aanvulling op het decennia oude Non-Proliferatie Verdrag (NPV), wereldwijd een eind moet maken aan het produceren van brandstof voor atoomwapens. Het is de bedoeling dat ook de vier atoomwapenlanden die buiten het NPV opereren, India, Pakistan, Noord-Korea en Israël, onder dit FMCT worden gebracht. Bovendien zou dit nieuwe verdrag de vrijheid inperken van de vijf door het NPV erkende kernmogendheden, de VS, Rusland, China, Groot-Brittannië en Frankrijk. Deze vijf staten zouden de beschikking houden over hun bestaande voorraden, maar deze niet langer mogen uitbreiden of vernieuwen.

Een obstakel bij het tot stand brengen van dit verdrag is het verificatiereglement. Zonder controles van het Internationale Atoombureau te Wenen zou het FMCT veel van zijn betekenis verliezen. Het op de lange baan schuiven van een dergelijke regeling door de regering-Bush wordt dan ook door voorstanders van het verdrag gezien als een beslissende belemmering van pogingen het risico van nucleair terrorisme terug te dringen. De hardnekkigheid waarmee de zittende Amerikaanse regering nog steeds haar beslissing tracht te rechtvaardigen om tegen Irak ten oorlog te trekken, staat in schril contrast tot haar nonchalance bij het realiseren van een totale stop op de productie van brandstof voor massavernietigingswapens. Op dit punt zou een wisseling van regime in het Witte Huis verstrekkende, positieve gevolgen kunnen hebben.

Kerry zal overigens willen aanknopen bij het beleid van zijn directe Democratische voorganger, Clinton. Evenals Bush geeft Kerry prioriteit aan het tegengaan van de ontwikkeling van atoomarsenalen in Iran en in Noord-Korea. Maar waar Bush veel tijd verloor met een aanvankelijk agressieve benadering van deze staten – hij plaatste hen in de militair preventief aan te pakken `As van het Kwaad' – streeft Kerry naar het beginnen van direct overleg met de regimes in Teheran en Pyongyang. Hij overweegt Iran een aanbod te doen om in zijn behoefte aan brandstof voor zijn atoomreactoren te voorzien, zodat het Iraanse argument dat het land zelfvoorzienend moet zijn, aan geloofwaardigheid inboet.

Toch wenst Kerry voor een plan-B te zorgen, voor het geval onderhandelingen niet tot het gewenste resultaat leiden. Indien terroristen er in zouden slagen de beschikking te krijgen over nucleaire en/of biologische (ziekten verspreidende) wapens, zou hij ,,die wapens vernietigingen voordat zij zouden worden gebruikt''.

Ter voorbereiding van een dergelijk scenario denkt hij aan ,,de opbouw van nieuwe strijdkrachten die zich specialiseren in het opsporen, veiligstellen en vernietigen van dergelijke massavernietigingswapens en van de faciliteiten om die wapens te vervaardigen''. Maar aan een dergelijke operatie zou ,,de totstandkoming van een internationale consensus vooraf moeten gaan, zodat staten er zelfs niet over peinzen om de nucleaire weg in te slaan''.

Vier `verplichtingen' acht Kerry noodzakelijk om tot een geslaagde buitenlandse politiek te komen:

1) Amerika dient op te treden samen met andere landen, bij voorkeur in het verband van bondgenootschappen;

2) Amerika's strijdkrachten dienen in staat te zijn onconventionele en asymmetrische bedreigingen tegen te gaan en zich daartegen te verdedigen;

3) Tijdig en doeltreffend zal naar niet-militaire opties, zoals diplomatie, moeten worden omgezien, zodat een militaire aanpak niet als de enige optie overblijft;

4) Aan Amerika's afhankelijkheid van olie-importen uit het Midden- Oosten zal een eind moeten komen.

Ten slotte staat er veel op het spel in de betrekkingen met Rusland en andere staten die uit de Sovjet-Unie zijn voortgekomen. Herstel van de beveiliging van sovjetarsenalen vol chemische en biologische wapens heeft hier de hoogste prioriteit. Maar twee factoren, menen deskundigen van de in Washington gevestigde Arms Control Association, vormen een belemmering bij het uitbannen van de risico's. Aan de ene kant blijken uit de sovjettijd overgeleverde bureaucratische mechanismen het zicht te ontnemen op veel van wat er op dat gebied omgaat. Anderzijds, en in zekere zin als een reactie hierop, is het Amerikaanse Congres weigerachtig gebleken om de gevraagde gelden voluit ter beschikking te stellen.

Praktisch gaat het om een versnelling van de vernietiging van voorraden, om controle op en bewaking van die voorraden in afwachting van vernietiging, en niet in de laatste plaats om alternatieve werkverschaffing voor de vele duizenden geleerden die aan de opbouw van de sovjetwapenprogramma's hebben meegewerkt. De affaire met de in Nederland opgeleide Pakistaanse atoomdeskundige Khan, die behalve Pakistan ook Noord-Korea, Iran en Libië aan nucleaire kennis en apparatuur hielp, heeft laten zien hoeveel schade een enkele geleerde kan aanrichten aan de internationale veiligheid.

Kerry heeft aangekondigd dat hij, eenmaal in het Witte Huis, contact zal zoeken met president Poetin om de uitvoering van bestaande programma's aanzienlijk te versnellen en resterende belemmeringen op te heffen.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.