Grappen en trappen

In hun op de AKO-longlist opgenomen roman `Bloemsdag' maken Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes een literaire tocht door Amsterdam. ,,Zo werkte Joyce zelf ook, hoor.''

`Iedereen wil een Nederlandse Ulysses schrijven, maar niemand zet zich ertoe, wij wel.' Op de honderdste `Bloomsday', genoemd naar 16 juni 1904, de dag dat James Joyce's roman Ulysses zich afspeelt, presenteerde het schrijversduo Erik Bindervoet (1962) en Robbert-Jan Henkes (1962) Bloemsdag. Geen vertaling van Ulysses, maar een omzetting van de roman die een eeuw geleden in Dublin speelt naar het Amsterdam van 2004. Resultaat: een virtuoos taalspel, vol met verwijzingen naar Joyce, maar vooral ook naar de Nederlandse literatuur.

Bindervoet & Henkes publiceerden in 2002 een bejubelde vertaling van Joyce's Finnegans Wake. Bloemsdag is een grap en toch ook weer geen grap, een in zeven weken geschreven pastiche en een erudiete Joyce-studie.

In Ulysses beschrijft Joyce de zwerftocht door Dublin van zijn joods-Ierse hoofdpersoon Leopold Bloom en diens ontmoetingen met zijn jonge alter ego Stephen Dedalus. Bindervoet en Henkes laten hun Indische Nederlander Nicolaas (Klaassie) Bloem, al bijna veertig jaar getrouwd met Carla, door Amsterdam zwerven, beginnend in de Jordaan, om precies te zijn de Anjeliersstraat waar zich de bovenwoning van Robbert-Jan Henkes bevindt. Het lijkt passend de beide heren dáár over hun Amsterdamse Ulysses te ondervragen en een stukje met hen mee te wandelen op de route die ze voor Klaas Bloem hebben uitgezet.

Waarom een Nederlandse Ulysses? ,,Het begon met een verzoek van Trouw, dat ons afgelopen februari vroeg of wij ter gelegenheid van honderd jaar Bloomsday een stuk wilden schrijven of een feuilleton. Dat laatste vonden wij leuker omdat we dan Ulysses op de voet konden volgen: elke dag een hoofdstuk. Daar was geen ruimte voor, dus kregen we negen stukjes tot onze beschikking.''

Vijandschap

Soms zaten ze samen achter de computer, soms schreven ze afzonderlijk en mailden ze elkaar de hoofdstukken. ,,Tijdens het lopen door de stad hebben we allebei aantekeningen gemaakt. De achttien hoofdstukken, met dezelfde titels als die van Joyce, hebben we samen op de rails gezet. Vervolgens hebben we afzonderlijk aan stukken gewerkt waar de ander dan weer iets aan toevoegde. We hebben niets geschrapt. Schrijven is geen schrappen, het is grappen en trappen.''

De trappen in Bloemsdag worden uitgedeeld aan vrijwel alle hedendaagse schrijvers die er toe doen, van A.F. Th. van der Heijden tot Arnon Grunberg en Thomas Rosenboom. ,,Kleine schopjes onderhouden de vijandschap'', zegt Henkes. Anders dan Ulysses speelt Bloemsdag niet op 16 juni, maar op 30 maart en evenals bij Joyce is die datum voor de auteurs niet zonder betekenis. Joyce zoende op 16 juni 1904 voor het eerst zijn latere echtgenote Nora Barnacle, voor Bindervoet en Henkes begon 22 jaar geleden op 30 maart hun samenwerking. Het getal 22 (Ulysses werd gepubliceerd in 1922) krijgt dus veel nadruk, zoals in het boek van Joyce het cijfer 11 een prominente plaats inneemt.

Origineel is hun boek niet, daarvoor leunt het te veel op Joyce, maar daar zien B&H geen probleem in. ,,Ulysses was zelf ook een parallel met Homerus' Odyssee. Zo werkt de literatuur. Het is één groot bouwwerk, waar telkens iets aangebouwd wordt, alle boeken zitten vol verwijzingen. Wij hebben dat zeer bewust gedaan. We hebben Joyce letterlijk gevolgd. Andere Nederlandse schrijvers zijn daar veel te origineel voor. Die willen graag zelf hun plot bedenken. Toch hebben we juist daarin veel veranderd. Om te beginnen de leeftijd van de hoofdpersonen. Bij ons zijn ze gemiddeld twintig jaar ouder dan bij Joyce: Bloem is in de zestig, Anton Wachterromans is 42. Ook het drama van het boek verschilt van Ulysses. Niet Bloems vader heeft zelfmoord gepleegd, maar zijn zoon Frederik.'' Voor het personage Anton Wachterromans staan zowel Joyce's Stephen Dedalus als het schrijverskoppel Bindervoet & Henkes zelf model. ,,De naam Anton Wachterromans hebben we verzonnen in de tijd dat A.F.Th. van der Heijden de Anton Wachter-prijs kreeg. Daarbij werd dan altijd uitgelegd dat die prijs was genoemd naar de hoofdpersoon uit de Anton Wachterromans. Dat vonden we zo'n gek woord, dat we er een naam van gemaakt hebben.'' Anton kwam al voor in hun eerste boek Autobiografie van een polemist, waarin hij hun rancuneuze afsplitsing is. In Bloemsdag vervult hij dezelfde rol. Zo uit hij kritiek op de alom geprezen Ulysses-vertaling van de Vlamingen Paul Claes en Mon Nys, vooral omdat zij de eerste zin van het boek in tweeën hebben gehakt. ,,Al die zinnen van Joyce hebben een prachtig ritme. Als je die in tweeën knipt verliezen ze de interne logica. Wij hebben geprobeerd in elk geval de eerste en ook wel een beetje de laatste zinnen zoveel mogelijk op het ritme van de oorspronkelijke Joyce-zinnen te houden.''

Of Bloemsdag te genieten is voor mensen die Ulysses nooit hebben gelezen of Amsterdam niet kennen, weten ze niet. ,,Wij zijn nooit in Dublin geweest en toch houden we erg van Ulysses. Er zijn veel Ierse geleerden die zeggen dat je niets van Ulysses en Joyce kunt begrijpen als je geen Ier bent en niet in Dublin geboren bent. Wat is dat voor een beperkte opvatting van literatuur en wat je er allemaal van kunt opsteken? Onze Bloemsdag kan mooi doorgaan voor een kortere Ulysses. Al is er wel al een lezer opgestaan die Ulysses erbij moest pakken om onze Bloemsdag beter te begrijpen. Dus het werkt twee kanten op. Ideaal!''

Een aardige bijkomstigheid was dat 30 maart, die de schrijvers hadden uitgekozen voor Bloems odyssee door Amsterdam, ook de dag was waarop prinses Juliana werd bijgezet in Delft, een gebeurtenis die door het hele boek heen speelt. ,,Het was een extra en extra-plus was dat het mooi weer was, zodat we echt de hele dag buiten konden zijn. We hebben tot diep in de avond rondgezworven. Het werd om acht uur donker, maar niet koud, zodat we buiten onze vunzigheden konden uithalen.''

Die `vunzigheden' spelen zich bij Joyce onder andere af op het strand in het hoofdstuk `Nausicaä', waar Leopold Bloom tijdens het bespieden van een mank meisje een orgasme krijgt. Nicolaas Bloem krijgt in het Vondelpark een natte plek in zijn broek bij het kijken naar de debiele Rosa Zeeman. ,,Zij is genoemd naar Rosa Overbeek uit Theo Thijssens Kees de jongen'', lichten Bindervoet & Henkes toe. ,,Joyce parodieert in zijn Nausicaä-hoofdstuk de stijl van een meisjesboek en wij parodiëren de stijl van een jongensboek, het `Kees de jongensboek'. Waarom we haar debiel gemaakt hebben? Nou ja, ze moest iets hebben. Bij voorkeur niet precies hetzelfde als de manke Gerty MacDowell van Joyce, maar wel iets wat bij Bloem een schok veroorzaakt.''

Haar achternaam, Zeeman, verwijst naar de hoofdstuktitel Nausicaä, hij moest iets nautisch hebben. Nee, met Michaël Zeeman heeft het niets te maken. Hoewel? Het zou kunnen. Het zou toch een schok teweegbrengen als je hem op tv ziet en opeens ontdekt: hij is debiel!''

De Wallen

Een belangrijk verschil tussen Ulysses en Bloemsdag is dat Joyce zijn boek over het Dublin van 16 juni 1904 tussen 1914 en 1922 heeft geschreven in Triëst, Zürich en Parijs en zich allerlei feitelijke omstandigheden niet herinnerde, terwijl Bindervoet & Henkes alles wat hun op de dag van Bloems zwerftocht overkwam ter plekke hebben opgetekend. Bindervoet: ,,Ik heb vanuit de Pijp, waar ik woon, de route van het personage Anton Wachterromans gelopen en gefietst. Om een uur of tien arriveerde ik in de Anjeliersstraat. Daarna zijn Robbert-Jan en ik eerst de Jordaan in getrokken, toen naar de begraafplaats Zorgvlied, vervolgens naar de redactie van het dagblad Trouw, om ten slotte via allerlei plekken in de stad te eindigen in Studio Desmet aan de Plantage Middenlaan. De avonturen op de Wallen hebben we later beleefd cq verzonnen cq gelezen in een handzaam boekje over die buurt.''

De Jordaan vormt niet alleen een hoofdbestanddeel van het boek omdat Henkes er toevallig woont. ,,Belangrijker is dat de Jordaan altijd een buitenbeentje is geweest, een buurt met een eigen taal en eigen liedjes. En de Jordaan is, met al die straten met bloemennamen, de Amsterdamse bloemenbuurt, een toepasselijke plek om te wonen voor iemand die Bloem heet. Het is meegenomen dat wij de buurt goed kennen. Je kunt moeilijk een boek schrijven over Oost als je daar niet woont. We wilden dat aanvankelijk wel, omdat we parallellen wilden trekken met de dichter Jacques Bloem en zijn beroemde gedicht over de Dapperstraat. Maar we weten daar gewoon niet genoeg van.''

Van de Jordaan des te meer. Het hoofdstuk `Cycloop', waarin bij Joyce de jood Leopold Bloom wordt getrakteerd op antisemitische opmerkingen, is in Bloemsdag gesitueerd in een kopieerwinkel in de Amsterdamse Westerstraat. Ook in werkelijkheid wordt hier het gedachtegoed van Pim Fortuyn breed uitgemeten. Maar hoeveel lezers weten dat nou? Volgens Bindervoet & Henkes maakt het niet uit. ,,Iedereen kent wel van die zaken waar de baas en zijn vaste klanten eindeloos vertellen hoe slecht het allemaal gaat in Nederland. Je hoort een niet-aflatende waterval van klachten, doodsbedreigingen en visionaire oplossingen voor al het leed in de wereld. De onderbuikgevoelens, die volkse verontwaardiging, wordt er erg goed verwoord, precies zoals Joyce dat indertijd gedaan heeft.''

Als we later langs de kopieerinrichting wandelen blijkt het een centrum van protest tegen de plannen om de straat weer in een gracht te veranderen. Op het affiche `Geen nattigheid in de Westerstraat' prijkt een foto van boze middenstanders. Bindervoet wijst verrukt de partner van de kopieerbaas aan: ,,Kijk dat is Carla, spreek uit Calla.'' Daarmee onthult hij wie in het boek model staat voor Bloems echtgenote. Althans wat haar naam betreft en haar imposante verschijning.

Voor mensen die Ulysses wél gelezen hebben, biedt Bloemsdag nieuwe inzichten in het werk van Joyce. Zo bevat het hoofdstuk `Ossen van de zon', in chronologische volgorde pastiches van de Engelse literatuur van Beowulf tot Oscar Wilde en alle in zijn ogen gedegenereerde schrijvers die daarna kwamen. Bindervoet & Henkes doen in het gelijknamige hoofdstuk van hun Amsterdamse bewerking hetzelfde met de Nederlandse literatuur. Voer voor liefhebbers van een literaire quiz. Na een variant op de eerste geschreven Nederlandse zin komen passages in de stijl van onder andere Henrick van Veldeke, Karel ende Elegast, Hadewych, Erasmus, P.C. Hooft, Brederode, Cats, Vondel, Wolff en Deken, Bilderdijk, Multatuli, Couperus, Nescio, Vestdijk, Hermans en Reve. ,,We hebben die pastiches gemaakt met behulp van een schoolboek Nederlandse literatuurgeschiedenis en andere handboeken en bloemlezingen. Zo werkte Joyce zelf ook.''

Twee voor twaalf

Het hoofdstuk `Eumaeus', bij Joyce gegoten in de vorm van een catechismus, is bij Bindervoet en Henkes een variant van de tv-quiz `Twee voor twaalf'. Zowel Bloem als diens protégé Anton Wachterromans krijgt twaalf vragen voorgelegd. Hun antwoorden beginnen allemaal met een vetgedrukte hoofdletter. Uiteindelijk moet de lezer op basis van deze letters een woord raden. Als Henkes even de kamer uit is, onthult Bindervoet de oplossing: ,,Het woord dat Bloem moet raden is `oneindigheid': dat van Anton, net als wij een voormalig geschiedenisstudent, is `geschiedenis'.

Heel mooi in Bloemsdag zijn de laatste hoofdstukken, waarin hedendaagse Nederlandse schrijvers en andere `bekende Amsterdammers' op de hak worden genomen, eindigend bij de interpunctieloze monoloog van Molly/Carla in een schitterend Jordanees taaleigen, bekend uit teksten van Jordaanliederen. Carla doet daarin onder meer verslag van haar overspel met de bekende zanger Manke Manus. ,,Wij hebben zowat het hele liedjesboek Bij ons in de Jordaan overgeschreven, alsmede de autobiografie en biografie van Johnnie Jordaan, om over andere literatuur nog maar te zwijgen'', geven ze, met enige overdrijving, toe. Om daar niet over te worden lastiggevallen hebben ze een originele manier gevonden om hun bronnen te vermelden: de titels uit Bloems boekenkast. ,,We willen niet als de nieuwe Adriaan van Dis de geschiedenis in.''

Bang dat hun `rare hertelling' als gevolg van de vele verwijzingen en de hatelijkheden aan collega-schrijvers als een studentikoze grap zal worden weggezet, zijn ze niet. ,,Vind maar eens een paar studenten die het allemaal begrijpen in het huidige tijdsgewricht! En bovendien, wij zijn het niet die oordelen over schrijvers, maar ons personage Anton Wachterromans, die in het boek voor de radio A.F.Th's Movo Tapes bespreekt. Overigens interesseert de huidige Nederlandse literatuur ons niet zo. Bijvoorbeeld dat boekenweekgeschenk van Thomas Rosenboom: als je de eerste zin leest, weet je genoeg. Bij Van der Heijden komen we ook nooit verder dan de eerste zin, hij is kampioen slechte eerste zinnen schrijven. Daar schreeuwen we in Bloemsdag onze teleurstelling over uit. Jammer dat uit zulke mooie dikke boeken alleen maar het `I want to be a writer-syndroom' spreekt. Heel ernstig als je zo'n syndroom hebt. Daar hebben wij gelukkig geen last van.''

`Bloemsdag' is verschenen bij uitgeverij De Harmonie, €16,50