Geen tijd meer voor tragiek

Het antisemitisme in Frankrijk kent vele gezichten. Bij politiek links is een anti-Israëlisch enthousiasme manifest. Bij Marokkanen en Algerijnen in de achterstandswijken roept Israël haat en geweld op, mede gevoed door de Koran, de Arabische media en de eeuwenoude westerse antisemitische beeldtaal.

Frankrijk is de bakermat van het moderne antisemitisme als rassenleer. Zelfs de extreme variant van de racistische jodenhaat, gericht op de fysieke eliminatie van de joden, stak in Frankrijk eerder de kop op dan in Duitsland. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hielp het collaborerende Vichy-regime gevraagd en ongevraagd de nazi's met de deportatie van de Franse joden. Het antisemitisme is voor de Fransen altijd interessant gebleven: zelfs een gillende jodenhater als Louis-Ferdinand Céline, of een monkelende antisemiet als Jean Genet waren het onderwerp van diepgravende letterkundige en psychologische studies over de verborgen motieven van hun afkeer. Diepgravend en omvattend historisch onderzoek naar de jodenhaat is in Frankrijk vooral verricht door Léon Poliakov en meer recent door Pierre Birnbaum.

Frankrijk is ook het thuisland van het anti-antisemitisme: Jean Paul Sartre schreef al in 1945 zijn fameuze Portrait de l'anti-sémite. Het huidige bewind onder president Chirac is onverbiddelijk in de afwijzing van alle jodenhaat. Daar is ook wel aanleiding toe, want de laatste jaren doen zich talrijke antisemitische incidenten voor. En juist in zo'n tijd van toegenomen spanning, manifesteert zich steevast de ene gek die alle woede naar zich toe weet te trekken. De gekkin was ditmaal Marie Leblanc, die samen met haar vriend een verhaal ensceneerde waarin Noord-Afrikanen haar mishandelden omdat zij haar voor een jodin aanzagen. Nog vóór ze door de mand viel, had Chirac de vermeende aanval al ten stengste veroordeeld. Leblanc heeft vooral de anti-antisemieten belachelijk gemaakt, net zoals in Nederland zeventien jaar geleden Jules Croiset dat deed met een vergelijkbare schijnvertoning.

De laatste tijd verschijnen regelmatig beschouwingen over `het nieuwe antisemitisme', al te vaak geschreven met het retorisch elan en de filosofische flair die Franse auteur zo ontzagwekkend en onleesbaar kunnen maken. Daniel Sibony schreef een `psychoanalyse' van het conflict in het Midden-Oosten, Jean-Claude Milner publiceerde onlangs De criminele neigingen van het democratische Europa, dat sterk geïnspireerd is door de denkbeelden van de dissidente psychoanalyticus Jacques Lacan. In Parijs wordt de wijsgerige versie van de psychoanalyse volstrekt serieus genomen. Sibony en Milner hebben die zielsleer nodig omdat zij achter de woorden en de gebaren de ware motieven van hun subjecten willen opsporen: een herleving van de jodenhaat in andere gedaante.

Frankrijk telt zes à zevenhonderdduizend joden, al is niet geheel duidelijk wie daartoe gerekend worden en hoe zij geteld worden. Aannemelijk is dat, buiten Israël en de Verenigde Staten, in Frankrijk het grootste aantal joden woont. Sinds een jaar of wat, eigenlijk vooral sinds het begin van de tweede intifada, zijn mensen die als jood herkenbaar zijn in de achterstandswijken met regelmaat het mikpunt van verbale en fysieke aanvallen, bijna altijd door Noord-Afrikanen. De aanvallers komen uit de meest geteisterde buitenwijken, waar Marokkaanse en Algerijnse achterblijvers in een toenemend maatschappelijk isolement en in een steeds grotere religieuze en ideologische verharding geraken. Het gaat helemaal niet goed met de integratie van de maghrébins. Die achterstand leidt ongetwijfeld tot toenemende wrok en oplaaiende razernij. Maar dat nu al die frustratie juist op de joden moet worden uitgeleefd, behoeft toch nog een nadere verklaring. Die is eerder te vinden in de Koran en in het Israëlisch-Palestijns conflict dan in de actuele omstandigheden van het Noord-Afrikaanse getto.

Daarmee heeft de historie van de jodenhaat in Frankrijk, en in andere West-Europese landen, een nieuwe wending genomen. Kennelijk is verontwaardiging over het Israëlisch optreden in bezet gebied het eerste motief voor de agressie. De maghrébins beschouwen alle joden als medeplichtig aan het Israëlisch optreden in bezet gebied,de Franse joden incluis. Hun jodenhaat wordt gevoed met passages uit de Koran, gretig aangehaald door de imams, en met teksten en beelden ontleend aan het aloude Europese antisemitisme, ruimschoots geleverd door de Arabische kranten en satellietzenders. De jonge maghrébins zijn daar zelden verlegen mee, integendeel, om de andere zin laten ze de verwensing `fuij' vallen (het omgekeerde van `juif', jood, in het omkeerbargoens dat `verlan' genoemd wordt, van `l'envers'). Bij het onderwijs in de eigentijdse geschiedenis wordt de jodenvervolging discreet overgeslagen, omdat de leraar anders wordt weggeschreeuwd. In Nederland schijnt dat niet veel anders te zijn.

Hoe valt deze nieuwe gestalte van de jodenhaat te plaatsen in de context van het Franse antisemitisme?

Van oudsher, door de eeuwen heen, heeft de kerk de joden verweten dat zij Christus niet als hun verlosser aanvaardden en dat zij verantwoordelijk waren voor zijn dood. Dit religieuze antisemitisme is in Frankrijk vrijwel verdwenen. De katholieke kerk heeft zich in de afgelopen decennia met de joden verzoend en is nu eerder een bolwerk van anti-antisemitisme.

Er is nog een ander, een `modern' antisemitisme, dat niet geschraagd wordt door de godsdienst, maar door de rassentheorie in al haar varianten. Die indeling van de mensheid in – ongelijkwaardige – rassen is een Franse uitvinding, van Arthur de Gobineau, die later door Duitse denkers fanatiek zou worden uitgewerkt tot een theorie van de universele rassenstrijd waarin de joden de meest verderfelijke rol speelden. Het Vichy-regime wist beide stromingen, het godsdienstige en het raciale antisemitisme, te combineren. De seculiere jodenhaat wordt nu vooral nog uitgedragen door Jean-Marie Le Pen, de voorman van het Front National.

Maar het is aan de linkerkant dat nu in Frankrijk de woordentwist het hoogst oplaait. Links is sterk gekant tegen de Israëlische bezettingspolitiek. Linkse activisten hebben zich een halve eeuw lang vereenzelvigd met de antikoloniale vrijheidsstrijd en zien de Palestijnse intifada als het laatste hoofdstuk in die heroïsche historie. Aan de linkerkant is het verzet tegen de mondialisering het sterkst en daar is ook de oppositie tegen de Verenigde Staten het hevigst. De VS zijn de trouwste steun en toeverlaat van Israël en Israël wordt gezien als de wegbereider van de Amerikaanse politiek in het Midden-Oosten. Die opvattingen, fel verwoord en heftig uitgedragen, botsen uiteraard frontaal met de al even intens doorleefde sympathie voor Israël bij het meerendeel van de Franse joden. De vraag is nu of het anti-Israëlisch enthousiasme van links een heimelijk antisemitisme camoufleert. Pierre-André Taguieff wees al in die richting in zijn La nouvelle judéophobie uit 2002. Nog onheilspellender is Alain Finkielkraut in zijn pamflet Au nom de l'Autre; Réflexions sur l'antisémitisme qui vient (2003).

Aan de uiterste linkerkant (en de uiterste rechterkant) zijn de negationisten en revisionisten te vinden die ontkennen dat de vernietigingskampen van de nazi's ooit bestaan hebben of die de omvang en het belang ervan bagatelliseren. Dat zijn de malloten in de marge. Veel breder verbreid is de opvatting dat de uitroeiing van de joden weliswaar een historisch feit is, maar niet langer moreel relevant in de beoordeling van de staat Israël. De joden, en de joden in Israël al helemaal, hebben dat oorlogsverleden uitgebuit om de vestiging van Israël te rechtvaardigen en alle daden van het regime te legitimeren. Sterker nog, door hun eigen verleden misleid, zijn de joden die in Europa slachtoffer van de nazi's waren in Israël beul van de Palestijnen geworden.

Dit thema wordt in het links vertoog in alle toonaarden gemoduleerd en in vele variaties herhaald. Helden van links, zoals Abbé Pierre, de voorvechter van de daklozen, of José Bové, de bestrijder van McDonalds en van de mondialisering, hebben die historische omkering voor hun breed publiek uitgedragen. Daarbij valt geen onvertogen woord, geen wanklank van antisemitisme, alleen maar anti-Israëlisch enthousiasme, de gedrevenheid van het groot moreel gelijk.

Even verderop zijn de maghrébins aan de gang, de jonge `beurs', die al even anti-Israëlisch zijn en minstens zo enthousiast, maar onverveerd en onverholen antisemiet. Zij hanteren het volledig symbolisch repertoire van islamitisch religieuze jodenhaat en twintigste-eeuws antisemitisch racisme, van antikoloniale en antikapitalistische retoriek tot antizionistische tirades. Van tijd tot tijd treffen zij de linkse activisten in een demonstratie op de Parijse boulevards, of in de straten van Durban: op de borden is Sharon gelijk aan Hitler, is de Davidster omgevormd tot hakenkruis en baden Palestijnen in het bloed. Er zijn geen Israëlische slachtoffers.

Dan scheiden zich de wegen weer en nemen de linkse demonstranten afstand van de al te enthousiaste uitingen van de islamitische betogers. Nog diezelfde avond, als elke avond, wordt op de Arabische satellietzenders een stortvloed van antisemitische propaganda uitgezonden, te ontvangen in elke woning met een schotelantenne.

Joël en Dan Kotek hebben in hun Au nom de l'antisionisme een verzameling spotprenten over Israël bijeenge bracht. De cartoons komen uit de Arabische landen, uit West-Europa en van adressen op het internet. Die plaatjes draaien er niet omheen. Ze zijn bedoeld om de woede over het Israëlisch optreden uit te beelden en te verhevigen. Dat doen ze, heel effectief, door gebruik te maken van het beeldend repertoire uit de geschiedenis van Europa en het Midden-Oosten. Die beelden komen vrijwel zonder uitzondering uit de ikonografie van het antisemitisme. `De demonologie van het antisemitisme: Europese traditie, Arabische moderniteit' schrijven de Koteks. In hun collectie zijn ook tal van spotprenten uit West-Europa opgenomen, die uit hetzelfde beeldrepertoire putten. Daarmee komt het anti-Israëlisch enthousiasme van links in een andere context te staan. Het manifesteert zich tezelfdertijd en met eenzelfde gerichtheid als het massaal en rabiaat Arabisch anti-semitisme. Het staat daar los van, maar het loopt er gelijk mee op.

Joël en Dan Kotek gebruiken spotprenten om de verbeeldingswereld van het antizionisme te traceren, Daniel Sibony matigt zich een psychoanalyse aan van het Palestijns-Israëlisch conflict. Israël en Palestina hebben bij Sibony niet op de bank gelegen en dus blijft het behelpen voor de therapeut. Hij heeft ook geen afzonderlijke Israëli's of Palestijnen ondervraagd, maar bij gebrek aan ander materiaal zijn toevlucht genomen tot de Koran en de Thora. Die heilige boeken functioneren plaatsvervangend als het collectief onderbewuste van respectievelijk Palestijnen en Israëli's. Wat blijkt? De Koran ontkent de eigen oorsprong in de joodse bijbelboeken en loochent het joodse aandeel in het islamitisch erfgoed. Net zo ontkent de Arabische traditie de joodse bestemming van het land van Israël. De joden zijn drieduizend jaar `bezeten' (`possedés') geweest van Israël en Israël is al die tijd `bezeten' door de joden. De Palestijnen konden alleen maar ontkennen dat zij het land bezet hielden dat de joden door G'd zelf beloofd was. De komst van de joden naar Israël was dus niets minder dan de terugkeer van het verdrongene, van de verdrongenen, de `revenants' (en dat betekent `de terugkomers' én `de spoken'). Sibony is woordspelig, zelfs vindingrijk, maar zijn betoog komt niet verder dan een amateur-theologische apologie van de joodse aanspraken op Israël. Hij heeft zichzelf en zijn zaak een te gemakkelijk gelijk gegund.

En toch, het had gekund, een psychoanalytische benadering van het Palestijns-Israëlisch conflict. Zo'n beschouwing zou moeten beginnen met een analyse van de tegenoverdracht, van de eigen wensen, angsten, fantasieën van de analyticus. De speurtocht zou zich moeten richten op de pijnlijkste, de meest beschamende en beangstigende voorstellingen die de partijen zich van zichzelf en van elkaar maken. Dat is niet te doen tussen schrijftafel en boekenkast, daarvoor moet de auteur naar de mensen toe.

Jean-Claude Milner komt zijn kamer ook niet uit. Hij begint zijn boek met een uitvoerige filosofische inleiding die uitloopt op een centrale tegenstelling: die tussen vraagstuk en probleem. Het eerste nodigt uit tot vragen stellen, het tweede dwingt tot een oplossing. In Europa is het joodse vraagstuk tot het joodse probleem geworden, dat dan ook een finale, een moderne, een technische oplossing moest krijgen, de Endlösung. Dat was de oorlog die Hitler won. Pas daarmee kon Europa één worden. Voordien waren de joden, vooral de Oostjoden, volgens dit probleemdenken, een onverteerbaar element geweest temidden van de overige volkeren van Europa, die onderling wel verenigbaar waren.

De vestiging van de joodse staat Israël en de overwinning op de Arabische buurstaten werd in Europa gezien als een militaire zege van het moreel gelijk, net als de geallieerde overwinning op de nazi's. Maar weer liepen de joden uit de pas van de historie. In Europa vervluchtigde de idee van de natie-staat ter wille van het eenheidsstreven, Israël wilde juist de nationale – joodse – staat bij uitstek zijn. Europa zag zich zelf vooral als vredesstichter, en werd steeds meer anti-militair. Israël werd strijdlustiger en militariseerde door. Het joods probleem bestond niet meer, maar in plaats daarvan kwam het probleem Israël. De volkeren van Europa en het Midden-Oosten zijn klaar voor onderlinge toenadering, maar Israël is het onhanteerbaar element.

Dat is, meent Milner, de context waarin het links protest tegen Israël begrepen moet worden en ook de tegenstand van de islamieten in Europa. Bij demonstraties trekken ze gelijk op, de een roept `paix' en `vrede', de ander scandeert `jihad', geloofsstrijd. De twee leuzen lijken elkaar uit te sluiten, behalve in één enkel geval: haat tegen Israël brengt ze onder één noemer in het teken van dood aan de joden. Antisemitisme is daar niet eens meer voor nodig. Milner suggereert dat de vooruitstrevende en vredesgezinde vleugel een nieuwe jodenmoord accepteert omdat ze het gevaar dat Israël bedreigt tegen beter weten in ontkent. Dat komt niet voort uit jodenhaat, maar uit volstrekte onverschilligheid jegens de joden nu ze eens en vooral uit Europa zelf verdwenen zijn.

Dit zijn de hyperbolen waarin het abstract-filosofisch denken doorschiet, maar heel in de verte komen ze toch heel dicht bij een mogelijke, een denkbare realiteit. In het slothoofdstuk voorspelt Milner de opkomst van een `anti-judaisme' dat zich verzet tegen de joden als de bewaarders van de onveranderlijke viereenheid `man/vrouw/ouder/kind', die meer en meer ondermijnd wordt door een gemakzuchtig, genotzuchtig, technisch modernisme. Daarmee is hij opeens terug bij af, bij het idee dat het jodendom door één onveranderlijke wezenskern bepaald wordt, die onvermijdelijk bij de anderen de haat oproept.

Milner lijdt, zoals wel meer Franse scribenten, aan filosofische absences: opeens draaien zijn zinnen weg en begint hij te fabuleren, roept de grote denkers aan en mompelt toverspreuken. De lezer kan dan maar het beste niets laten merken en rustig doorbladeren tot de auteur weer bij zinnen is. Dan komt Milner vaak met een oorspronkelijk of gewaagd idee, niet helemaal waar, niet helemaal onwaar. Maar het blijft je bij.

De Franse discussie over Israël en het antisemitisme markeert het einde van het vervolgingsjodendom. Voor de oudere generaties was de shoah het absolute dieptepunt vanwaar de weg omhoog leidde naar Israël. Voor jongere generaties is het Palestijns-Israëlisch conflict de bepalende ervaring. In de nieuwe constellatie bevinden de joden zich niet langer vanzelfsprekend in de vertrouwde rol van slachtoffer zonder schuld, maar ze hoeven zich ook niet even vanzelfsprekend de rol van beul zonder recht te laten aanleunen.

Evenmin kunnen de gedreven critici van Israël zich aanmatigen dat zij zelf onbevlekt opkomen voor het schuldloos gelijk van de ene partij tegenover het schuldig machtsvertoon van de andere partij. Die twee partijen zijn met elkaar in oorlog, een vuile oorlog, met ongelijke machtsmiddelen, maar daarom niet minder destructief aan beide kanten. Het anti-Israëlisch enthousiasme ontkent de wisselwerking tussen de partijen, de haast onontkoombare dynamiek van zet en tegenzet, van slag en tegenslag, de heimelijke verstandhouding tussen de extremisten aan beide zijden die aan één gewelddaad genoeg hebben om elke toenaderingspoging te laten mislukken. Het anti-Israëlisch enthousiasme is blind voor de tragiek van het conflict. Die verblinding is vreemd, verontrustend, verdacht.

Het antisemitisme van rechts lijkt op dit moment in Frankrijk nog het minst bedreigend. De nieuw-rechtse partijen kunnen meer stemmen winnen door zich tegen de nieuwe immigranten te keren dan door de al zo lang gevestigde joden te bestrijden. In de huidige situatie schuilt het gevaar eerder in een samengaan van islamitische jodenhaat en anti-Israëlisch enthousiasme van links. Zo'n combinatie van racistisch straatgeweld en intellectuele moraalprediking is voorlopig niet in zicht, daarvoor staat nog teveel in de weg. Wat tot nu toe ontbreekt is het politiek genie dat die twee in één beweging samen kan brengen.

Joël en Dan Kotek: Au nom de l'antisionisme. L'image des Juifs et d'Israél dan la caricature depuis la seconde Intifada. Editions Complexe. 168 blz. €18,90

Daniel Sibony: Proche-Orient. Psychanalyse d'un conflit. Seuil, 320 blz. €20,–

Jean-Claude Milner: Les penchants criminels de l' Europe démocratique. Verdier, 160 blz. €12,–