Falen, dat doe je echt zelf

Sporters nemen te gemakkelijk hun toevlucht tot een slappe smoes door tegenvallende prestaties mentaal te duiden. Maar wat er `tussen de oren' gebeurt, is geen afdoende verklaring, vindt Jerôme Inen.

Vandaag beginnen de Spelen, de sporters vechten zich omhoog in een poging een plaats te bemachtigen op het erepodium. De één lukt het, de ander (weer) niet. Verrassende gouden medailles voor underdogs, of juist geen medailles voor favorieten. Juist de Spelen lijken onverwachte krachten op te roepen, waardoor sporters onverwachts schitteren of juist schutteren. En juist bij zulke verrassingen komt steeds dezelfde uitdrukking terug. ,,De mentale kwestie.'' Of, populair gezegd: ,,Het zit tussen de oren.''

Vroeger had je nog ,,de mysterieuze krachten in de sport''. Tegenwoordig is het `mentaal'. Is dat erg, dat stopwoordje `mentaal'? Ja. Niet alleen in de sport, ook in het dagelijkse leven is de `mentale kwestie' een doekje voor het bloeden geworden. We gebruiken het constant, om maar niet te hoeven zeggen: ,,Dit kan ik/ dit kunnen wij niet.''

Het rare is – of misschien is het helemaal niet raar – dat je deskundigen op dit gebied, zoals (sport)psychologen en coaches, steeds kunt horen zeggen: ,,Het mentale aspect is ondergewaardeerd.'' Of: ,,Links en rechts wordt er nog lacherig over gedaan.'' Zij die het moeten kunnen weten, vinden dus dat we nog te weinig denken aan het `mentale' aspect.

Het is niet alleen zelfpromotie van deze deskundigen. Zij overcompenseren. Er is inderdaad een tijd geweest dat de psychologische kant geen aandacht kreeg. De beste won, klaar. Niet de zenuwen krijgen op belangrijke momenten, daarin onderscheidden de mannen zich van de jongens.

Eind jaren '60, begin jaren '70 begon dat te veranderen. Tim Gallwey publiceerde in 1972 zijn beroemde boek Het Innerlijk Spel van tennis. Om goed te kunnen presteren, poneerde Gallwey, moest je de geest tot rust brengen. Er gingen miljoenen van zijn boek over de toonbank.

Misschien zorgde Gallwey wel voor de doorbraak. Sportpsychologen begonnen langzaam te verschijnen als begeleiders van professionele sporters. Eerst kregen zij – zowel de begeleiders als de sporters zelf – de hoon van de harde jongens en meiden over zich heen. Zo werd aanvankelijk ook hartelijk gelachen om de haptonoom Ted Troost.

Totdat absolute topatleten zoals zwemmer Mark Spitz, tennisspeelster Billy Jean King en in ons land Ruud Gullit `mentaal' uit de kast kwamen en hardop zeiden: ,,Ik heb hulp gezocht van een sportpsycholoog/mentale coach en ik heb er veel aan gehad.''

Sportpsychologen zijn nu niet meer weg te denken. Geen individuele sporter noch een team kan zonder, maar ook in het bedrijfsleven is het nu bon ton. Topsporters, zowel ex-voetballers als bergbeklimmers, geven duurbetaalde seminars aan managers in ,,geestelijk klaar zijn voor de top''. Op het omslag van de vernieuwde uitgave van Gallwey's Het Innerlijk Spel van tennis staat de aanbeveling dat het boek kan worden gebruikt voor uiteenlopende activiteiten zoals ,,leidinggeven aan veranderingsprocessen binnen het bedrijf'' en ,,coachingvaardigheden ontwikkelen van managers''.

Is dat `innerlijke spel' dan allemaal onzin? Nee. Een mens heeft een lichaam en een geest, en die zijn niet te scheiden. Maar het mentale aspect van presteren is méér geworden dan wat het is: een deel van het geheel. Het is nu het begin en het eind van prestaties, een mystificatie.

Het motief om prestaties mentaal te duiden is: zelfbescherming. We horen niet graag dat we iets eigenlijk niet zo goed kunnen als we dachten. Als een tennisleerling tegen me zegt: ,,In oefenwedstrijden serveer ik geweldig, maar in officiële wedstrijden sla ik ontzettend veel dubbele fouten'', dan wil hij niet horen dat we dus op zijn service moeten oefenen. Hij is er immers van overtuigd dat het ,,een mentale kwestie'' is.

Ik reageer altijd heel begrijpend. Maar uiteindelijk leg ik hem of haar altijd dit voorbeeld voor. ,,Boris en Maud kunnen prachtig zingen, maar als ze zwaar verkouden zijn, moeten ze al hun optredens afzeggen. Zangeres Miranda van Kralingen, echter, kan zelfs als ze griep heeft, nog zingen. Hoe beter je techniek is, hoe minder nare omstandigheden, zoals verkoudheid of geestelijk niet zo lekker in je vel zitten door de zenuwen, je prestaties kunnen beïnvloeden.''

Wie wil leren beter te presteren, in de sport of daarbuiten, moet de werkelijkheid onder ogen durven zien. Soms is de concurrent of de tegenstander gewoon beter. Hulde voor de sporter, Nederlands of niet, die straks na te hebben gefaald op de Olympische Spelen zegt: ,,Ik kan dit niet. Nog niet.'' Want dan is er altijd nog hoop.

Jerôme Inen is tennisleraar en docent Journalistiek aan the New School for Information Services in Amsterdam.