De trage mars der flappen

Bij de overstap van de gulden naar de euro verschenen veel gelegenheidswerkjes waarin werd stilgestaan bij dit prijsgeven van `een stukje nationale identiteit'. Een algemeen overzichtwerk van de praktische kanten van het betalen in de loop der eeuwen werd toen echter niet geschreven. Dit hiaat is nu opgevuld door twee medewerkers van De Nederlandsche Bank. Mooij en Dongelmans hebben de vele, vaak gedetailleerde historische studies en de voor insiders geschreven handleidingen voor de nieuwe betaalmiddelen doorgenomen en hun bevindingen in gecomprimeerde vorm en in begrijpelijke bewoordingen bij elkaar gezet. Mogen wij even afrekenen? is een goed toegankelijk boek waarin de revolutionaire veranderingen zijn beschreven die zich in het particuliere betalingsverkeer hier te lande hebben voorgedaan.

De auteurs gaan een flink stuk terug in de geschiedenis. De florerende Amsterdamse Beurs en de Wisselbank konden niet verhullen dat tijdens de bloeitijd van de Republiek een muntchaos was ontstaan. Eerst na 1800 werden enkele belangrijke stappen in de richting van harmonisatie en uniformering van het muntwezen gezet. Het kostte echter een halve eeuw voordat het grote publiek deze veranderingen aan den lijve ging ervaren. Het door De Nederlandsche Bank uitgegeven papiergeld – geen bankbiljetten in de huidige betekenis, maar promessen – was vooral bestemd voor de handel. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de grootte van de coupures, die opliep van 25 naar 1.000 gulden. De huidige tegenwaarde van een biljet van 1000 gulden is ongeveer 18.500 euro. De auteurs van Mogen wij even afrekenen? hebben berekend dat in 1820 driekwart van het in omloop gebrachte papiergeld uit biljetten van 1.000 gulden bestond en dat de biljetten van 25 gulden – nog altijd goed voor een maandsalaris van een arbeider – nauwelijks meer dan één procent vertegenwoordigden.

De circulatie van de bankbiljetten bleef bovendien hoofdzakelijk tot Amsterdam beperkt. Elders was men `slim genoeg om hare klinkende guldens niet voor die onnoozele papiertjes in ruil te geven'. In Friesland namen notarissen in de door hen opgestelde koop- en huurcontracten de bepaling op `dat de betaling in klinkende specie, met uitsluiting van bankbiljetten' diende te geschieden. Pas tegen het einde van de negentiende eeuw burgerde het bankbiljet definitief in.

Ook bij de introductie van het giraal betalen namen de banken, en in hun kielzog hun klanten, een afwachtende houding aan. De banken lieten de eer van de vereenvoudiging van het betalingsverkeer aan de rijksoverheid. In 1918 werd de, onder het ministerie van Verkeer en Waterstaat ressorterende, Postcheque- en Girodienst operationeel. De acceptatie bij het grote publiek verliep langzaam. De invoering van de salarisrekening in het midden van de jaren zestig en de introductie van de gegarandeerde betaalcheque in 1967 bleken mijlpalen voor de giralisering van het betalingsverkeer.

De volle eeuw die de Nederlander nodig had om het bankbiljet te accepteren en de halve eeuw om te wennen aan girale betalingen staan in schril contrast met de snelheid van de inburgering van de pinpas. De huidige ontwikkelingen gaan razendsnel en het daarbij gehanteerde jargon (e-money of cyber-money) klinkt futuristisch. Maar we zullen, aldus de auteurs, moeten wennen aan het idee dat we onafwendbaar afstevenen op een cashless society.

J. Mooij en T. Dongelmans: Mogen wij even afrekenen? Twee eeuwen betalen in Nederland. Boom, 168 blz. €17,50